Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ9252

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
02-05-2013
Zaaknummer
12/688036-13
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2013:3252, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Minderjarigenstrafrecht. Artikel 6 Wegenverkeerswet. 15-jarige bestuurder van landbouwtrekker met aanhangwagen. Verhoogde zorgplicht ten aanzien van andere weggebruikers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 12/688036-13

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 april 2013

in de strafzaak tegen de minderjarige

[VERDACHTE],

geboren op [datum] 1996 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats, adres],

ter zitting verschenen,

raadsman mr. Sol, advocaat te Terneuzen,

ter zitting aanwezig.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting met gesloten deuren van 10 april 2013, waarbij de officier van justitie mr. Van der Hofstede en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is na mondelinge wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 27 juni 2012, te Hoek, gemeente Terneuzen, als

verkeersdeelnemer, namelijk:

als bestuurder van een motorrijtuig (landbouwtrekker, met daarachter gekoppeld

een aanhangwagen (giertank), waarop een vaste, zogeheten, cultivator, was

gemonteerd, welke cultivator toen daar, aan beide zijden, ongeveer 32

centimeter buiten de wielen van de aanhangwagen, uitstak, waardoor de

cultivator toen daar een totale breedte had van ongeveer 2,85 meter en welke

cultivator toen daar, een of meerdere, uitstekende de(e)l(en), waaronder een

(metalen) steunwiel, bevatte),

met dat motorrijtuig rijdende over de rijbaan van de weg, de Seydlitzweg,

welke rijbaan toen daar een breedte had van ongeveer 3,25 meter en naderend

een, in dezelfde richting als hij, verdachte, eveneens over de rijbaan van die

weg rijdende, bestuurder van een fiets,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval in hoge, althans

aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of onnadenkend en/of

ondeskundig,

op het moment dat hij, verdachte, rijdende met dat motorrijtuig, genoemde

fietser tot op (zeer) korte afstand was genaderd en voornemens was genoemde

fietser (vervolgens) te passeren (waarbij genoemde fietser slechts 0,65 meter

wegbreedte tot zijn beschikking zou hebben),

niet, althans niet tijdig en/of voldoende, gezien zijn, verdachte's,

rijrichting, "naar links" uit te wijken

en/of

niet, althans niet voldoende, maatregelen te nemen, toen hij, verdachte,

daartoe genoodzaakt was, teneinde die fietser veilig te passeren en/of een

botsing/aanrijding met die fietser te voorkomen,

(mede) tengevolge waarvan, die fietser (tijdens het passeren) (in de onderrug)

werd geraakt door voormeld steunwiel (van voormelde cultivator),

waarna voormelde fietser (vervolgens) ten val is gekomen,

waardoor de bestuurder (genaamd [slachtoffer]) van genoemde fiets, werd

gedood,

zijnde de terminologie in deze tenlastelegging, voor zover daaraan betekenis

is gegeven, gebezigd in de zin van de Wegenverkeerswet 1994;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

dat hij, op of omstreeks 27 juni 2012, te Hoek, gemeente Terneuzen, op de weg,

de Seydlitzweg, als bestuurder van een motorrijtuig (landbouwtrekker, waarmede

een aanhangwagen (giertank), werd voortbewogen, op welke aanhangwagen een

vaste, zogeheten, cultivator, was gemonteerd), daarmede rijdende en naderend

een, in dezelfde richting als hij, verdachte, eveneens over die weg rijdende

bestuurder van een fiets,

(op het moment dat hij, verdachte, voornemens was genoemde fietser te

passeren), met dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig, niet

behoorlijk en/of niet voldoende is uitgeweken, althans niet voldoende

maatregelen heeft genomen, toen hij, verdachte, daartoe genoodzaakt was,

teneinde een aanrijding/botsing te voorkomen met die, zich voor zijn,

verdachte's, motorrijtuig eveneens op die weg bevindende bestuurder van die

fiets,

waarna (vervolgens) (een of meerdere uitstekende de(e)l(en) van) dat, door

hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig, tegen (de onderrug van) voormelde

fietser is of zijn gekomen, waarbij die fietser (genaamd: [slachtoffer])

(vervolgens) ten val is gekomen,

door welke gedraging(en) van hem, verdachte, gevaar op die weg werd

veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg werd

gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

meer subsidiair, althans, indien het subsidiair tenlastegelegde niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden dat:

hij, op of omstreeks 27 juni 2012, te Hoek, gemeente Terneuzen, als bestuurder

van een motorvoertuig (landbouwtrekker, waarmede een aanhangwagen (giertank)

werd voortbewogen), rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg,

de Seydlitzweg, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was

om zijn motorvoertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij

de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is het door hem

verdachte, bestuurde motorvoertuig (althans een of meerdere de(e)l(en) van

genoemde aanhangwagen), tegen (de onderrug van) een zich vóór zijn,

verdachte's, motorvoertuig, eveneens op die weg bevindende bestuurder

(genaamd: [slachtoffer]) van een fiets gekomen, waarna die bestuurder van

die fiets ten val is gekomen;

art 19 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.

De verdachte is daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht te bewijzen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten: het aan zijn schuld, door een aanrijding, veroorzaken van de dood van een persoon.

De officier van justitie komt tot dit standpunt onder verwijzing naar een volgens hem vergelijkbare casus, die is beoordeeld door de rechtbank Groningen in haar vonnis van 30 maart 2009 (LJN BH9047). Bedoelde casus ziet op het veroorzaken van een ongeval met dodelijke afloop door een zeer ervaren en ter plaatse zeer goed bekende beroepschauffeur als bestuurder van een zware landbouwtrekker met aanhangwagen. Die bestuurder had met zijn tractorcombinatie tijdens het passeren van een fietser een snelheid ontwikkeld die door andere verkeersdeelnemers als hoog werd beleefd en had daarbij de fietser slechts 85 centimeter ruimte op de weg gelaten. Deze inhaalmanoeuvre is door de rechtbank Groningen beoordeeld als zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag van de chauffeur, in aanmerking genomen dat voor hem vanwege zijn ervaring en bekendheid ter plaatse een verhoogde zorgplicht gold.

In de onderhavige strafzaak tegen verdachte is niet vastgesteld met welke snelheid verdachte tijdens het passeren van de fietser heeft gereden. Al aangenomen dat hij daar toen met een geringe snelheid reed (hij was volgens zijn verklaring vlak daarvoor teruggeschakeld van de derde naar de tweede versnelling) kan op grond van het verkeersongevallenonderzoek worden geconcludeerd dat hij de fietser slechts 65 centimeter ruimte op de weg heeft gelaten, mede omdat hij tijdens het passeren niet door de voor hem linker berm van de weg is gereden. Hoewel verdachte verklaart dat hij wel met de linker wielen door de berm is gereden, is er geen reden om te twijfelen aan de conclusies van de betrokken verbalisanten. Het inhalen van een fietser met een zo geringe ruimte is onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag.

Het is een feit van algemene bekendheid dat voertuigen niet in een kaarsrechte lijn over een weg rijden. Voor de bestuurders van voertuigen moet ruimte zijn voor zijdelingse bewegingen tijdens het rijden (de zogenoemde “vetergang”). Een fiets mag 75 centimeter breed zijn. De vetergang voor een fietser is gesteld op 25 centimeter. Daarom is de maximale effectieve breedte (profiel van vrije ruimte) van een fietser gesteld op 100 centimeter.

Daar komt bij dat verdachte ten tijde van het ongeval nog geen twee weken in het bezit van een trekkerrijbewijs was. Hoewel verdachte al wel ervaring had om op een landbouwtrekker met aanhanger op het land of het erf van zijn ouders te rijden, had hij nog maar weinig ervaring om zich in het verkeer op de openbare weg met een dergelijke voertuigcombinatie te bewegen. Tevens kan aangenomen worden dat hij zijn kennis over de afmetingen van de voertuigcombinatie nog onvoldoende had ontwikkeld en dat hij daardoor geen juiste inschatting heeft gemaakt van de ruimte die de voertuigcombinatie nodig had om de fietser op een veilige manier te passeren.

Deze omstandigheden leiden tot de conclusie dat het ongeval aan de schuld van verdachte te wijten is, en wel door een combinatie van zijn geringe ervaring in het verkeer en zijn nog onvoldoende ontwikkeld inschattingsvermogen over de afmetingen van zijn voertuig. Hierdoor heeft verdachte zijn snelheid niet zodanig aangepast dat hij op een veilige manier de fietser kon passeren.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat het tenlastegelegde niet bewezen kan worden.

Volgens de raadsman geldt voor het primair en subsidiair tenlastegelegde dat uit het onderzoek niet is komen vast te staan dat verdachte onvoldoende is uitgeweken. Verdachte stelt dat hij tijdens het passeren van de fietser door de berm is gereden Aan de door verbalisanten gemaakte reconstructie kan geen bewijswaarde worden toegekend, omdat deze zonder medeweten en medewerking van verdachte heeft plaatsgevonden. Die reconstructie gaat uit van een aantal aannames. Niet is vastgesteld waar verdachte de fietser exact passeerde, of verdachte gedeeltelijk nog op het (ten opzichte van de berm wat verhoogde) asfalt van de rijbaan reed en in welke mate het gras in de berm zich weer oprichtte. Ook is niet berekend hoe de bandbreedte van de aanhangwagen zich verhoudt tot de asfaltgrens in de berm. Evenmin is rekening gehouden met een eventuele stuurfout van de fietser.

Verder blijkt niet van een oorzakelijk verband tussen het ongeval en de dood van het slachtoffer. Een medisch-forensisch rapport, dat ontbreekt, zou daarover duidelijkheid kunnen verschaffen, maar zelfs indien dit verband (alsnog) zou worden vastgesteld is nog onvoldoende duidelijk of er een verband bestaat tussen de verwonding van het slachtoffer en diens overlijden.

De meer subsidiair tenlastegelegde overtreding van artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 is niet van toepassing op de onderhavige situatie, omdat genoemde bepaling uitsluitend ziet op het onvoldoende afstand houden van een zich vóór een bestuurder (op de weg) bevindende andere verkeersdeelnemer en niet op het onvoldoende ruimte laten aan een zich naast de bestuurder bevindende verkeersdeelnemer.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Inleiding

Op 27 juni 2012, omstreeks 14.18 uur, vindt op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Seydlitzweg te Hoek, gemeente Terneuzen, een aanrijding plaats tussen een landbouwtrekker met aangekoppelde aanhangwagen (gierkar) met een daaraan gemonteerde cultivator en een fiets . Ter plaatse, omstreeks 14.33 uur, treffen verbalisanten de verdachte aan. Verdachte deelt mee de bestuurder van de landbouwtrekker te zijn. Ook treffen verbalisanten de gewonde bestuurder van de fiets aan, liggend op het wegdek, zijnde de dan 78-jarige [slachtoffer] . Het slachtoffer wordt overgebracht naar het Erasmus Medisch Centrum Rotterdam, waar hij in de nacht van 27 op 28 juni 2012 overlijdt .

4.3.2 De feitelijke omstandigheden

- Er zijn geen getuigen van het ongeval.

- Verdachte verklaart dat hij de bestuurder van de fiets, die vóór hem in dezelfde richting aan de rechterzijde van de weg reed, aan de linkerzijde is gepasseerd. Kort daarna keek hij in zijn spiegels en zag hij de fietser op het wegdek liggen.

Verdachte was op de bewuste dag vanaf 08.00 uur bezig met het uitrijden van gier. Aan de landbouwtrekker was een aanhangwagen gekoppeld met daarop een giertank en een daaraan bevestigde triltand om de gier onder te werken. Hij haalde de gier op uit een silo op het bedrijf van zijn ouders en werkte deze onder op het nabij gelegen land. De route van het bedrijf naar het land via de Seydlitzweg had hij, voordat het ongeval plaatsvond, op die dag al zo’n twaalf keer gereden. Verdachte was sinds 16 juni 2012 in het bezit van een trekkerrijbewijs. Vanaf die dag reed hij voor het eerst met de trekker over de openbare weg. Daarvoor reed hij al wel op een trekker, maar dan alleen op het land of op het erf van het bedrijf van zijn ouders.

Verdachte verklaart dat hij de betrokken fietser voorrang had gegeven bij een T-splitsing en dat hij vervolgens in dezelfde richting als de fietser over de Seydlitzweg reed. Bij het naderen van de fietser reed hij in de derde versnelling en, na een heuveltje in de weg, schakelde hij terug naar de tweede versnelling (van de in totaal zes versnellingen van de trekker) en remde hij iets bij om de fietser te gaan passeren. De fietser reed op dat moment aan de rechterkant van de rijbaan. Tijdens het passeren reed hij in de tweede versnelling met een door hem bij de politie respectievelijk ter zitting geschatte snelheid van 20 km/uur respectievelijk 15 km/uur. Hij heeft niets van een aanrijding gemerkt. De twee rempedalen van de trekker waren niet aan elkaar gekoppeld. Hij weet dat de rempedalen bij het rijden over de weg aan elkaar gekoppeld moeten zijn, maar hij was dit vergeten te doen. Volgens verdachte is hij tijdens het passeren van de fietser met de linker banden van de voertuigcombinatie door de voor hem linker berm van de weg gereden .

Over het onderzoek naar de toedracht van het ongeval, op 27 juni 2012 omstreeks 16.00 uur, relateren verbalisanten het volgende over hun waarnemingen en bevindingen:

- De Seydlitzweg is gelegen buiten de bebouwde kom van Hoek. Het is een zogenoemde erftoegangsweg type II (voor lagere intensiteiten en niet voorzien van markering) bestaande uit één rijbaan bestemd voor verkeer in beide richtingen. Het wegdek is verhard en bestaat uit bitumen met dichte structuur. Ten tijde van het onderzoek waren er ter plaatse geen afwijkende verkeersmaatregelen van kracht en was het wegdek droog. Er zijn geen aanwijzigen aangetroffen dat dit ten tijde van de aanrijding anders was. De maximum snelheid voor de landbouwtrekker met aanhangwagen was 25km/uur ;

- Op het wegdek werden geen relevante rem/blokkeersporen van enig voertuig aangetroffen ;

- Het profiel van de Seydlitzweg, gezien in de rijrichting van de verdachte en het slachtoffer, zag er van links naar rechts als volgt uit:

* een dijklichaam, met aangrenzend een berm, met daarin een afrastering (afstand afrastering tot rijbaan: 1.35 meter);

* rijbaan (breedte: 3.25 meter);

* grasberm met aangrenzend een sloot ;

- De breedtes van de voertuigcombinatie waarmee verdachte reed waren:

* de landbouwtrekker: 1.85 meter;

* de aanhangwagen (gierkar): 2:10 meter;

* de cultivator, inclusief steunwielen: 2:85 meter. De cultivator stak aan beide zijden 0,32 meter buiten de wielen van de aanhangwagen (gierkar) ;

- In de positie dat de linkerzijde van de cultivator tegen de afrastering in de linker berm werd gebracht, bleef er op de rechterzijde van het wegdek, gemeten vanaf de uiterst rechter zijde van de cultivator tot aan de rechterberm van de weg een vrije ruimte over van circa 1,5 meter. Bij het meten van die afstand in de positie dat de linker banden van de gierkar aan de uiterst linkerzijde van het wegdek tegen het aanwezige hooi werden gebracht, bleef die vrije ruimte beperkt tot ongeveer 0,65 meter ;

- In de eerstgenoemde situatie werd het hooi in de linkerberm platgereden, in de andere situatie niet. Ter hoogte van de plaats waar bloedsporen op het wegdek aanwezig waren, was het aanwezige hooi in de linkerberm niet platgereden ;

- Op het rechter steunwiel van de cultivator, gezien in de rijrichting van de verdachte en het slachtoffer, waren recente veegsporen aanwezig. Het stuur van de fiets van het slachtoffer was enigszins ontzet en het linker handvat van het stuur vertoonde recente veegsporen en een beschadiging ;

- Op de plaats van het ongeval is een botspositie tussen het rechter steunwiel van de cultivator en de fiets gereconstrueerd. De afstand van het wegdek tot de onderzijde van het rechter steunwiel bedroeg 0,80 meter. Dit steunwiel bevond zich op ongeveer dezelfde hoogte als het zadel van de fiets. Het zichtbare letsel van het slachtoffer aan de linkerzijde van diens rug was passend met een confrontatie met het stuurwiel ;

- Volgens de leer van de verkeerskunde is de breedte van een rijstrook afhankelijk van een aantal factoren. Er moet onder andere ruimte zijn voor zijdelingse bewegingen tijdens het rijden. Voertuigen rijden niet in een kaarsrechte lijn over een weg. Deze beweging wordt de “vetergang” genoemd. Een fiets (op twee wielen) mag volgens de Regeling Voertuigen maximaal 0,75 meter breed zijn. Volgens het Handboek Wegontwerp-Erftoegangswegen wordt de vetergang voor een fietser gesteld op 2 x 12,5 cm = 0,25 meter. Daarmee is de maximale effectieve breedte (profiel van vrije ruimte) van een fietser 1 meter. Behalve met de vetergang moet voor bestuurders in het algemeen ook rekening gehouden worden met obstakel- en bermvrees. Een bestuurder zal uitwijken voor obstakels. Fietsers houden een zogenaamde schuwafstand tot randen en objecten in acht. De minimale schuwafstand bedraagt 0,25 meter. Om veilig te kunnen fietsen is er voor iedere fietser een (effectieve) breedte van 1 meter nodig .

- Verbalisanten concluderen dat uit het omgevingsonderzoek niet is gebleken dat de wegsituatie, weginrichting en/of wegligging de oorzaak zou zijn geweest van het ongeval en dat uit het voertuigonderzoek niet is gebleken dat de oorzaak van het ongeval was te wijten aan een technisch gebrek of inrichting van de bij het ongeval betrokken voertuigen. Zij stellen als oorzaak van het ongeval vast dat de verdachte, als bestuurder van de landbouwtrekker, niet zover is uitgeweken dat het hooi in de voor hem linkerberm werd platgereden .

4.3.3 Bewijsredenering

4.3.3.1 De deugdelijkheid van het verkeersongevallenonderzoek

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het relaas van eigen waarnemingen en bevindingen van de verbalisanten over de door hen vastgestelde feiten bruikbaar is voor het bewijs van het tenlastegelegde, voor zover deze betrekking hebben op de objectieve en op grond van foto’s controleerbare gegevens over de afmetingen en constructies van de voertuigen en de situatie ter plaatse. Dit geldt ook voor hun waarneming, ongeveer twee uur na het ongeval, inhoudende dat het hooi/gras in de voor verdachte linker berm van de weg niet was platgereden. Een vaststelling van feiten is immers geen reconstructie. Dat het onderzoek niet met medeweten en medewerking van verdachte heeft plaatsgevonden doet aan de bewijswaarde van de feitenvaststelling niet af.

4.3.3.2 Schuld

Voor de rechtbank staat op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen genoemd onder de inleiding en de feitelijke omstandigheden voldoende vast dat het ongeval niet is ontstaan door een voertuigtechnisch mankement of door omgevingsfactoren. De rechtbank zal dan ook dienen te beoordelen of een menselijke fout van verdachte als oorzaak van het ongeval is te bewijzen en zo ja, of en in welke mate sprake is van “schuld” in de zin van artikel 6 van de WVW 1994.

Met betrekking tot de mate van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW 1994 dient vooropgesteld te worden dat het moet gaan om een minstens aanmerkelijke onvoorzichtigheid die de verdachte moet kunnen worden verweten. Volgens vaste rechtspraak komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden opgemerkt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van de verkeersfout de schuld in de zin van dit artikel kan worden afgeleid.

Uit de bovengenoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte door de breedte van de voertuigcombinatie met de uitstekende delen van de cultivator (op zijn breedst 2.85 meter) ten opzichte van de breedte weg (3.25 meter) beperkt was in de mogelijkheid om de voor hem op de weg bevindende verkeersdeelnemers op een veilige manier te passeren. Om een fietser tijdens het passeren voldoende ruimte aan de rechterkant van de weg te geven moest verdachte de linker berm van de weg benutten en daarbij eveneens rekening houden met de daarin (op een afstand van 1,35 meter tot de linker wegrand) geplaatste afrastering. Verdachte heeft die verkeersmanoeuvre gemaakt waarbij de naast zijn voertuig bevindende fietser in de rug is geraakt door het rechter steunwiel van de cultivator. Bij het onderzoek is niet gebleken dat het hooi/gedroogd gras in de linker berm was platgereden. Op grond van deze vaststelling concludeert de rechtbank dat verdachte tijdens de passeermanoeuvre met de linker wielen van de aanhangwagen (gierkar) niet, althans niet geheel, door de linker berm is gereden, waardoor de rechts van de aanhangwagen (gierkar) rijdende fietser op dat moment maar een beperkte vrije ruimte op de weg had. Het onvoldoende naar links uitwijken is een verkeersfout die aan verdachte is toe te rekenen.

Als bepalend extra element voor het bewijs van schuld van verdachte aan het ongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 ziet de rechtbank de omstandigheid dat verdachte, als ongeoefend bestuurder in het verkeer op de openbare weg (hij was nog geen twee weken bevoegd om met een trekker op de openbare weg te rijden), nog onvoldoende verkeersinzicht had om met de imposante voertuigcombinatie op de smalle weg de bedoelde passeermanoeuvre te maken. Er gold voor hem dan ook een verhoogde zorgplicht ten aanzien van andere weggebruikers. Onder deze omstandigheden kwalificeert de rechtbank deze manoeuvre als aanzienlijk onvoorzichtig en ondeskundig rijgedrag. Aan de schuld van verdachte doet in beginsel niet af of het slachtoffer medeschuld zou kunnen hebben gehad aan het ontstaan van de aanrijding. Het is immers de zelfstandige fout van de verdachte die heeft geleid tot het ongeval.

4.3.3.3 Causaal verband ongeval en overlijden slachtoffer

De beantwoording van de vraag of er causaal verband bestaat tussen het door verdachte veroorzaakte ongeval en de dood van het slachtoffer dient te geschieden aan de hand van de maatstaf of die dood redelijkerwijs als gevolg van het ongeval aan de verdachte kan worden toegerekend. Daarbij staat een hoogst onwaarschijnlijke mogelijkheid van een alternatieve gang van zaken niet aan vaststelling van het causaal verband in de weg (HR 13 juni 2006, NJ 2007, 48).

Voor de rechtbank staat op grond van het geconstateerde letsel van het slachtoffer en het veegspoor op het steunwiel van de cultivator voldoende vast dat het slachtoffer door dit wiel in de rug is geraakt en dat hij ten gevolge daarvan ten val is gekomen. Verbalisant De Hond heeft telefonisch contact gehad met de forensisch arts Berisha van het Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam, welke arts de lijkschouw heeft verricht. Uit de mond van deze arts is opgetekend dat het letsel op de rug van het slachtoffer passend was bij een confrontatie van het cultivatorwiel met de rug van het slachtoffer . Hiermee staat voor de rechtbank ook voldoende vast dat de dood van het slachtoffer redelijkerwijs als gevolg van het door verdachte veroorzaakte ongeval, aan de verdachte kan worden toegerekend. De rechtbank ziet geen noodzaak om het onderzoek te heropenen om hierover nadere gegevens op te vragen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij, op 27 juni 2012, te Hoek, gemeente Terneuzen, als verkeersdeelnemer, namelijk:

als bestuurder van een motorrijtuig (landbouwtrekker, met daarachter gekoppeld

een aanhangwagen (giertank), waarop een vaste, zogeheten, cultivator, was

gemonteerd, welke cultivator toen daar, aan beide zijden, ongeveer 32 centimeter buiten de wielen van de aanhangwagen, uitstak, waardoor de cultivator toen daar een totale breedte had van 2,85 meter en welke cultivator toen daar, meerdere, uitstekende delen, waaronder

(metalen) steunwiel, bevatte, met dat motorrijtuig rijdende over de rijbaan van de weg, de Seydlitzweg, welke rijbaan toen daar een breedte had van 3,25 meter en naderend

een, in dezelfde richting als hij, verdachte, eveneens over de rijbaan van die

weg rijdende, bestuurder van een fiets, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door in aanzienlijke mate onvoorzichtig en

ondeskundig, op het moment dat hij, verdachte, rijdende met dat motorrijtuig, genoemde

fietser tot op (zeer) korte afstand was genaderd en voornemens was genoemde fietser (vervolgens) te passeren (waarbij genoemde fietser slechts 0,65 meter wegbreedte tot zijn beschikking zou hebben), niet, voldoende, gezien zijn, verdachte's, rijrichting, "naar links" uit te wijken en niet voldoende, maatregelen te nemen, toen hij, verdachte, daartoe genoodzaakt was, teneinde die fietser veilig te passeren en een botsing/aanrijding met die fietser te voorkomen, tengevolge waarvan, die fietser tijdens het passeren in de onderrug werd geraakt door voormeld steunwiel van voormelde cultivator, waarna voormelde fietser ten val is gekomen, waardoor de bestuurder (genaamd [slachtoffer]) van genoemde fiets, werd gedood.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van wat hij bewezen acht, gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke werkstraf voor de duur van dertig (30) uur bij niet verrichten te vervangen door vijftien (15) dagen jeugddetentie en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (verder: OBM) voor de tijd van één jaar, met een proeftijd van twee jaar. Hij heeft deze strafeis als volgt gemotiveerd.

De straftoemetingsrichtlijnen ter zake van dood door schuld in het verkeer zien specifiek op het meerderjarigenstrafrecht. Voor het bepalen van een strafeis voor deze jeugdige verdachte zal daarom mede acht geslagen moeten worden op het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) naar de omstandigheden van het delict en naar de achtergronden van verdachte. In de ogen van de Raad zal het opleggen van een onvoorwaardelijke (werk-)straf aan deze jeugdige verdachte geen pedagogische meerwaarde hebben, gezien het feit dat hij goed functioneert op de diverse leefgebieden, een first offender is en de kans op recidive nihil is. De officier van justitie is echter van oordeel dat bij veroordeling wegens de te bewijzen aanmerkelijke verkeersfout de aan verdachte op te leggen straf niet alleen een pedagogisch doel dient, maar dat deze eveneens moet zien op bestraffing. Daarom wordt het advies van de Raad tot oplegging van een geheel voorwaardelijke straf niet gevolgd en acht de officier van justitie, gelet op de ernst van het te bewijzen feit en de gevolgen daarvan, een onvoorwaardelijke werkstraf passend en geboden.

De keuze voor een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid is gegrond op het feit dat verdachte voor zijn opleiding/school stage loopt op een bedrijf waarbij hij afhankelijk is van het trekkerrijbewijs. De keuze voor de duur van de proeftijd van twee jaar is gebaseerd op de omstandigheden dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde nog als onvoldoende ervaren bestuurder kon worden gekwalificeerd, dat hij inmiddels bijna een jaar ouder en wellicht al zekerder is in het verkeer, maar dat hij pas toekomt aan het behalen van het rijbewijs B als hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en alsdan voldoende onderricht zal hebben gehad als bestuurder in het verkeer.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de beantwoording van de vraag welke (bijkomende) straf(-fen) aan verdachte moet(en) worden opgelegd heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder het is begaan, en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat ten gevolge van het door verdachte begane handelen een ongeval heeft plaatsgevonden als gevolg waarvan het slachtoffer is komen te overlijden;

- de omstandigheid dat verdachte door het bewezenverklaarde de verkeersveiligheid in gevaar heeft gebracht, waarbij zijn onervarenheid in het verkeer als 16-jarige bestuurder van een imposante voertuigcombinatie een rol heeft gespeeld.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 19 maart 2013, waaruit blijkt dat hij niet eerder wegens strafbare feiten met de politie en justitie in aanraking is gekomen;

- de inhoud van het over verdachte uitgebrachte rapport van de Raad d.d. 21 februari 2013;

- de omstandigheid dat verdachte, ondanks zijn jeugdige leeftijd adequaat heeft gereageerd in zijn poging het slachtoffer te redden en – samen met zijn ouders – contact heeft gezocht met de nabestaanden, en

- de omstandigheid dat de verdachte verder moet leven met het besef dat door zijn verkeersfout iemand om het leven is gekomen.

De rechtbank acht de door de officier van justitie geëiste onvoorwaardelijke werkstraf in combinatie met een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid passend en geboden. Met oplegging van de voorwaardelijke bijkomende straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77r, 77x, 77y en 77z van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Primair: Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het

een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van dertig (30) uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van vijftien (15) dagen;

Bijkomende straf

- ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 (één) jaar, geheel voorwaardelijk,

- bepaalt dat de voorwaardelijke rijontzegging niet ten uitvoer worden gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (twee) jaar schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. Nomes, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. Kuypers en

mr. Dijkman, kinderrechters, in tegenwoordigheid van Francke, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 24 april 2013.