Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ8970

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-04-2013
Datum publicatie
29-04-2013
Zaaknummer
02/810769-12
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2016:704, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Moord door slachtoffer meermalen neer te steken. De rechtbank acht voorbedachte raad bewezen. Verdachte toerekeningsvatbaar. Verdachte heeft al eerder levensdelict gepleegd. Oplegging van 30 jaar gevangenisstraf, gelet op bruut karakter moord en eerder levensdelict

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 810769-12

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 april 2013

in de strafzaak tegen

Verdachte,

geboren op (geboorteplaats en datum

thans verblijvende in het PPC te Vught,

raadsman mr. Schoenmakers, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 april 2013, waarbij de officier van justitie, mr. Gudde, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting zijn deskundigen (naam) en (naam) van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) gehoord.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander of anderen, (slachtoffer), al dan niet met voorbedachten rade, heeft gedood.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord op (slachtoffer). Verdachte heeft bekennende verklaringen afgelegd, waarbij hij wisselend heeft verklaard over de betrokkenheid van zijn buurman bij de dood van (slachtoffer). De officier van justitie is van mening dat er geen technisch bewijs is voor mededaderschap van verdachtes buurman. Daarom gaat zij ervan uit dat verdachte alleen heeft gehandeld. De officier van justitie heeft gesteld uit te gaan van de verklaring van verdachte ter terechtzitting en de door verdachte aan haar handgeschreven brieven. Zij acht bewezen dat, gelet op een aantal omstandigheden, er sprake is van voorbedachte raad. Verdachte had één of meer messen bij zich gestoken die avond. Verdachte heeft verklaard dat hij een meningsverschil had met (slachtoffer) over geld. Verdachte heeft verder verklaard dat hij (slachtoffer) de steeg induwde en hem een laatste kans gaf door hem het “Onze Vader” op te laten zeggen. Toen (slachtoffer) dat niet kon, heeft hij hem gestoken. Naar de mening van de officier van justitie heeft verdachte zich tussen het moment van het opzeggen van het “Onze Vader” en het pakken van het mes kunnen beraden op het te nemen besluit te gaan steken. Er zijn 29 steek- en snijwonden en er moet dus op meerdere momenten gestoken zijn, hetgeen gelet op het aantal verwondingen meerdere minuten zal hebben geduurd. Ook toen heeft hij zich op meerdere momenten kunnen beraden om wel of niet door te gaan met steken. Derhalve is er naar de mening van de officier van justitie sprake van voorbedachte raad en kan de tenlastegelegde moord bewezen worden.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is met de officier van justitie van mening dat er van medeplegen van moord of doodslag geen sprake is, gelet op de inhoud van de handgeschreven brieven van verdachte en zijn verklaring ter terechtzitting dat hij alleen verantwoordelijk is te houden voor het doden van (slachtoffer). De verdediging is voorts van mening dat verdachte van de tenlastegelegde moord dient te worden vrijgesproken nu niet bewezen kan worden dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Volgens de verdediging heeft verdachte gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, veroorzaakt door het gebruik van drugs en alcohol, welk gebruik een psychose zou hebben veroorzaakt. De verdediging heeft betoogd dat verdachte vaker een mes bij zich had en dat het aanwezig hebben van het mes dus geen indicatie is voor voorbedachte raad.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De feiten

De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen de volgende feiten vast.

Op 25 februari 2012, om 21:03 uur kreeg de politie een 1-1-2-melding dat er zich een zwaargewonde man op de (adres) te Oosterhout bevond. Deze melding werd gedaan door een man die zich (naam) noemde en gebruik maakte van telefoonnummer (nummer). Drie minuten later, om 21:06 uur diezelfde avond, ontving de politie een telefonische melding van een bewoner van de (adres) te Oosterhout dat er een bebloede man in de brandgang achter zijn woning stond. De politie was om 21:12 uur ter plaatse en liep een steeg aan de (adres) in, waarachter zich een brandgang van 17,80 meter bevond. Voorbij een haakse bocht, achterin de brandgang, trof de politie het lichaam van een man aan. Rondom het hoofd van de man lag een grote hoeveelheid bloed op de grond en op het lichaam en in hals, kin en aangezicht waren diverse steek- en snijwonden te zien. De politie, evenals het later gearriveerd ambulancepersoneel, trachtte het slachtoffer te reanimeren. Circa 40 minuten later constateerde een trauma-arts dat het slachtoffer was overleden.

Het slachtoffer is door (zus slachtoffer), geïdentificeerd als (slachtoffer), geboren in Iran op (geboortedatum) (hierna: slachtoffer).

Uit het sectierapport dat arts en patholoog (naam) op 3 mei 2012 heeft opgemaakt naar aanleiding van sectie verricht op het lichaam van (slachtoffer), blijkt dat deze bij leven 29 keer is gestoken en gesneden met een mes, waarbij meerdere messteken en snijwonden zijn toegebracht aan hoofd, kruin, gelaat, hals, armen, handen en schouders. Het overlijden kan zonder meer verklaard worden door bloedverlies, bij een reeds ernstig ziekelijk veranderd hart.

Verdachte meldde zich op 26 februari 2012 als getuige bij de politie en werd op 28 februari 2012 gehoord. De verbalisante zag tijdens het verhoor dat er op bloedvlekken gelijkende vlekken op verdachtes zwarte lederen jas zaten. De jas werd, met toestemming van verdachte, in beslag genomen en voorzien van SIN-nummer AACC5900NL. De jas is bemonsterd op DNA. Van (slachtoffer) en van verdachte werd materiaal ten behoeve van een vergelijkend DNA onderzoek afgenomen. Het op de jas aangetroffen DNA profiel met nr. AACC5900NL werd vergeleken met de DNA profielen van (slachtoffer) en verdachte. Deze vergelijking had als resultaat dat er een match was tussen enerzijds het DNA-profiel afkomstig van de bloedvlek op de jas van verdachte en anderzijds het DNA profiel van (slachtoffer). De kans dat deze vergelijking ook zou passen bij een willekeurig ander persoon is kleiner dan 1 op 1 miljard. Op 1 maart 2012 herkende de verbalisante die verdachte op 26 februari 2012 als getuige hoorde, bij het uitluisteren van de 1-1-2-melding de stem van verdachte. Verdachte heeft bekend dat hij de melding had gedaan met het eerdergenoemde telefoonnummer.

Verdachte heeft bekend dat hij (slachtoffer) heeft gedood door hem meermalen met een mes te steken. Hij heeft bekend het gebruikte mes te hebben weggegooid en heeft bij een pand aan de (adres) te Oosterhout de plek aangewezen waar hij dit heeft gedaan. Aldaar trof de politie een mes aan. Het betrof een Amefa broodmes , dat op DNA is bemonsterd en waarbij twee bloedsporen zijn veiliggesteld onder SIN nummer AAEP0831. Het op het mes aangetroffen DNA-profiel werd vergeleken met de DNA-profielen van (slachtoffer) en verdachte. Deze vergelijking leverde met betrekking tot één bloedspoor het resultaat op dat er een match was tussen enerzijds het DNA op het mes en anderzijds het DNA van (slachtoffer). De kans dat deze vergelijking ook zou passen bij een willekeurig ander persoon is kleiner dan 1 op 1 miljard. De vergelijking leverde met betrekking tot het andere bloedspoor het resultaat op dat er een match was tussen het DNA op het mes en het DNA van (slachtoffer) en verdachte. De kans dat deze vergelijking ook zou passen bij een willekeurig ander persoon is ongeveer 1 op 2 miljoen. Onderzoekers van de unit FTO hebben onderzoek gedaan naar de verwondingen van verdachte in relatie tot het gebruikte mes. Zij hebben geconcludeerd dat niet vast te stellen is of alle verwondingen door hetzelfde mes zijn toegebracht, maar dat de verwondingen wel door het broodmes kunnen zijn veroorzaakt. Uit onderzoek is vast komen te staan dat het telefoonnummer (nummer) waarmee 1-1-2 is gebeld, enkel is gebruikt op 25 en 26 februari 2012. Verdachte heeft verklaard dat hij de SIM-kaart met dit telefoonnummer op die zaterdagmiddag (de rechtbank begrijpt dat hiermee is bedoeld zaterdagmiddag 25 februari 2012) bij de Aldi heeft gekocht en blijkens camerabeelden van de Aldi is verdachte met (slachtoffer) op 25 februari 2012 rond 14:02 uur bij de Aldi geweest.

Verdachte heeft wisselende verklaringen afgelegd over de betrokkenheid van zijn buurman bij het doden van (slachtoffer). In eerste instantie heeft hij verklaard dat hij samen met zijn buurman het plan had opgevat om (slachtoffer) te doden omdat hij nog geld van hem kreeg. In latere verklaringen kwam verdachte op deze verklaring terug en zei hij dat hij alleen had gehandeld. Bij zijn observatie in het PBC heeft hij gezegd dat hij uit angst had verklaard dat zijn buurman niet betrokken was geweest bij de dood van (slachtoffer), maar dat dit toch eigenlijk wel het geval was geweest. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij alleen heeft gehandeld. Dat hij (slachtoffer) naar huis bracht omdat (slachtoffer) bang was om alleen over straat te gaan. Dat hij op de (adres) in een psychose kwam door alcohol en LSD-gebruik, en dat hij dacht dat hij God was, dat hij zich kan herinneren dat hij (slachtoffer) een gebed wilde laten opzeggen en dat hij, toen (slachtoffer) dat niet kon, zijn mes heeft gepakt en is gaan steken. Verdachte heeft verder verklaard dat de eerste steek in de keel was, waarop (slachtoffer) hem vroeg “wat doe je nou?”, en waarna verdachte is doorgegaan met steken. Verdachte heeft ter zitting verder verklaard dat hij na de steekpartij op de (adres) in Oosterhout 1-1-2 heeft gebeld en dat hij vervolgens de SIM-kaart heeft weggegooid, zijn mes heeft weggegooid bij de (adres) te Oosterhout en naar zijn buren is gegaan, alwaar hij zijn bebloede kleding heeft uitgedaan en samen met zijn buren een alibi heeft verzonnen.

Tussenconclusie

Voornoemde bevindingen, te weten:

- de bekennende verklaring van verdachte,

- het aantreffen van het mes op de door verdachte genoemde plek,

- het aantreffen van DNA op het mes van zowel (slachtoffer) als verdachte, en

- de omstandigheid dat er bloed zat op de inbeslaggenomen jas van verdachte en dat dit bloed afkomstig bleek te zijn van (slachtoffer),

rechtvaardigen de conclusie dat in ieder geval verdachte (slachtoffer) heeft gedood.

Medeplegen

Aan de rechtbank ligt de vraag voor of er sprake is geweest van medeplegen. Uit het dossier blijkt niet van enig (technisch) bewijs voor de betrokkenheid van verdachtes buurman bij het doden van (slachtoffer), noch van een andere mededader. Gelet hierop zal verdachte van het tenlastegelegde onderdeel medeplegen worden vrijgesproken.

Voorbedachte Raad

De rechtbank stelt voorop, in lijn met recente jurisprudentie van de Hoge Raad, dat voor een bewezenverklaring van “voorbedachte raad” moet komen vast te staan dat verdachte zich enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsbeweging, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de tenlastegelegde voorbedachte raad als volgt. Verdachte heeft wisselende verklaringen afgelegd over het al dan niet vooraf plannen van het doden van (slachtoffer). De rechtbank weegt verdachtes verklaringen derhalve met de nodige voorzichtigheid, nu deze verklaringen onderling deels tegenstrijdig zijn, maar stelt wel vast dat mede uit feiten en omstandigheden, anders dan op grond van verklaringen van de verdachte, het aannemelijk is geworden dat er van planmatig handelen door verdachte sprake is geweest.

De rechtbank leidt dit uit de volgende feiten en omstandigheden af.

Verdachte heeft in de middag voorafgaand aan het plegen van het delict een nieuwe SIM-kaart aangeschaft en verder alleen die dag gebruikt. Verdachte heeft die dag een mes bij zich gestoken. De verdediging heeft weliswaar betoogd dat verdachte vaker een mes bij zich had, zodat het bezit van het mes ten tijde van het delict niet tot de conclusie mag leiden dat er van voorbedachte raad sprake is geweest, maar de rechtbank stelt vast dat het broodmes dermate groot was dat het niet aannemelijk is dat hij een dergelijk mes uit gewoonte bij zich had. Van deze stelling van de verdediging is de rechtbank ook verder niet gebleken. Verdachte heeft bij het verlaten van zijn woning het latere slachtoffer (naam slachtoffer) vergezeld. Verdachte heeft geen, althans geen aannemelijke, verklaring gegeven voor het feit dat hij (slachtoffer) de steeg in heeft gelokt door kennelijk “kom, kom” tegen (slachtoffer) te roepen, zoals getuige (naam getuige) heeft verklaard, of zoals verdachte in zijn brief van 14 maart 2012 aan de officier van justitie schreef: dat hij (slachtoffer) stevig bij de schouders vastpakte en de steeg in smeet . Dit gedrag van verdachte is naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als het begin van de uitvoering van een plan. Voor verdachte was er geen enkele reden om (slachtoffer) mee die steeg in te nemen, hetgeen ook nog afweek van de normale route. De rechtbank betrekt daarbij voorts het gegeven dat verdachte zelf aan heeft gegeven dat hij (slachtoffer) juist naar huis begeleidde omdat die bang was om alleen te gaan en het een feit van algemene bekendheid is dat het op 25 februari rond 20 uur in de avond reeds donker is en het niet aannemelijk is dat het slachtoffer (naam slachtoffer) uit eigen vrije wil een donkere steeg in is gegaan.

Verdachte heeft verder ter zitting verklaard dat hij (slachtoffer) nog één kans wilde geven door hem in de gelegenheid te stellen het heilig gebed op te zeggen. Verdachte verklaarde verder dat hij, nadat (slachtoffer) dit niet kon of deed, meteen zijn mes heeft getrokken en gericht met dat mes in de keel van (slachtoffer) heeft gestoken. De rechtbank is van oordeel dat het feit dat verdachte (slachtoffer) eerst één laatste kans heeft willen geven en vervolgens gericht in een vitaal deel van het lichaam van (slachtoffer), namelijk in de keel, heeft gestoken, mede duidt op uitvoering geven aan zijn vooropgezet plan op het doden van (slachtoffer).

De rechtbank is voorts van oordeel dat ook het handelen van verdachte direct na het plegen van het feit, aanwijzingen opleveren voor de afronding van zijn vooropgezet plan om (slachtoffer) te doden. Verdachte heeft immers meteen na het doden van (slachtoffer) met gebruikmaking van de SIM-kaart die hij die middag gekocht had, 1-1-2 gebeld, waarbij hij een valse naam gebruikt heeft. Vervolgens heeft verdachte, kennelijk volgens plan, nog met de voormalige medeverdachte (naam) gebeld en vrijwel meteen na het plegen van het delict die SIM-kaart gebroken en in een put gegooid en het mes weggegooid op een plaats, verwijderd van de plaats delict, te weten op de (adres) in Oosterhout. Daarna is hij naar zijn buren gegaan, heeft hij zich van zijn bebloede kleding ontdaan en heeft met hen in rust een alibi bedacht.

Hoewel verdachte ter zitting heeft verklaard psychotisch te zijn geweest op het moment dat hij (slachtoffer) doodde, blijkt uit het dossier noch uit de over verdachte opgemaakte rapporten noch uit zijn handelen rond het delict dat er op dat moment van een (begin van een) psychose bij verdachte sprake is geweest. De rechtbank hecht geen waarde aan de stelling van de verdediging dat verdachte, op grond van zijn eigen herinnering ten tijde van het plegen van het delict een psychose had, omdat twee weken eerder, toen verdachte zelf bij de GGZ kwam met de stelling dat hij een psychose had er geen psychose bij hem is vastgesteld.

Ter terechtzitting heeft de rechtbank waargenomen dat verdachte zich zeer selectief zaken herinnerde over wat er die dag gebeurd is en is hij juist zeer stellig in zijn herinnering met betrekking tot voor hem ontlastende of verzachtende feiten en omstandigheden. Verdachte kon zeer gedetailleerd verklaren wat er voorafgaand aan het doden van (slachtoffer) tot aan de aankomst bij het steegje is gebeurd. Ook over de handelingen direct na het delict, het bellen van 1-1-2 op de (adres) in Oosterhout, het weggooien van het mes en het vernietigen van de SIM-kaart en het uittrekken van de bebloede kleding bij zijn buren heeft hij ook ter zitting gedetailleerd verklaard. Van het delict zelf stelt verdachte zich nagenoeg niets meer te kunnen herinneren.

Uit het door de rechtbank vastgestelde rationeel en consistent handelen van verdachte, direct voor en na het delict, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken van een (begin van een) psychose als door verdachte gesteld. Het selectieve geheugen van verdachte sterkt de rechtbank in haar oordeel dat verdachte planmatig heeft gehandeld. De deskundige (naam) heeft ter zitting verklaard dat verdachte weliswaar geheugenproblemen had, maar dat niet uit te sluiten is dat hij zijn geheugenproblematiek instrumenteel gebruikt door vanuit zijn procespositie als verdachte op bepaalde momenten geheugenproblematiek voor te wenden.

De rechtbank komt op grond van de hiervoor weergegeven gang van zaken op die bewuste 25 februari 2012 tot de vaststelling dat er voldoende momenten van bezinning voor verdachte zijn geweest, om alsnog af te zien van zijn plan om (slachtoffer) te doden. Zo is er een moment van bezinning geweest toen verdachte besloot van de doorgaande weg af te wijken en met het slachtoffer het steegje in te gaan. Op dat moment heeft verdachte de gelegenheid gehad zich te beraden waarom hij met (slachtoffer) de steeg inging en wat daar stond te gebeuren. Voorts is er gelegenheid geweest zich te beraden op het moment dat verdachte en (slachtoffer) in de steeg liepen, nu zij daar een behoorlijke afstand hebben afgelegd. (Slachtoffer) is immers aangetroffen in een brandgang die in het verlengde ligt van de steeg waar verdachte hem mee naar toe had genomen. Deze brandgang is ongeveer 17,80 meter lang en heeft vlak bij het eind een haakse bocht. In deze haakse bocht, die niet zichtbaar was vanaf de straat, is (slachtoffer) aangetroffen.

Naar het oordeel van de rechtbank is er eveneens gelegenheid tot bezinning geweest tussen de opdracht om het gebed op te zeggen en het steken. Vervolgens heeft (slachtoffer) verdachte na de eerste steek gevraagd “wat doe je nou?”, hetgeen wederom een gelegenheid tot bezinning voor verdachte is geweest, waarna verdachte desondanks verder is gegaan met steken.

Uit het pathologisch onderzoek is voorts gebleken dat er letsels aan de handen van (slachtoffer) zijn aangetroffen die zondermeer kunnen worden geclassificeerd als afweerletsels, en dat er ook letsels aan de onderarmen waren die kunnen zijn opgelopen in het kader van afweer. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat er een langer durende confrontatie moet hebben plaatsgevonden waardoor het, in combinatie met het grote aantal steken dat verdachte heeft toegebracht, relatief lang moet hebben geduurd voor verdachte is gestopt met steken en gedurende welke tijd verdachte zich wederom meermalen heeft kunnen beraden maar desondanks door is gegaan met het steken van (slachtoffer).

Het verweer van de raadsman dat het vele steken zondermeer een indicatie is voor een ogenblikkelijke gemoedsopwelling wordt verworpen nu, zoals blijkt uit al hetgeen hiervoor is weergegeven, de vele steken niet op zichzelf staan, maar zijn vooraf gegaan door en vergezeld zijn geweest van en gevolgd door andere handelingen die als rationeel en planmatig moeten worden aangemerkt. Dit alles in onderling verband en samenhang bezien leidt de rechtbank tot het oordeel dat het niet aannemelijk is geworden dat verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

Verdachte heeft daarmee, zoals tenlastegelegd, na kalm beraad en rustig overleg gehandeld. Van contra-indicaties voor voorbedachte raad is de rechtbank niet gebleken.

Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank moord bewezen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 25 februari 2012 te Oosterhout opzettelijk en met voorbedachten rade (slachtoffer) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een mes, in het hoofd en in de hals en de (rechter)schouder van die (slachtoffer) gestoken, tengevolge waarvan voornoemde (slachtoffer) is overleden;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Strafbaarheid van het feit:

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Strafbaarheid van de dader:

Er is een onderzoek ingesteld naar de geestvermogens van verdachte bij het PBC. Daartoe is verdachte ter observatie opgenomen geweest in het PBC en is over hem een rapport uitgebracht. Verdachte heeft zijn medewerking verleend aan het onderzoek.

Ter zitting hebben de twee onderzoekers van het PBC hun bevindingen toegelicht en zijn zij bij hun conclusie gebleven.

De onderzoekers hebben vastgesteld dat er bij verdachte sprake is van een zeer zwakke persoonlijkheidsstructuur in de vorm van een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis met passief-agressieve trekken en een afhankelijkheid van zowel alcohol en benzodiazepinen en misbruik van opioïden. Tevens is er sprake van een zwakbegaafd intelligentieniveau en geheugenproblematiek, die echter niet dusdanig ernstig is dat deze van forensisch belang wordt geacht. Ter zitting hebben de deskundigen zich op het standpunt gesteld dat niet uit te sluiten is dat verdachte geheugenproblematiek heeft aangewend vanwege zijn procespositie als verdachte. De passief-agressieve trekken uiten zich, zoals ter zitting door de deskundigen is toegelicht, meer intern bij verdachte dan extern naar anderen. Er zijn geen aanwijzingen voor een agressieregulatiestoornis. Agressieproblematiek wordt, anders dan in een eerder rapport van het PBC uit 1993, thans niet gezien.

De onderzoekers zijn van mening dat de persoonlijkheidsstoornis, evenals de middelenafhankelijkheid aanwezig waren ten tijde van het plegen van het feit. Echter niet kan worden vastgesteld dat deze persoonlijkheidsstoornis en de middelenafhankelijkheid hebben geleid tot het plegen van dit feit. Over de toedracht van het tenlastegelegde feit, een eventuele doorwerking van de persoonlijkheidsstoornis op het feit en daarmee over de toerekeningsvatbaarheid van verdachte voor dit feit hebben onderzoekers geen deskundige oordeel kunnen gegeven. Wel hebben zij aangegeven dat verdachtes problematiek ernstig is en hem beperkt in het zelfstandig functioneren. Zij hebben geen gedragskundig relevant oordeel kunnen gegeven over de kans op herhaling van vergelijkbare feiten en hebben geadviseerd verdachte volledig toerekeningsvatbaar te achten.

De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat verdachte ten tijde van het plegen van het feit weliswaar een persoonlijkheidsstoornis had, maar dat er geen verband is vast te stellen tussen deze stoornis en het gepleegde strafbare feit. Om die reden gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een levenslange gevangenisstraf. Zij legt aan haar vordering ten grondslag dat, gelet op de inhoud van de PBC rapportage en de verklaring van de deskundigen ter zitting, verdachte niet behandelbaar blijkt. Verder legt zij aan haar vordering ten grondslag het feit dat verdachte al eerder een levensdelict heeft gepleegd en TBS heeft gehad, zodat aangenomen moet worden dat er een aantoonbaar gevaar voor recidive is. De officier van justitie is van mening dat, gelet op het voornoemde, enkel door een levenslange gevangenisstraf de maatschappij voldoende wordt beschermd tegen verdachte.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat uit het PBC rapport en de verklaring van de deskundigen ter zitting niet valt af te leiden is dat verdachte niet behandelbaar zou zijn. De verdediging is van mening dat, onder verwijzing naar soortgelijke zaken waarbij slachtoffers zijn gevallen door middel van steekwonden, een gevangenisstraf van 8 tot 12 jaar een passende sanctie is.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord. Door meermalen in te steken op (slachtoffer), heeft hij hem zeer ernstig letsel toegebracht, waardoor (slachtoffer) langzaam en op een gruwelijke wijze is komen te overlijden. Verdachte was bevriend met (slachtoffer) en kon (slachtoffer) daardoor meelokken in de steeg en heeft op die wijze misbruik gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen door het slachtoffer. Door aldus te handelen heeft verdachte blijk gegeven van een ernstig gebrek aan respect voor het leven van een medemens. Het ernstige gevolg van het bewezenverklaarde en de wijze waarop het bewezenverklaarde handelen is uitgevoerd, dragen een voor de rechtsorde schokkend karakter en brengen in de samenleving in het algemeen, en de omgeving van het gebeurde in het bijzonder, gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

Moord behoort tot de meest ernstige misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent en is naar zijn aard een misdrijf dat oplegging van een gevangenisstraf van zeer lange duur rechtvaardigt. Het opzettelijk en met voorbedachten rade benemen van iemands leven is de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, te weten het recht op leven.

Verdachte heeft zich al eerder, in 1992, schuldig gemaakt aan een levensdelict. Dit maakt de onderhavige zaak des te ernstiger en baart de rechtbank extra zorgen. Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank daarom ook rekening met het eerdere levensdelict, dat zeer grote gelijkenissen vertoont met het huidige delict. Tevens houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte zich op zeer brute wijze heeft gedragen door (slachtoffer) met vele messteken van het leven beroven.

De officier van justitie heeft betoogd dat een levenslange gevangenisstraf passend is, omdat verdachte al eerder een levensdelict heeft gepleegd en de maatschappij moet worden beschermd tegen verdachte.

De levenslange gevangenisstraf is de zwaarste straf die ons Wetboek van Strafrecht kent en dient reeds om die reden met terughoudendheid te worden gevorderd en te worden opgelegd. Het door verdachte gepleegde feit en het feit dat hij reeds in 1992 onder vergelijkbare omstandigheden een mens van het leven heeft beroofd, maakt dat het opleggen van de levenslange gevangenisstraf moet worden overwogen. Verdachte heeft bij zijn laatste woord de rechtbank gevraagd hem nog een kans te geven. Verdachte heeft echter zelf tot tweemaal toe een ander mens die kans niet meer gegeven. In een humaan strafstelsel dient anderzijds, zoveel als mogelijk, een veroordeelde nog enig uitzicht te worden geboden op terugkeer in de maatschappij. Omstandigheden, gelegen in de persoon van de verdachte, geven de rechtbank aanleiding toch af te wijken van de eis van de officier van justitie. Uit de rapportages is komen vast te staan dat verdachte een persoonlijkheidsstoornis heeft en zwakbegaafd is. De rechtbank acht het om die reden, mede gelet op de leeftijd van verdachte, niet geïndiceerd verdachte een levenslange gevangenisstraf op te leggen, nu met een tijdelijke gevangenisstraf van zeer lange duur de vereiste strafdoelen, zoals ook door de officier van justitie benoemd, eveneens worden bereikt.

Gelet op de gruwelijkheid van het feit, alsmede gelet op het feit dat verdachte zich al eerder schuldig heeft gemaakt aan een levensdelict, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval de maximale tijdelijke gevangenisstraf van 30 jaar passend en geboden is.

7 Het beslag

7.1 De onttrekking aan het verkeer

De officier van justitie heeft ter zitting verklaard dat alleen over in beslag genomen wapens nog een beslissing dient te worden genomen.

De rechtbank stelt op grond van de beslaglijst vast dat thans nog een beslissing dient te worden genomen over een busje traangas en een wapen. De rechtbank stelt vast dat deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. De rechtbank beslist dan ook dat deze voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 36b, 36d en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Moord

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

een busje traangas en een gasdrukwapen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Atteveld, voorzitter, mr. Hertsig en mr. Froger, rechters, in tegenwoordigheid van Schuurmans en mr. Chevalier, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 april 2012.

Mr. Hertsig, rechter, en mr. Chevalier, griffier, zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 25 februari 2012 te Oosterhout tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade (slachtoffer) van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een of meer mes(sen), althans met een of meer scherp(e) en/of puntig(e) voorwerp(en) in/op het hoofd en/of in de hals en/of de armen en/of de handen en/of de (rechter)schouder, althans in het lichaam van die (slachtoffer) gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde (slachtoffer) is overleden.