Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ9126

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
01-05-2013
Zaaknummer
768990 vv 13-49
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

werknemer is met nekklachten uitgevallen. volgens bedrijfsarts is deze voor 2 tot 3 uur per dag belastbaar. werkgever krijgt anonieme tip over werkzaamheden die werknemer zou verrichten nadat hij werk bij werkgever gestaakt heeft. werkgever schakelt bedrijfsrecherche in en stelt vast dat werknemer een aantal keren ander werk doet, al is niet helemaal duidelijk wat precies. ontslag op staande voet houdt in kort geding geen stand. werknemer heeft zich aan de aanwijzingen van de bedrijfsarts gehouden, dus geen grove veronachtzaming van plichten. werkgever heeft zich aan bevindingen bedrijfsarts gecommitteerd en geen second opinion aangevraagd. Ook geen herbeoordeling, zelfs niet na anonieme tip. werknemer mag zich richten naar aanwijzingen bedrijfsarts. 2 tot 3 uur per dag belastbaar voor eigen werk betekent niet automatisch dat werknemer verder thuis moet blijven. herbeoordeling was logisch geweest, nu meet werkgever zich een zelfstandig oordeel over belastbaarheid aan waar dit niet aan partijen is overgelaten. Werknemer had wel open kaart moeten spelen, maar stilzwijgen is geen bedrog in de zin van 7:678 sub d.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0371
Prg. 2013/173
RAR 2013/108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Tilburg

zaak/rolnr.: 768990 VV EXPL 13-49

vonnis in kort geding d.d. 24 april 2013

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: Mr. R. Grijpstra, advocaat te Almere,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Keukenkampioen B.V.,

gevestigd te Waalwijk aan de Gragtmanstraat 3 (5145 RA),

gedaagde,

gemachtigde: Mr. T.J. Van Veen, advocaat te Ede.

1. Het verloop van het geding

1.1 De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

a. de dagvaarding van 3 april 2013 met producties;

b. de akte vermeerdering van eis;

c. de door gedaagde op voorhand toegezonden stukken;

d. de aantekeningen van de griffier.

1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 april 2013.

1.3 Ter zitting waren aanwezig [eiser], bijgestaan door Mr. Grijpstra voornoemd, alsmede De Keukenkampioen, bijgestaan door Mr. Van Veen voornoemd. Beide gemachtigden hebben ter gelegenheid van de zitting hun pleitaantekeningen overgelegd. Van het verhandelde ter zitting zijn verder aantekeningen gemaakt door de griffier. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, vragen beantwoord en zijn over en weer in de gelegenheid gesteld om op elkaar te reageren.

1.4 Hoewel de dagvaarding is uitgebracht tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Keukenkampioen Beheer B.V., is niet deze beheer BV, maar de Keukenkampioen B.V., als feitelijk werkgever, vrijwillig op de dagvaarding verschenen en heeft zij verweer gevoerd. Uit de overgelegde akte vermeerdering van eis volgt dat ook [eiser] feitelijk bedoeld heeft Keukenkampioen B.V. te dagvaarden. Nu beide partijen de dagvaarding zo begrepen hebben, zal de kantonrechter de dagvaarding ook zo lezen en zal vonnis gewezen worden in de zaak tussen [eiser] en De Keukenkampioen B.V. De wel verschenen vennootschap is hierdoor verder niet in haar belang geschaad.

1.5 Tegen de wijziging van eis heeft De Keukenkampioen geen bezwaar gemaakt, zodat daarvan zal worden uitgegaan.

2. Het geschil

2.1 [eiser] vordert na wijziging van eis bij wege van voorlopige voorziening, hier verkort weergegeven, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, De Keukenkampioen te veroordelen [eiser] binnen 3 dagen na het te wijzen vonnis toe te laten tot zijn werk, zulks op straffe van een dwangsom en vordert voorts De Keukenkampioen te veroordelen tot betaling van het [eiser] toekomende salaris vanaf 1 februari 2013, onder afgifte van salarisspecificaties, het nog te betalen salaris te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, alles met veroordeling van De Keukenkampioen in de proceskosten.

2.2 De Keukenkampioen voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3. De beoordeling

3.1 De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten:

a) [eiser] is op 26 december 2007 bij De Keukenkampioen in dienst getreden in de functie van verkoper , aanvankelijk voor bepaalde tijd doch sinds 1 januari 2010 voor onbepaalde tijd;

b) De omvang van het dienstverband bedroeg aanvankelijk 40 uur per week, doch de omvang daarvan is medio 2012 in overleg teruggebracht tot 25 uur per week, met als werkdagen de donderdag, de vrijdag en de zaterdag;

c) [eiser] is eveneens medio 2012 “oriënterend” werkzaamheden gaan verrichten voor het bedrijf van zijn schoonvader, een schoonmaakbedrijf;

d) Op 24 september 2012 heeft [eiser] zich ziek gemeld met nekklachten;

e) [eiser] heeft op 31 oktober 2012 de bedrijfsarts bezocht en diens bevindingen luiden als volgt:

“(… )

Stand van zaken: betrokkene werkt niet in eigen of aangepast werk.

Beperkingen:

Hoofdbewegingen maken beperkt.

Betrokkene is wisselend belastbaar; sommige dagen gaan beter dan andere. Hierdoor kan hij geen vaste afspraken maken met klanten.

Inzetbaarheid eigen of passende werkzaamheden:

Betrokkene kan ondersteunende werkzaamheden gaan verrichten voor 2 tot 3 uur / werkdag. Op sommige dagen zal betrokken af moeten bellen als zijn nekpijn te hevig is.

(…)”

f) [eiser] heeft steeds conform de door de bedrijfsarts aangegeven belasting werkzaamheden voor en bij De Keukenkampioen verricht en is steeds na ongeveer tweeënhalf uur werken naar huis gegaan;

g) De Keukenkampioen heeft een anonieme tip gekregen met als strekking dat [eiser] na zijn werk bij De Keukenkampioen elders opnieuw weer werkzaamheden zou verrichten;

h) De Keukenkampioen heeft Hoffmanns Bedrijfsrecherche ingeschakeld om de juistheid van de anonieme tip te onderzoeken;

i) Hoffmanns Bedrijfsrecherche heeft [eiser] ten minste een viertal dagen buiten werktijd en buiten het bedrijf van De Keukenkampioen geobserveerd en deze observaties neergelegd in een rapport aangevuld met foto’s ter illustratie van de beschreven waarnemingen;

j) [eiser] is op twee dagen naar een pand in Amsterdam gereden dat schoongehouden wordt door het bedrijf van zijn schoonvader;

k) De Keukenkampioen heeft [eiser] op basis van deze bevindingen op staande voet ontslagen;

l) Twee dagen na het ontslaggesprek heeft De Keukenkampioen dit ontslag schriftelijk bevestigd;

n) [eiser] heeft zich beroepen op de vernietigbaarheid van het ontslag en aanspraak gemaakt op doorbetaling van het loon;

o) De Keukenkampioen heeft het gegeven ontslag op staande voet gehandhaafd.

3.2 [eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de opzegging van het dienstverband wegens het ontbreken van een dringende reden niet rechtsgeldig gegeven is en voorts dat de redenen van het ontslag niet gelijktijdig met de aanzegging zijn medegedeeld, hetgeen in strijd is met de eis die uit artikel 7:677 lid 1 BW voortvloeit. De aangevoerde reden, te weten het verlies van ieder vertrouwen in [eiser], omdat deze de Keukenkampioen heeft doen geloven dat hij slechts maximaal tweeënhalf uur per dag kon werken terwijl dat aantoonbaar onjuist is, kan het ontslag bovendien niet dragen. Het bewijs dat Keukenkampioen gebruikt ter onderbouwing van deze stelling is onrechtmatig verkregen en dient buiten beschouwing te blijven. Voor zover er wel acht op geslagen wordt, is geen sprake van een dringende reden. [eiser] heeft zich gehouden aan de aanwijzingen van de bedrijfsarts. Hetgeen hem verweten wordt zijn geen verboden gedragingen en betreft bovendien gedragingen in zijn privé tijd.

3.3 De Keukenkampioen stelt dat sprake is van een dringende reden. Na ziekmelding heeft controle door de bedrijfsarts plaatsgevonden. In dat kader is onder meer de werkplek aangepast en ook afgesproken dat [eiser] op arbeidstherapeutische basis werkzaamheden verricht. De Keukenkampioen mag er op vertrouwen dat [eiser] zich naar vermogen inzet en pas naar huis gaat “wanneer het niet meer gaat”. Op enig moment is bij De Keukenkampioen wantrouwen ontstaan, gevoed door een anonieme tip waaruit naar voren komt dat [eiser] nadat hij naar huis is gegaan omdat hij niet meer kan werken, nog wel andere werkzaamheden verricht. Op grond daarvan is Hoffmanns Bedrijfsrecherche ingeschakeld, dat de anonieme tip bevestigd heeft. Uit waarnemingen is het volgende naar voren gekomen: op twee dagen is [eiser] naar een pand in Amsterdam gegaan waar hij – zo op het oog – rugbelastende activiteiten heeft ontplooid. Desgevraagd heeft [eiser] hierover gelogen, zodat ieder vertrouwen thans in hem weg is. Het ontslag is hem schriftelijk bevestigd en voldoet aan alle daaraan te stellen eisen. Er is geen sprake van onrechtmatig verkregen bewijs. De observaties hebben plaatsgevonden op de openbare weg en in civiele zaken kan – als het al onrechtmatig zou zijn – daarvan wel gebruik gemaakt worden. De Keukenkampioen heeft uitsluitend op werkdagen laten observeren en het gaat om waarnemingen vanuit en in openbare ruimtes. Het handelen van [eiser] is een vorm van bedrog, hetgeen een dringende reden oplevert. Bovendien kan het feitencomplex gekwalificeerd worden als het grovelijk veronachtzamen van de verplichtingen die op [eiser] rusten. De vorderingen moeten worden afgewezen, aldus steeds De Keukenkampioen. Voor zover loon vanaf 1 februari 2013 tot aan de ontslagdatum nog niet betaald is, kan verrekening plaats vinden met de gefixeerde schadevergoeding die de Feber aan De Keukenkampioen verschuldigd is.

De kantonrechter overweegt als volgt:

3.4 Voor toewijzing van een vordering in kort geding, is vereist dat de vordering voldoende aannemelijk is, terwijl er voorts feiten of omstandigheden moeten zijn die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Toewijzing kan derhalve alleen dan plaatsvinden, als op basis van de thans voorhanden gegevens, in hoge mate waarschijnlijk is, dat de vordering in de bodemprocedure zal worden toegewezen. In deze procedure gaat het in de kern om het antwoord op de vraag of naar voorlopig oordeel van de kantonrechter te verwachten valt dat in de bodemprocedure het aan [eiser] gegeven ontslag op staande voet stand zal houden en of de loonvordering van [eiser] dan ook een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd.

3.5 De kantonrechter acht het ingevolge artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) -voor toewijzing van de voorlopige voorzieningen- vereiste spoedeisend belang voldoende aanwezig, omdat [eiser] onweersproken heeft gesteld dat hij thans geen salaris meer ontvangt, terwijl hij en zijn gezin daar voor zijn levensonderhoud afhankelijk van zijn.

3.6 Voor een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet is het noodzakelijk dat [eiser] aan Keukenkampioen een dringende reden in de zin van art. 7:677, eerste lid, BW heeft gegeven. De opzegging dient onverwijld te zijn gedaan onder gelijktijdige mededeling van de aan het ontslag ten grondslag liggende reden(en).

3.7 Het verweer van [eiser] dat het gegeven ontslag vanwege een vormfout al niet in stand kan blijven wordt verworpen. In het kader van dit kort geding kan weliswaar niet precies worden vastgesteld wat er tijdens het ontslaggesprek op 11 maart 2013 is besproken – partijen spreken elkaar op dit punt tegen – in ieder geval is wel duidelijk dat bij schrijven van 13 maart 2013 dit ontslag in een uitvoerige brief is bevestigd, waarin ook de redenen zijn genoemd. Naar het oordeel van de kantonrechter voldoet deze gang van zaken aan de door de wet gestelde eisen. De ratio bij de gelijktijdige mededeling is dat de werknemer zijn standpunt met betrekking tot het gegeven ontslag kan bepalen. Daarmee verdraagt zich ook de situatie dat kort na een gesprek de formele bevestiging van het ontslag plaatsvindt onder opgaaf van de redenen. Een tijdspanne van twee dagen, zoals in dit geval, is acceptabel. Het verwijt dat het beginsel van hoor/wederhoor is geschonden kan, indien dit al vast zou komen te staan, de stelling dat sprake is van een ongeldig ontslag op staande voet niet dragen, omdat toepassing van dit beginsel niet voorgeschreven is. Weliswaar zegt het iets over de zorgvuldigheid die de werkgever in acht neemt, maar een vereiste is het niet.

3.8 Dit leidt tot de conclusie dat het gegeven ontslag verder inhoudelijk beoordeeld dient te worden. Voor die beoordeling is de aan [eiser] opgegeven reden, zoals vermeld in de brief van 13 maart 2013, maatgevend en gaat het om de vraag of de daarin genoemde reden komt vast te staan en het gegeven ontslag kan dragen. Bij de beoordeling of deze reden een dringende reden in de in van art. 7:678 BW oplevert, moeten volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad alle omstandigheden van het geval worden meegewogen, waaronder de aard en ernst van de dringende reden, de duur van de dienstbetrekking en de wijze waarop de werknemer, in casu [eiser], zijn dienstbetrekking heeft uitgeoefend alsmede zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zal hebben, uiteraard voor zover die omstandigheden aan de rechter bekend zijn gemaakt.

3.9 De wet kent een uitgebreide regeling hoe te handelen bij arbeidsongeschiktheid. Uitgangspunt is dat de werkgever het recht heeft een ziekmelding te controleren en voorts dat de inspanningen van partijen er op gericht zijn zo snel als mogelijk te komen tot werkhervatting al dan niet in aangepast werk, eventueel zelfs bij derden. Daarbij heeft de werkgever ook een uitgebreid instrumentarium tot zijn beschikking hoe te handelen als een werknemer met op hem rustende verplichtingen in gebreke blijft. Zo kan onder omstandigheden de loonbetaling worden opgeschort of vervalt de aanspraak op loon en zijn er omstandigheden waaronder de arbeidsongeschikte werknemer zich niet kan beroepen op het opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 lid 1 BW.

3.10 In overeenstemming met deze regels heeft de Keukenkampioen op 31 oktober 2012 de ziekmelding van de Feber doen controleren. Uit de bevindingen van de bedrijfsarts volgt een belastbaarheid voor ondersteunende werkzaamheden bij de Keukenkampioen voor 2 tot 3 uur per werkdag, met dien verstande dat er ook rekening mee gehouden moet worden dat [eiser] soms af moet bellen als zijn nekpijn te hevig is. De belastbaarheid wordt “wisselend” genoemd.

3.11 [eiser] heeft zich steeds aan deze beoordeling gehouden en overeenkomstig de aangegeven belasting werkzaamheden voor De Keukenkampioen verricht. Beide partijen hebben zich indertijd met het oordeel van de bedrijfsarts verenigd, immers een second opinion of een deskundigenbericht bij het UWV is niet aangevraagd. In zoverre is het niet de Feber die de Keukenkampioen heeft doen geloven dat hij niet in staat was meer te werken dan maximaal 2,5 uur per dag, maar ligt daaraan een onderbouwd medisch oordeel ten grondslag. Niet gesteld of gebleken is dat [eiser] bij de totstandkoming van dit medisch oordeel bedrog heeft gepleegd of dit oordeel anderszins heeft gemanipuleerd, waardoor aan het oordeel van de bedrijfsarts geen of andere betekenis toegekend moet worden.

3.12 De Keukenkampioen koppelt aan de beoordeling door de bedrijfsarts niet alleen dat [eiser] op zijn werkdagen 2 tot 3 uur per dag werkzaamheden verricht, maar leest daarin ook dat [eiser] naar vermogen zou blijven werken en pas naar huis zou gaan “als het niet meer zou gaan”, hetgeen een afspraak is gebaseerd op wederzijds vertrouwen. Die afspraak volgt echter niet uit het verslag van de bedrijfsarts, althans zo is het niet beschreven. Naar het oordeel van de kantonrechter is het in zijn algemeenheid ook niet wenselijk als de mate van belastbaarheid aan de arbeidsongeschikte medewerker wordt overgelaten. Niet uit te sluiten is dat deze door onkunde zijn situatie onjuist beoordeeld of door omstandigheden op het werk een niet verantwoorde keuze maakt. Niet voor niets is het oordeel over de arbeidsongeschiktheid niet aan partijen overgelaten en moeten partijen zich richten naar de bevindingen van derden, zoals de bedrijfsarts of het UWV, in het kader van een deskundigenoordeel.

3.13 Het enkele feit dat [eiser] uit eigen beweging niet meer is gaan werken of langer is blijven werken dan aangegeven in het verslag van de bedrijfsarts kan daarom in beginsel geen reden zijn voor een ontslag op staande voet. [eiser] mag zich in beginsel houden aan de vaststelling door de bedrijfsarts.

3.14 Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat [eiser] medio 2012 minder is gaan werken om tijd te winnen voor “activiteiten” in het bedrijf van zijn schoonvader, waarmee De Keukenkampioen ook bekend was. Tijdens de mondelinge behandeling is ook duidelijk geworden dat [eiser] over het ontplooien van deze activiteiten tijdens zijn arbeidsongeschiktheid noch met zijn behandelend arts (manueel therapeut), noch met de bedrijfsarts, noch met de Keukenkampioen heeft gesproken. Bij de mondelinge behandeling is verder door erkenning daarvan door [eiser] wel vast komen te staan dat [eiser] na zijn ziekmelding in ieder geval een aantal activiteiten voor het bedrijf van zijn schoonvader heeft ontplooid, al is de omvang daarvan niet exact vast te stellen en staat evenmin vast wat [eiser] precies gedaan heeft.

3.15 [eiser] is er van uit gegaan dat tegen het uitvoeren van deze activiteiten geen bezwaar bestond, omdat hij volgens zeggen zoveel als mogelijk zijn normale ritme moest blijven volgen. De Keukenkampioen verwijt [eiser] het uitvoeren van deze werkzaamheden, omdat daaruit volgens haar onomstotelijk volgt dat [eiser] meer belastbaar is dan hij heeft willen doen geloven. Het verwijt heeft volgens haar aan kracht gewonnen, omdat [eiser] desgevraagd heeft aangegeven echt niet meer te kunnen werken dan het door de bedrijfsarts geadviseerde aantal uren. Daarbij voert De Keukenkampioen verder nog aan dat als [eiser] naar huis zou gaan, hij ook medicijnen moet innemen die de rijvaardigheid beïnvloeden, waarmee onverenigbaar is dat [eiser] vervolgens zelf weer is gaan rijden.

3.16 De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] over de activiteiten voor zijn schoonvader had moeten spreken. Het is onbegrijpelijk dat daarover in de contacten met de werkgever, maar ook met bedrijfsarts en begeleidend medici niet gesproken is, omdat hierdoor geen volledig beeld van de omvang van de beperkingen op grond van zijn arbeidsongeschiktheid is ontstaan. [eiser] kan daarom verweten worden dat hij heeft gezwegen, waar hij had moeten spreken. Echter dit zwijgen rechtvaardigt naar het oordeel van de kantonrechter nog niet een ontslag op staande voet. De Keukenkampioen was bekend met het bedrijf van de schoonvader en mogelijke activiteiten van [eiser] daarin. Ook zij had dit onderwerp ter sprake kunnen brengen. Bovendien had zij er voor kunnen kiezen om na een anonieme melding over deze activiteiten van [eiser] daarover hetzij rechtstreeks met [eiser] in gesprek te gaan, dan wel via de bedrijfsarts een nieuw oordeel over de belastbaarheid te vragen of via de bedrijfsarts naar verdere activiteiten te vragen. Door niet expliciet naar de activiteiten te vragen, kan ook niet aangenomen worden dat [eiser] De Keukenkampioen hierover bewust heeft voorgelogen (of heeft bedrogen), zoals De Keukenkampioen [eiser] verwijt.

3.17 Daar waar [eiser] verder gehandeld heeft overeenkomstig de hem gegeven instructies is ook geen sprake van de situatie dat [eiser] grovelijk de plichten veronachtzaamt die de arbeidsovereenkomst hem oplegt, zoals De Keukenkampioen het handelen van [eiser] ter zitting eveneens heeft gekwalificeerd. Het bestaande oordeel van de bedrijfsarts zegt iets over de belastbaarheid, maar brengt niet met zich mee dat [eiser] anders dan voor het werk bij De Keukenkampioen thuis zou moeten blijven. [eiser] is voorts in beginsel vrij om te bepalen hoe hij zijn tijd buiten het werk besteedt. Door niet over de extra activiteiten met elkaar te spreken en ook geen oordeel van de bedrijfsarts te vragen, is thans sprake van de situatie dat slechts vastgesteld kan worden dat [eiser] extra activiteiten heeft ontplooid. In het bijzonder geldt dat geen mening gevormd kan worden over de vraag of de activiteiten voor de schoonvader van [eiser] naar hun aard te verenigen zijn met de arbeidsongeschiktheid zoals die bij [eiser] is vastgesteld. Indien de bedrijfsarts had geoordeeld dat [eiser] deze activiteiten niet mocht verrichten en hij zou er desondanks mee zijn doorgegaan, was sprake van een wezenlijk andere situatie dan nu en was mogelijk wel sprake van grove veronachtzaming van op [eiser] rustende verplichtingen.

3.18 Anders dan De Keukenkampioen als uitgangspunt neemt kan er op basis van de beschikbare informatie ook niet van uitgegaan worden dat [eiser] na zijn werk bij De Keukenkampioen thuis altijd medicijnen/pijnstillers moest innemen waarna autorijden in beginsel niet meer mogelijk zou zijn. Dat volgt in ieder geval niet uit het verslag van de bedrijfsarts.

3.19 Het enkele feit dat door het zwijgen over de activiteiten het vertrouwen is geschaad is voorstelbaar, maar het enkele ontbreken van het vertrouwen is onvoldoende om een ontslag op staande voet te rechtvaardigen.

3.20 Het vorenstaande wordt ook niet anders door de – betwiste – stelling dat [eiser] naderhand in een gesprek met de Keukenkampioen de juistheid van het beeld uit de rapportage van de bedrijfsarts bevestigd heeft. De Keukenkampioen meet zich nu op basis van de door Hoffmanns Bedrijfsrecherche gedane constateringen eigenmachtig min of meer een medisch oordeel over de belastbaarheid aan, waar dit niet aan haar of aan Hoffmanns Bedrijfsrecherche, maar aan de bedrijfsarts is voorbehouden. De Keukenkampioen had [eiser] naar de geconstateerde feiten kunnen en moeten vragen en voor de verzuimbegeleiding de bedrijfsarts moeten inschakelen. Er kan in de feitelijke gang van zaken geen rechtvaardiging gevonden worden aan de inschakeling van de bedrijfsarts voorbij te gaan en in plaats daarvan voor Hoffmanns Bedrijfsrecherche te kiezen. De keuze van De Keukenkampioen daarvoor is helemaal slecht voorstelbaar gelet op de door [eiser] gegeven machtiging aan de bedrijfsarts om medisch advies in te winnen – hetgeen het nodige had kunnen verduidelijken. In het plan van aanpak wordt ook nog gesproken over een herbeoordeling van de situatie na het bekend worden van een uitslag van een MRI-scan bij [eiser], maar daarvan is geen gebruik gemaakt. De Keukenkampioen had met medewerking van [eiser] over alle noodzakelijke gegevens kunnen beschikken en nadere afspraken over de belastbaarheid en inzetbaarheid van [eiser] kunnen maken.

3.21 Het vorenstaande leidt tot de voorlopige conclusie dat de aan [eiser] te maken verwijten, de hierboven genoemde andere omstandigheden mede in aanmerking nemend, geen grond opleveren die het gegeven ontslag kan dragen. Nu geen sprake is van een terecht gegeven ontslag op staande voet, kan ook geen sprake zijn van een verrekenbare vordering uit hoofde van de gefixeerde schadevergoeding. Dat betekent dat de vordering kan worden toegewezen. Het loon wordt toegewezen vanaf 1 februari 2013. De Keukenkampioen heeft wel gesteld dat kort voor de zitting het loon betaald is, maar dat staat nog niet vast. Vanzelfsprekend dient bij de eventuele tenuitvoerlegging van dit vonnis wel rekening gehouden met eventuele loonbetalingen die zien op de periode waarover loon gevorderd wordt.

3.22 Bij deze stand van zaken behoeft de vraag of het door De Keukenkampioen ingebrachte rapport van Hoffmanns Bedrijfsrecherche heeft te gelden als onrechtmatig verkregen bewijs en op die grond uitgesloten moet worden, geen verdere bespreking.

3.23 Voor wat betreft de gevorderde wedertewerkstelling zal de kantonrechter een iets ruimere termijn bepalen dan de termijn die door [eiser] gevorderd is, zodat partijen de gelegenheid hebben nadere afspraken met elkaar te maken alvorens [eiser] moet terugkeren.

3.24 De wettelijke verhoging zal worden gematigd tot 10%. Door geen volledige openheid van zaken te geven heeft [eiser] zelf een aandeel gehad in de thans ontstane situatie, hetgeen matiging van de gevorderde verhoging rechtvaardigt. De wettelijke rente kan als gegrond op de wet worden toegewezen zoals gevorderd.

3.25 Niet is gebleken dat De Keukenkampioen op enig moment in gebreke is gebleven met de verstrekking van salarisspecificaties. De vordering gericht op het verstrekken daarvan op straffe van een dwangsom zal daarom in het kader van dit kort geding wegens onvoldoende belang worden afgewezen.

3.26 De Keukenkampioen dient als de partij die in overwegende mate in het ongelijk is gesteld veroordeeld te worden in de kosten van de procedure. Deze worden tot op heden begroot op € 710,38 te specificeren als volgt: kosten dagvaarding € 97,38; griffierecht € 213,-- en salaris gemachtigde € 400,-- ( 2 punten)

4. De beslissing in kort geding

De kantonrechter:

veroordeelt De Keukenkampioen om [eiser] binnen 14 dagen na het wijzen van dit vonnis tot zijn aangepaste werkzaamheden toe te laten en mocht blijken dat [eiser] volledig hersteld is van zijn arbeidsongeschiktheid, tot zijn werk als verkoper B toe te laten, een en ander onder de voorwaarden gesteld door een (bedrijfs-) verzekeringsarts dan wel onder de gebruikelijke voorwaarden, op straffe van een dwangsom van € 100,-- per dag verschuldigd aan [eiser] voor elke dag dat De keukenkampioen na betekening van dit vonnis in gebreke blijft daaraan te voldoen met een maximum van € 7.500,--;

veroordeelt De Keukenkampioen om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.446,35 bruto per maand vanaf 1 februari 2013 op de gebruikelijke wijze en tijdstippen, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 10% over het achterstallige loon, alsmede vermeerderd met de wettelijke verhoging voor zover enige betaling achterstallig is en de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele voldoening:

veroordeelt De Keukenkampioen in de kosten van dit geding, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 710,38, daarin begrepen een bedrag van € 400,-- als salaris voor de gemachtigde van [eiser];

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.O. Zuurmond, kantonrechter te Tilburg, en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2013.