Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ8507

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-04-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
02/810673-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanranding; artikel 246 Strafrecht; bewijswaarde onvolledig DNA-profiel; geen ander technisch of tactisch bewijs; taakstraf 100 uren; geheel voorwaardelijke gevangenisstraf 4 maanden; oplegging bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02/810673-11

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 april 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

wonende te [adres]

raadsman: mr. Anker, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 april 2013. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie,

mr. Speekenbrink, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 9 februari 2011 mevrouw [slachtoffer] heeft aangerand.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit heeft gepleegd. Zij baseert zich daarbij op de aangifte [slachtoffer], de foto’s van het letsel [slachtoffer], het NFI-rapport en de ter zitting gegeven toelichting door de deskundige

[naam deskundige].

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het aan verdachte ten laste gelegde feit, omdat geen sprake is van wettig en overtuigend bewijs. Daartoe voert de raadsman aan dat verdachte zich niet kan herinneren het feit te hebben gepleegd en dat de aangifte en het NFI-rapport tezamen onvoldoende bewijs opleveren, nu ander tactisch of technisch bewijs ontbreekt. Daar komt bij dat het openbaar ministerie en de politie in strijd hebben gehandeld met de geldende regels voor het veiligstellen van sporen, welke omstandigheid niet genegeerd mag worden, aldus de raadsman. Daarnaast betoogt hij dat alternatieve scenario’s niet zijn uit te sluiten. Gelet op dit alles meent de raadsman dat er een te grote kans bestaat dat zijn cliënt onschuldig is en dat hij om die reden vrijgesproken dient te worden.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 9 februari 2011 omstreeks 6:40 uur verlaat [slachtoffer] via de achterzijde haar woning

gelegen aan het adres [adres]. Zij pakt haar fiets uit de schuur en loopt met de fiets door de tuinpoort naar de brandgang. In de brandgang stapt zij op haar fiets en fietst weg. Vervolgens ziet zij in de brandgang een man met zijn rug en armen tegen de muur aan staan. Bij het voorbij fietsen van deze man voelt [slachtoffer] dat de man aan haar sjaal trekt. Vervolgens voelt zij dat de man haar op haar rug vastpakt bij haar jas. De man rukt [slachtoffer] van haar fiets, waardoor zij met haar hoofd tegen de muur aanklapt. De man staat achter haar en omklemt haar met beide armen. Hij betast het lichaam [slachtoffer] met zijn rechterhand. Hij wrijft gedurende 15 tot 30 seconden hardhandig over haar buik, alsmede over de binnen- en buitenkant van haar bovenbenen en haar kruis. [slachtoffer] heeft ten gevolge van de val tegen de muur letsel opgelopen boven haar oog.

De rechtbank concludeert op grond van het vorenstaande dat [slachtoffer] op 9 februari 2011 te Etten-Leur is aangerand door een man, op de wijze als hiervoor omschreven.

De vervolgvraag is of verdachte degene is geweest die de aanranding heeft gepleegd.

In dat kader overweegt de rechtbank het volgende.

Op 9 februari 2011 is onder meer de zwarte broek [slachtoffer], die zij droeg ten tijde van de aanranding, in beslag genomen door de politie voor nader onderzoek. Aan deze broek is door de politie het voorwerpnummer eindigend op 461563 gekoppeld. De broek is vervolgens op 16 februari 2011 afgegeven bij de Unit Forensisch Technisch Onderzoek (FTO) en is daar voorzien van het unieke SIN-zegel AADA2129NL. De broek is hierna op 15 september 2011 overgebracht naar het NFI voor DNA-onderzoek. Het NFI heeft de buitenzijde van het kruis van deze broek bemonsterd en heeft het afgeleide onvolledige DNA-profiel van het celmateriaal opgenomen in de DNA-databank. Hierbij is een match gevonden met het DNA-profiel van verdachte. Het NFI heeft geconcludeerd dat de matchkans tussen de beide profielen kleiner is dan één op één miljard.

Gelet op de hierboven aangehaalde inhoud van de NFI-rapportage en de daarop ter zitting gegeven toelichting door deskundige [naam deskundige], concludeert de rechtbank dat het DNA dat op de broek van aangeefster is aangetroffen, van verdachte is. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [slachtoffer] is aangerand door verdachte.

Het verweer dat de aangifte en het DNA-onderzoek tezamen niet kunnen leiden tot een bewezenverklaring, omdat ander tactisch en technisch bewijs ontbreekt, treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel. De rechtbank deelt het standpunt van de raadsman dat behoedzaam moet worden omgegaan met DNA-bewijs, zeker indien er geen ander steunbewijs is. Ook in het NFI-rapport is opgenomen dat de wetenschappelijke bewijswaarde van een databankmatch met een onvolledig DNA-profiel lager is dan een databankmatch met een volledig DNA-profiel en dat om die reden, om in te schatten of de databankmatch op toeval berust, van belang is of er andere technische of tactische aanwijzingen zijn die de verdachte in verband brengen met het delict. Desondanks acht de rechtbank het aanwezige bewijs niet alleen voldoende wettig, maar ook overtuigend. De rechtbank heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.

Ondanks dat sprake is van een zogenoemd afgeleid onvolledig DNA-profiel, is de matchkans met een willekeurig gekozen persoon vastgesteld op kleiner dan één op één miljard, zijnde de grootst mogelijke zekerheid die het NFI geeft. De deskundige heeft ter zitting toegelicht dat dit kan worden verklaard door de mate van zeldzaamheid van de aangetroffen DNA-kenmerken. Voorts heeft de deskundige aangegeven dat de bron van het DNA-materiaal geen bloed of sperma betreft en waarschijnlijk afkomstig is van materiaal dat minder makkelijk overdraagbaar is. De rechtbank heeft daarnaast in aanmerking genomen dat verdachte en [slachtoffer] beiden afkomstig zijn uit Etten-Leur. Voorts heeft [slachtoffer] bij haar aangifte te kennen heeft gegeven, dat zij de bewuste ochtend een schone broek heeft aangetrokken en geen contact met anderen heeft gehad, uitgezonderd het moment dat zij kort in het bijzijn verkeerde van haar zoon. Tot slot wijst de rechtbank op de plaats waar het DNA-spoor is aangetroffen en bemonsterd: het kruis van de broek [slachtoffer], hetgeen de mogelijkheid van een toevallig contactspoor naar het oordeel van de rechtbank in aanzienlijke mate verkleint.

Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank de kans dat het DNA niet van verdachte afkomstig is verwaarloosbaar klein en de kans op een toevallig contactspoor van verdachte op het kruis van de broek [slachtoffer] zeer onaannemelijk. Op grond van het voorgaande merkt de rechtbank de uitslag van het DNA-onderzoek aan als betrouwbaar en acht zij aanvullend tactisch of technisch bewijs in dit geval niet noodzakelijk.

De opmerking van deskundige [naam deskundige] dat er aanwijzingen zijn, dat er ook DNA-materiaal is achtergebleven van een derde persoon op de broek [slachtoffer], doet niet af aan voormeld oordeel. Door de deskundige is immers ook te kennen gegeven dat niet kan worden uitgesloten dat sprake is van een artefact. Bovendien blijft voormelde matchkans overeind, ook wanneer sprake is van aanwezigheid van DNA-materiaal van een derde persoon.

Gelet op de inhoud van het NFI-rapport is de rechtbank van oordeel dat van verdachte verwacht had mogen worden dat hij een verklaring zou afleggen aangaande de vraag hoe het mogelijk is dat zijn DNA is aangetroffen op de broek [slachtoffer]. Dit heeft hij niet gedaan. De raadsman stelt dat alternatieve scenario’s niet uitgesloten kunnen worden, maar deze alternatieve scenario’s zijn niet c.q. onvoldoende door hem onderbouwd en ook overigens zijn deze niet aannemelijk geworden, zodat ook dit verweer faalt.

Het door de raadsman aangedragen verweer dat de politie en het openbaar ministerie hebben gehandeld in strijd met de geldende regels voor het veiligstellen van sporen, waarmee hij kennelijk wil betogen dat het DNA-onderzoek niet goed is uitgevoerd, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel omtrent de betrouwbaarheid van het DNA-bewijs. Aan de raadsman kan worden toegegeven dat de politie onvoldoende voortvarend heeft gehandeld bij het versturen van het sporenmateriaal, maar door de raadsman is niet aannemelijk gemaakt dat het sporenmateriaal zelf op enigerlei wijze is aangetast door deze handelwijze dan wel afdoet aan de conclusies van het NFI. De deskundige heeft desgevraagd aangegeven dat er van de zijde van het NFI geen reden was voor twijfel aan de juiste wijze van verpakking van het stuk van overtuiging; dat dit langere tijd heeft geduurd, kan nadelige invloed hebben op de kwaliteit van het DNA, maar – zo concludeert de rechtbank – niet op de betrouwbaarheid van het aangetroffen DNA.

Het vorenstaande in ogenschouw nemend, acht de rechtbank het aan verdachte ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna wordt weergegeven onder rechtsoverweging 4.4.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 09 februari 2011 te Etten-Leur, door geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het hardhandig meermalen wrijven over en betasten van de buik en de (buiten- en binnenzijde van de) bovenbenen en het kruis van die [slachtoffer] en bestaande dat geweld uit het aan de sjaal trekken van die [slachtoffer] en het op de rug (bij de jas) vastpakken van die [slachtoffer] en het van de fiets afrukken van die [slachtoffer] (waardoor zij met haar hoofd tegen een muur klapte) en het met beide armen omklemmen van die [slachtoffer].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een werkstraf van 100 uur, subsidiair 50 dagen hechtenis. Daarnaast verzoekt zij de rechtbank om verdachte te veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht en een behandelverplichting.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoegd ten aanzien van de strafmaat.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte de lichamelijke integriteit [slachtoffer] heeft geschonden, door haar van haar fiets te trekken en haar – over haar kleding heen – onzedelijk te betasten op haar buik, bovenbenen en kruis. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit vaak langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van het slachtoffer. Dat [slachtoffer] nadelige gevolgen heeft ondervonden c.q. ondervindt door het handelen van verdachte, blijkt uit de door haar gedane aangifte. Zo heeft zij te kennen gegeven dat een stukje veiligheid en vertrouwen is weggeslagen en dat het incident haar banger en alerter heeft gemaakt. Daarnaast kan zij het gevoel dat verdachte haar op de bewuste dag heeft staan opwachten niet loslaten. Verdachte heeft bij dit alles kennelijk nimmer stilgestaan en heeft zijn eigen bevrediging vooropgesteld.

De rechtbank weegt bij het bepalen van de straf ook mee dat psycholoog [naam] in zijn Pro Justitia rapportage d.d. 24 december 2012 heeft geconcludeerd, dat verdachte ten tijde van het plegen van het delict leed aan een persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken en dat sprake was van licht verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Gelet op het vorenstaande, alsmede op het strafblad van verdachte en op de omstandigheid dat het feit geruime tijd geleden is gepleegd, acht de rechtbank een werkstraf van 100 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden passend. Zij zal hierbij de proeftijd vaststellen op 2 jaar. De voorwaardelijke gevangenisstraf maakt verplichte reclasseringsbegeleiding en een verplichte ambulante behandeling van verdachte mogelijk, wat door de rechtbank noodzakelijk wordt geacht, gezien de inhoud voornoemd rapport van de psycholoog. In het reclasseringsadvies d.d. 11 maart 2013 wordt weliswaar vermeld dat de uitvoering van het reclasseringstoezicht niet haalbaar is vanwege de houding van verdachte, maar de rechtbank overweegt dat – anders dan bij het reclasseringstoezicht gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis het geval was – verdachte nu een stok achter de deur heeft in de vorm van een voorwaardelijke gevangenisstraf.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 235,00.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 27, 36f en 246 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 100 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

- veroordeelt verdachte voorts tot een gevangenisstraf van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de hierna genoemde bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclasseringsinstelling Novadic Kentron;

* dat verdachte zich gedurende de proeftijd onder behandeling dient te stellen van de forensisch psychiatrische polikliniek Het Dok te Breda op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn persoonlijkheidsstoornis;

* geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag ter hoogte van € 235,00, ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], € 235,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 4 dagen hechtenis,

met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. Kok, voorzitter, mr. Van de Wetering en mr. Van Schaik, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Hoezen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 april 2013.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 09 februari 2011 te Etten-Leur, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het (hardhandig) meermalen, althans eenmaal, wrijven over en/of betasten van de buik en/of de (buiten- en binnenzijde van de) bovenbenen en/of het kruis van die [slachtoffer] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het aan de sjaal trekken van die [slachtoffer] en/of het op de rug (bij de jas) vastpakken van die [slachtoffer] en/of het van de fiets afrukken van die [slachtoffer] (waardoor zij met haar hoofd tegen een muur klapte) en/of het met beide armen omklemmen van die [slachtoffer].

art 246 Wetboek van Strafrecht