Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:CA0083

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-05-2013
Datum publicatie
16-05-2013
Zaaknummer
02-700025-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt verdachte wegens het veroorzaken van een dodelijk ongeval in Made tot een werkstraf en een rijontzegging voor de duur van 2 jaar waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Uitgebreide strafmotivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/700025-12

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 mei 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. Huijskens, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 april 2013, waarbij de officier van justitie, mr. Paapen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 31 juli 2012 door zijn schuld een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij [slachtoffer 1] werd gedood en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen dan wel dat verdachte met zijn rijgedrag gevaar op de weg heeft veroorzaakt, waarbij [slachtoffer 1] werd gedood en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen dan wel dat verdachte artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 heeft overtreden.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zeer onoplettend heeft gereden en dat hij schuld heeft aan het ongeval dat het overlijden van [slachtoffer 1] alsmede het zware letsel bij [slachtoffer 2] heeft veroorzaakt. De officier van justitie gaat uit van een aanmerkelijke verkeersfout die verdachte begaan heeft. Zij acht op grond van de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [slachtoffer 2] en het proces-verbaal van de Unit Forensische Technische Onderzoek het primair tenlastegelegde bewezen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde kan komen. Verdachte heeft aangegeven dat hij is geschrokken van een overstekend dier en dat hij daardoor op de verkeerde weghelft terecht is gekomen. Daarom is er geen sprake van een ernstige verwijtbaarheid en het aspect schuld ontbreekt daardoor. Wel acht de verdediging het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 31 juli 2012 reed verdachte in een bedrijfsauto van het merk Iveco op de Kanaalweg-West in Made. Op dat moment reden de heer [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) ook over deze weg. [slachtoffer 2] zag uit de tegenovergestelde richting een vrachtauto komen aanrijden en zij zag dat deze vrachtauto zich plotseling op de rijstrook begaf waarop zij reden. Even verder op de weg is een flauwe bocht in de rijbaan en [slachtoffer 2] zag dat de bestuurder van de vrachtauto niet met de bocht meereed, maar dat hij gewoon rechtdoor reed. [slachtoffer 2] riep nog tegen [slachtoffer 1]; ‘Wat doet hij nu?’ Aan de rechterzijde van de rijbaan bevond zich een vangrail, waardoor [slachtoffer 1] niet naar rechts kon uitwijken. Vervolgens reed de vrachtauto frontaal tegen het voertuig waarin [slachtoffer1 en] [slachtoffer 2] zaten . Als gevolg van dit ongeval is de heer [slachtoffer 1] overleden en heeft mevrouw [slachtoffer 2] een breuk van het rechter sleutelbeen en een verbrijzelde linkerenkel opgelopen. De geschatte genezingsduur van de breuk van het rechter sleutelbeen is weken en van het letsel aan de linkerenkel maanden .

Getuige [getuige 1] zag - ter hoogte van waar zij liep – een vrachtwagentje dat voor een gedeelte op de andere weghelft van de Kanaalweg-West reed. Zij zag verder dat een grijs busje op de eigen helft het vrachtwagentje tegemoet kwam rijden en dat het vrachtwagentje tegen het grijze busje reed. Deze aanrijding veroorzaakte een harde klap .

Uit het technisch onderzoek van de politie is gebleken dat de Iveco waarin verdachte reed in een flauwe bocht naar rechts, rechtdoor reed en hierbij op de rijstrook van de auto van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] terecht kwam. Vervolgens botste de Iveco op de linkerrijstrook van de Kanaalweg-West nagenoeg frontaal op de auto van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

De rechtbank stelt op grond van de hierboven genoemde feiten en omstandigheden vast dat verdachte in een flauwe bocht naar rechts, rechtdoor reed en hierbij op de rijstrook van de auto van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] terecht kwam met een ongeval tot gevolg, waarbij [slachtoffer 1] kwam te overlijden en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel opliep.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en verdachte dat hij voor een overstekend dier moest uitwijken en daardoor een ruk naar links moest geven, waardoor hij opeens op de linker weghelft kwam en niet meer kon terugsturen. [slachtoffer 2] heeft namelijk nog waargenomen dat verdachte gewoon niet met de bocht meereed, waardoor verdachte op de linker weghelft kwam en zij heeft – zij het snel – nog daarover iets tegen [slachtoffer 1] kunnen zeggen. Ook [getuige 1], die objectief is en een goed zicht had op het gebeurde, zag de vrachtauto ter hoogte van waar zij liep al voor een deel op de linker weghelft rijden. Zij verklaart: “ik zag niet of hij ergens voor moest uitwijken”. Dit alles duidt er naar het oordeel van de rechtbank op dat door voornoemde personen geen abrupte beweging van het door verdachte bestuurde voertuig is gezien. Dat [slachtoffer 2] spreekt over “plotseling” ten aanzien van het verschijnen van de vrachtwagen op haar weghelft duidt naar het oordeel van de rechtbank meer op het onverwachte van de gebeurtenis voor haar dan op de wijze waarop de beweging werd uitgevoerd. Daarnaast blijkt uit het technisch onderzoek dat geen remsporen dan wel andersoortige bandensporen van de bedrijfsauto van verdachte zijn aangetroffen, die zouden duiden op een voor de hand liggende reactie indien men een object van rechts naar links over een weg ziet oversteken. De verklaring van verdachte vindt dan ook geen enkele steun in het dossier.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, betreft welke mate van schuld dergelijk rijgedrag oplevert. Als schuld bestaat in roekeloosheid, gelden hogere maximumstraffen (artikel 175, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994). Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat bij roekeloosheid sprake moet zijn van ‘een of meer gedragingen van de dader […] die erop duiden dat door hem welbewust onaanvaardbare risico’s zijn genomen’, van ‘bewustheid van het risico van ernstige gevolgen, waarbij op zeer lichtzinnige wijze ervan wordt uitgegaan dat deze risico’s zich niet zullen realiseren’. De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte welbewust onaanvaardbare risico’s heeft genomen en deze risico’s zeer lichtzinnig uitgesloten heeft geacht. Uit verklaringen van de verdachte en de getuigen blijkt daar niet van en de rechtbank kan het evenmin afleiden uit het verkeersgedrag onder de hiervoor vastgestelde omstandigheden zelf. De rechtbank is anders dan de verdediging van oordeel dat de gedragingen van verdachte onder de hiervoor omschreven omstandigheden zo ernstig zijn dat zij de kwalificatie ‘in aanzienlijke mate onachtzaam en onnadenkend‘ verdienen, hetgeen wordt aangemerkt als een vorm van schuld zoals bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank betrekt hierbij de bovengenoemde verklaring van [slachtoffer 2], waaruit blijkt dat zij de situatie zag en dit nog aan haar man mededeelde. Hieruit concludeert de rechtbank dat er nog een zodanige afstand tussen de bedrijfsauto van verdachte en de auto van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] was, dat verdachte gezien moet hebben dat hij op de verkeerde weghelft reed. Verder heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij “opkeek” en pas toen de auto van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zag. Naar het oordeel van de rechtbank kan het gelet op vorenstaande daarom niet anders zijn dan dat verdachte niet bij voortduring op de weg heeft gekeken. Daarmee acht zij het primair ten laste gelegde feit bewezen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

(primair)

op 31 juli 2012, te Made, gemeente Drimmelen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto, Iveco),

daarmede rijdende over de weg, de Kanaalweg-West, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door in aanzienlijke mate onachtzaam en onnadenkend,

met dat motorrijtuig rijdend en gekomen ter hoogte van een, in die weg gelegen, gezien zijn, verdachte's, rijrichting, "naar rechts", verlopende (flauwe) bocht, niet het verloop van die, in die weg gelegen, "naar rechts" verlopende (flauwe) bocht te volgen en te blijven volgen en niet de macht/controle over het stuur van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig te blijven behouden,

doch met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig, op de weghelft van die weg, bestemd voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer is gaan en/of is blijven rijden, op het moment dat de bestuurder van een, hem, verdachte, over die weg tegemoetrijdend motorrijtuig (bedrijfsauto, Fiat) hem, verdachte, tot op (zeer) korte afstand was genaderd,

(mede) tengevolge waarvan hij, verdachte, met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, Iveco), op die weghelft van die weg, bestemd voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer (nagenoeg frontaal), in botsing/aanrijding is gekomen met dat hem, verdachte, tegemoetkomende motorrijtuig (bedrijfsauto, Fiat),

waardoor de bestuurder (genaamd: [slachtoffer 1]) van het motorrijtuig (bedrijfsauto, Fiat) werd gedood en/of waardoor de inzittende (genaamd: [slachtoffer 2]) van het motorrijtuig (bedrijfsauto, Fiat), zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, te weten: een breuk van het (rechter) sleutelbeen en een verbrijzelde (linker) enkel.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een werkstraf van 240 uren en een rijontzegging van 2 jaren. Bij de bepaling van de eis heeft zij rekening gehouden met de trieste gevolgen van het verkeersongeval en met het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat hij niet eerder voor het overtreden van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld is.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank bij de bepaling van de straf rekening te houden met de impact die het ongeval ook op verdachte heeft gehad. Daarom kan volstaan worden met het opleggen van een geldboete.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft een bedrijfsauto bestuurd waarmee hij een verkeersongeval heeft veroorzaakt, tengevolge waarvan [slachtoffer 1] is overleden en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dat de gevolgen voor de nabestaanden van het slachtoffer enorm en ingrijpend zijn, behoeft geen nadere uitleg. Verdachte heeft ter terechtzitting blijk gegeven van spijt en oprecht medeleven. Hij heeft zich ter zitting tot de aanwezige nabestaanden gewend om te laten weten het vreselijk te vinden hetgeen heeft plaatsgevonden en dat hij dit ook niet had gewild.

Hoewel verdachte reeds is gestraft door het feit dat - naast de nabestaanden van het slachtoffer- ook hij zal moeten leven met de gedachte aan het leed dat is veroorzaakt, dient aan verdachte een straf te worden opgelegd. Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede - in de tweede plaats - op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Bij de strafoplegging zal de rechtbank rekening houden met de zeer ernstige gevolgen die het feit heeft gehad en met het leed dat aan de familie van het slachtoffer is aangedaan.

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank ook rekening gehouden met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld wegens het overtreden van de Wegenverkeerswet 1994. In het nadeel van verdachte houdt zij rekening met het feit dat verdachte enkele weken voor het bewezenverklaarde wegens vermoeidheid met zijn bedrijfsauto een vangrail op de snelweg heeft geraakt.

De rechtbank houdt er verder in het voordeel van verdachte rekening mee dat hij tijdens het onderzoek ter zitting blijk gegeven heeft van besef van de ernst van wat hij teweeggebracht heeft, zijn schuld daaraan en zijn verantwoordelijkheid voor wat hij de nabestaanden van het slachtoffer heeft aangedaan.

Ten slotte heeft zij bij de strafbepaling tevens aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door deze rechtbank in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een werkstraf van 180 uren opgelegd dient te worden. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het belang van de algemene verkeersveiligheid er mee is gediend dat verdachte gedurende een langere periode niet meer als bestuurder van een motorrijtuig aan het verkeer kan deelnemen. Het belang van de verkeersveiligheid dient daarbij te prevaleren boven het persoonlijk belang van verdachte bij het hebben van een rijbewijs. De rechtbank zal verdachte daarom als bijkomende straf een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de duur van 2 jaren met aftrek van de tijd dat het rijbewijs van verdachte ingevorderd of ingehouden is geweest. Een deel daarvan, te weten 1 jaar, zal de rechtbank voorwaardelijk met een proeftijd van

3 jaren opleggen in de hoop dat deze voorwaardelijke straf er in de toekomst voor zal zorgen dat verdachte op een voorzichtige en alerte manier aan het verkeer zal deelnemen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175, 178, 179 en 188 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

(primair): Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een

ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een

ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen;

Bijkomende straf

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 2 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar;

- bepaalt dat de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd in mindering wordt gebracht op het onvoorwaardelijke deel van de rijontzegging;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. Volkers, voorzitter, mr. Kooijman en mr. Van Gessel, rechters, in tegenwoordigheid van Vermaat, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 8 mei 2013.

Mr. Van Gessel is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

hij, op of omstreeks 31 juli 2012, te Made, gemeente Drimmelen, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto,

Iveco),

daarmede rijdende over de weg, de Kanaalweg-West, zich zodanig heeft gedragen

dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door

roekeloos, in elk geval in hoge, althans aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of

onachtzaam en/of onnadenkend en/of ondeskundig,

met dat motorrijtuig rijdend en gekomen ter hoogte van een, in die weg

gelegen, gezien zijn, verdachte's, rijrichting, "naar rechts", verlopende

(flauwe) bocht,

niet het verloop van die, in die weg gelegen, "naar rechts" verlopende

(flauwe) bocht te volgen, althans niet het verloop van de rijbaan van die weg

bij voortduring te gaan en/of te blijven volgen

en/of

niet, althans niet bij voortduring, de macht/controle over het stuur van dat

door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig te blijven behouden,

doch met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig, op de weghelft van

die weg, bestemd voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer is gaan

en/of is blijven rijden, op het moment dat de bestuurder van een, hem,

verdachte, over die weg tegemoetrijdend motorrijtuig (bedrijfsauto, Fiat) hem,

verdachte, tot op (zeer) korte afstand was genaderd,

(mede) tengevolge waarvan hij, verdachte, met dat door hem, verdachte,

bestuurde motorrijtuig (bedrijfsauto, Iveco), op die weghelft van die weg,

bestemd voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer (nagenoeg frontaal),

in botsing/aanrijding is gekomen met dat hem, verdachte, tegemoetkomende

motorrijtuig (bedrijfsauto, Fiat),

waardoor de bestuurder (genaamd: [slachtoffer 1]) van het motorrijtuig

(bedrijfsauto, Fiat) werd gedood en/of waardoor de inzittende (genaamd:

[slachtoffer 2]) van het motorrijtuig (bedrijfsauto, Fiat), zwaar

lichamelijk letsel, of zodanig letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke

ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is

ontstaan, te weten: een breuk van het (rechter) sleutelbeen en/of een

verbrijzelde (linker) enkel,

zijnde de terminologie in deze tenlastelegging, voor zover daaraan betekenis

is gegeven, gebezigd in de zin van de Wegenverkeerswet 1994;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 31 juli 2012, te Made, gemeente Drimmelen, als bestuurder

van een motorrijtuig (bedrijfsauto, Iveco), daarmede rijdende op de weg, de

Kanaalweg-West en gekomen ter hoogte van een, in die weg gelegen, gezien zijn,

verdachte's, rijrichting, "naar rechts" verlopende (flauwe) bocht,

niet het verloop van die, in die weg gelegen, "naar rechts" verlopende

(flauwe) bocht heeft gevolgd, althans niet het verloop van de rijbaan van die

weg bij voortduring heeft gevolgd en/of niet, althans niet bij voortduring, de

macht/controle over het stuur van dat door hem, verdachte, bestuurde

motorrijtuig heeft gehouden,

doch met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig, op de weghelft van

die weg, bestemd voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer is gaan

en/of is blijven rijden, op het moment dat de bestuurder van een, hem,

verdachte, over die weg tegemoetrijdend motorrijtuig (bedrijfsauto, Fiat) hem,

verdachte, tot op (zeer) korte afstand was genaderd,

waarna hij, verdachte (vervolgens) met dat door hem, verdachte, bestuurde

motorrijtuig, op die weghelft van die weg, bestemd voor het hem, verdachte,

tegemoetkomende verkeer, (nagenoeg frontaal) in botsing/aanrijding is gekomen

met dat hem, verdachte, tegemoetkomende motorrijtuig (bedrijfsauto, Fiat),

waarbij de bestuurder (genaamd: [slachtoffer 1]) van het motorrijtuig

(bedrijfsauto, Fiat) werd gedood en/of waarbij de inzittende (genaamd:

[slachtoffer 2])n, van het motorrijtuig (bedrijfsauto, Fiat)

letselheeft bekomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 31 juli 2012, te Made, gemeente Drimmelen, als bestuurder

van een motorvoertuig (bedrijfsauto, Iveco), daarmede rijdende op de voor het

openbaar verkeer openstaande weg, de Kanaalweg-West, niet zoveel mogelijk

rechts heeft gehouden, doch in botsing/aanrijding is gekomen met een hem,

verdachte, over die weg tegemoetrijdend motorvoertuig (bedrijfsauto, Fiat),

waarbij een persoon werd gedood en/of waarbij letsel aan een persoon werd

toegebracht en/of schade aan goederen is ontstaan;

art 3 lid 1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990