Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ8488

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
02-800552-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt verdachte voor onder meer het mishandelen van een arts-assistent van een ziekenhuis tot een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden. Het vonnis bevat een uitgebreide strafmotivering.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 9
Wetboek van Strafrecht 10
Wetboek van Strafrecht 14a
Wetboek van Strafrecht 14b
Wetboek van Strafrecht 14c
Wetboek van Strafrecht 22c
Wetboek van Strafrecht 22d
Wetboek van Strafrecht 27
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 91
Wetboek van Strafrecht 300
Wetboek van Strafrecht 350
Opiumwet
Opiumwet 2
Opiumwet 10
Opiumwet 13
Opiumwet 13a
Opiumwet 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2013/87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/800552-12

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 april 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. Stoffels, advocaat te Zevenbergen

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 april 2013, waarbij de officier van justitie, mr. Van Aalst, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 27 mei 2012 arts-assistent [slachtoffer] heeft mishandeld;

feit 2: op 27 mei 2012 een schuifdeur van het St. Elisabeth Ziekenhuis in Tilburg heeft vernield dan wel beschadigd dan wel onbruikbaar heeft gemaakt;

feit 3: op 27 mei 2012 3 gram cocaïne en/of GHB opzettelijk aanwezig heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van [slachtoffer] (feit 1) en baseert zich daarbij op de aangifte, de camerabeelden waarop de mishandeling te zien is en de verklaring van verdachte. Ook de beschadiging van een schuifdeur (feit 2) acht zij bewezen op grond van de aangifte, de camerabeelden waarop te zien is dat verdachte snel naar voren beweegt in de richting van de deur die later beschadigd bleek, de verklaring van getuige [getuige 1] en de verklaring van verdachte. Ten slotte acht zij feit 3 bewezen op grond van het proces-verbaal waarin het aantreffen van de cocaïne en GHB wordt gerelateerd, het proces-verbaal waarin de testresultaten staan vermeld en de verklaring van verdachte waarin staat dat hij deze drugs bij zich had.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank op grond van het dossier en de verklaringen van verdachte tot een bewezenverklaring kan komen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 27 mei 2012 in de vroege ochtend kwam bij de noodhulp van de politie de melding binnen dat een man in het St Elisabethziekenhuis te Tilburg “door het lint was gegaan”. De noodhulpeenheden van de politie zijn onmiddellijk ter plaatse gegaan. Ze hebben de man (verdachte) onder controle gebracht en hem gedurende ruim 1,5 uur in bedwang moeten houden zodat hij door het ziekenhuispersoneel kon worden behandeld. Verbalisanten hoorden ter plaatse dat de man vernielingen had aangericht en een arts-assistent had mishandeld. Ze hoorden dat de man vermoedelijk onder invloed van drugs was. Verbalisant [naam verbalisant] trof ter plaatse in het ziekenhuis bij verdachte in een tasje een zakje hennep, een zakje met een witte poederachtige substantie en een zakje met daarin een wit brokje aan . Verbalisant [naam verbalisant] heeft de witte brok getest. Het ging om een brok van 3 gram, die positief reageerde op de MMC Narcotest Gamma Hydroxy Boterzuur (GHB) en de MMC Narcotest cocaïne/crack . Verdachte heeft later bij de politie verklaard dat het tasje van hem is . Op grond daarvan acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op die dag 3 gram van een materiaal bevattende cocaïne en GHB opzettelijk aanwezig heeft gehad, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I. (feit 3).

Ook is de betreffende arts-assistent [initialen] [slachtoffer] gehoord. Hij heeft daarop aangifte gedaan van mishandeling. Daarin verklaart hij dat hij in zijn pauze even naar buiten is gelopen. Hij was gekleed in dokterskleding en droeg een witte jas. Hij hoorde dat een persoon twistte met de beveiliger. Toen [slachtoffer] buiten stond zag hij dat de persoon zich omdraaide en met grote passen op hem af kwam gestormd. Hij hoorde de persoon zeggen: “Jij kunt naar binnen want je hebt een pasje”. Hij voelde dat hij krachtig bij zijn arm werd beetgepakt. Hij werd vervolgens met kracht naar de deur gesleurd. De man schreeuwde: “Jij gaat het open maken”. Toen hij met de man voor de deur stond werd hij een aantal keren met kracht tegen de dichte deur geduwd. Daarop kwam de man met zijn gezicht heel dicht bij het gezicht van [slachtoffer]. Kort daarna zag [slachtoffer] dat de man met zijn hoofd een zwaaibeweging richting zijn hoofd maakte. [slachtoffer] heeft geprobeerd de zwaaibeweging te ontwijken, maar hij voelde dat zijn hoofd werd geraakt. Uiteindelijk is het hem gelukt om weg te rennen . Op 22 september 2012 heeft [slachtoffer] verklaard dat hij destijds 2 dagen last heeft gehad van een pijnlijke linker schouder en daar ook een blauwe plek had opgelopen. Hij zegt dat dit komt doordat hij was vastgegrepen en enkele malen tegen de gesloten binnendeur was gegooid .

De aangifte van [slachtoffer] vindt deels steun in het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [naam verbalisant 2] en [naam verbalisant] waarin zij relateren over het uitkijken van de camerabeelden. Zij zagen dat verdachte de “verpleger” meetrok, dat beide mannen het ziekenhuis binnenliepen waarbij verdachte de “verpleger” nog steeds vasthield en de “verpleger” naar de deur duwde die toegang geeft tot de poliklinieken . Beveiliger [naam be[aangever] heeft de camerabeelden ook bekeken en hij heeft verklaard dat de “broeder” [slachtoffer] heet (aangever) . Verdachte heeft ter zitting van de rechtbank verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij een man in een witte jas wat aan heeft gedaan, maar hij “gelooft best dat het zo is gegaan “ als de aangever dit zo verklaart .

Op grond van de voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld – zoals onder feit 1 is ten laste gelegd – door hem krachtig bij de arm beet te pakken, hem vast te grijpen, hem meermalen tegen een deur te duwen en een kopstoot tegen zijn hoofd te geven waardoor [slachtoffer] letsel heeft bekomen. [slachtoffer] verklaart weliswaar niet over pijn, maar naar het oordeel van de rechtbank is het een feit van algemene bekendheid dat de bewezenverklaarde handelingen pijn moeten hebben veroorzaakt, zodat ook dit onderdeel wettig en overtuigend bewezen is.

Voorts is door [naam be[aangever] namens het St Elisabethziekenhuis te Tilburg aangifte gedaan van vernieling. [aangever] verklaart dat hij van zijn collega [getuige 1] heeft gehoord dat de man (verdachte) meerdere malen zijn lichaam tegen de schuifdeur, die toegang geeft tot de poliklinieken, heeft gegooid. Hij verklaart dat de schuifdeur helemaal ontzet is en niet meer naar behoren functioneert en dat de monteur gezegd heeft dat de deur helemaal is verbogen en dat het stalen frame opnieuw gezet zal moeten worden . Deze aangifte vindt steun in het proces verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 2] en [naam verbalisant] . Daarin verklaren de verbalisanten dat zij op de camerabeelden zien dat verdachte begon te reageren op de deur, die toegang gaf tot de poliklinieken, dat de camera weliswaar boven de deur hangt zodat niet alles te zien is, maar dat verdachte meerdere malen in beeld komt en zich snel naar voren beweegt.

De rechtbank acht op grond van deze aangifte die steun vindt in het proces verbaal van het uitkijken van de camerabeelden wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 27 mei 2012 een schuifdeur van het St Elisabethziekenhuis heeft beschadigd. (feit 2)

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij op of omstreeks 27 mei 2012 te Tilburg opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [initialen] [slachtoffer], zijnde arts-assistent in het St. Elisabethziekenhuis), (krachtig) bij de arm(en) heeft beetgepakt en/of vastgegrepen en/of meermalen, althans eenmaal tegen een deur heeft geduwd, en/of een kopstoot tegen het hoofd, althans in elk geval tegen het lichaam

heeft gegeven waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 27 mei 2012 te Tilburg opzettelijk en wederrechtelijk een (schuif)deur, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het St. Elisabethziekenhuis, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

3.

hij op of omstreeks 27 mei 2012 te Tilburg opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of 4-hydroxyboterzuur (GHB), zijnde (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een werkstraf van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren met daaraan gekoppeld een reclasseringstoezicht door Novadic-Kentron, een meldingsgebod, deelname aan een leefstijltraining, een behandelverplichting en een opname in een zorginstelling bij Novadic-Kentron. Bij de bepaling van de strafeis is zij uitgegaan van een enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank om aan verdachte een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De verdediging verzoekt verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen overeenkomstig het advies van de psycholoog en daarnaast is hij first offender.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte was die dag onder invloed van cocaïne. Hij heeft ter zitting verklaard dat hij die dag ongeveer 6 a 7 gram cocaïne had gebruikt. Als gevolg daarvan hoorde verdachte stemmen in zijn hoofd die zeiden dat hij dood ging. Hij is daarop op een fiets naar het ziekenhuis gegaan en heeft,,toen een beveiliger hem niet binnenliet omdat hij zo agressief was, de schuifdeur die toegang gaf tot de poliklinieken beschadigd en een arts- assistent mishandeld. Ook had hij toen de politie ter plaatse kwam nog 3 gram van een materiaal bevattende cocaïne en GHB bij zich.

[slachtoffer] verklaart dat hij erg bang is geweest toen verdachte op hem afstormde. Hij heeft toen hij door verdachte werd meegevoerd om hulp geroepen, maar er was niemand die hem kon zien. Zo was [slachtoffer] helemaal alleen overgeleverd aan verdachte, die erg agressief was. Hij is in paniek geraakt en hij stelt in zijn verklaring dat hij moest reageren door hard weg te lopen. Volgens [slachtoffer] ging verdachte “hem anders echt wat aandoen”. De rechtbank neemt het verdachte bijzonder kwalijk dat hij zo tekeer is gegaan tegen een willekeurige passant, in casu een hulpverlener die net nadat hij een bevalling had begeleid buiten even pauze nam.

Ook geeft het geen pas om in een publieke ruimte waar iedereen zich veilig moet kunnen voelen en voor hulp komt zo tegen goederen van het ziekenhuis en personen te keer te gaan.

Verdachte heeft verklaard dat hij zich niets van de mishandeling van de arts-assistent en van het “beuken” tegen een schuifdeur kan herinneren. Hij kan zich alleen herinneren dat hij naar het ziekenhuis is gegaan, dat hij het ziekenhuis niet in mocht en boos is geworden omdat hem “onrecht werd aangedaan”. Vervolgens is verdachte “door het lint gegaan”. De wijze waarop de noodhulpeenheden van de politie verdachte ter plaatse in bedwang hebben moeten houden en de duur daarvan spreekt boekdelen. Verdachte moet de weg volledig zijn kwijtgeraakt.

Over verdachte is door psycholoog [naam psycholoog] d.d. 27 juli 2012 een rapport uitgebracht. Daaruit blijkt dat er bij verdachte geen aanwijzingen waren voor een dissociatieve stoornis, die zijn geheugenverlies ten tijde van de bewezen verklaarde delicten mogelijk had kunnen verklaren. Ook zijn er geen aanwijzingen voor een persoonlijkheidsstoornis. De psycholoog concludeert dat verdachte in een psychotische stoornis is geraakt die hoogstwaarschijnlijk is veroorzaakt door overmatig drugsgebruik. Volgens de psycholoog is de psychose direct verantwoordelijk voor het gedrag van verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Verdachte is daarom sterk verminderd toerekeningsvatbaar. De kans op recidive is laag.

Volgens de psycholoog is verdachte in het kader van de bijzondere voorwaarde bij zijn schorsing van de voorlopige hechtenis al 7 weken bij Novadic- Kentron opgenomen geweest en afgekickt van de drugs. Verdachte is niet langer psychotisch, maar heeft begeleiding nodig bij de opbouw van zijn maatschappelijk leven, zoals huisvesting, inkomen, daginvulling en schuldsanering. Voorts zou kunnen worden ingezet op dagbehandeling en ambulante nazorg onder toezicht van de verslavingsreclassering.

Het standpunt van de officier van justitie dat verdachte al heel lang cocaïne gebruikt en dit die avond heeft gedaan in combinatie met GHB en hij dus bekend had moeten zijn met de gevolgen, zodat – anders dan de psycholoog - slechts sprake is van een enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid volgt de rechtbank niet. Van een gecombineerd gebruik van cocaïne en GHB is de rechtbank niet gebleken. Verdachte heeft verder weliswaar een cocaïneverleden, maar hij heeft naar eigen zeggen niet eerder in de mate gebruikt zoals hij op 27 mei 2012 heeft gedaan. De rechtbank ziet daarom geen reden om af te wijken van het advies van de psycholoog over de toerekeningsvatbaarheid.

Voorts heeft de verslavingsreclassering Novadic-Kentron op 5 november 2012 een voorlichtingsrapport over verdachte uitgebracht. Daaruit blijkt dat verdachte na de afkickperiode meermalen een terugval heeft gehad. Zo zijn in september 2012 tot 2 keer toe urinecontroles positief op GHB bevonden, is verdachte op 3 oktober 2012 voor een crisisopname weer bij Novadic-Kentron in Vught terecht gekomen en is hij per 29 oktober 2012 weer enige tijd opgenomen geweest op de Forensische Zorgafdeling van Novadic Kentron te Vught. Er is een relatie tussen het middelengebruik en het delictgedrag van verdachte. Verdachte kan zich niet staande houden, is niet sociaal vaardig, is niet in staat om zich te verplaatsen in de gevoelens van anderen, heeft een beperkt inzicht in zijn gedrag en wordt snel boos en geïrriteerd als het niet gaat zoals hij wil. Met name het (hernieuwde) GHB gebruik leidt tot een hoog recidiverisico. Novadic-Kentron adviseert op grond hiervan tot een verplicht reclasseringstoezicht, een meldingsgebod en deelname aan een leefstijltraining. Voorts dient verdachte zich binnen het toezicht te laten behandelen voor zijn middelengebruik bij Novadic-Kentron of een soortgelijke instelling voor ambulante forensische zorg. Daarbij moet verdachte worden verplicht om, op basis van een door het NIFP-IFZ af te geven indicatie, zich te laten opnemen bij Novadic-Kentron of een soortgelijke intramurale instelling, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ en zich houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de directeur van die instelling zullen worden gegeven.

Verdachte heeft aangegeven zich te kunnen vinden in dit advies en wil zich conformeren aan afspraken en bijzondere voorwaarden.

De rechtbank acht het van belang – mede gelet op de hernieuwde terugvallen – dat verdachte wordt behandeld in een instelling van Novadic-Kentron te Vught of een soortgelijke instelling en dat verdachte – indien dit noodzakelijk wordt geacht – zich daartoe (klinisch) zal moeten laten opnemen. De rechtbank zal die opnameverplichting dan ook als aparte bijzondere voorwaarde opleggen, waarbij verdachte zich in het kader van die behandeling zal moeten houden aan de aanwijzingen van zijn behandelaars voor zolang deze behandelaars dat voor verdachte gedurende proeftijd, of zoveel korter, noodzakelijk achten.

Tevens dient verdachte binnen 3 dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zich te melden bij de verslavingsreclassering van Novadic-Kentron aan de Edisonlaan 15 te Tilburg en zal hij zich daar moeten melden zo frequent als de verslavingszorg dat gedurende de proeftijd noodzakelijk acht en zal hij zich binnen de proeftijd ook moeten houden aan de aanwijzingen van de verslavingszorg, ook als dat inhoudt behandeling in een ambulant (nazorg)traject. Voorts dient verdachte deel te nemen aan een leefstijltraining.

Alles afwegende komt de rechtbank – mede gelet op het standpunt over de toerekeningsvatbaarheid - tot een lagere taakstraf dan door de officier van justitie is geëist en tot een hogere voorwaardelijke gevangenisstraf. De reden daarvan is om een grotere stok achter de deur te houden voor het geval verdachte niet langer wil meewerken aan de bijzondere voorwaarden. Ook om die reden zal de taakstraf worden gematigd.

De rechtbank zal aan verdachte een taakstraf opleggen van 120 uren met aftrek van het voorarrest naar rato van 2 uren per dag. Daarnaast wordt aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

7 Het beslag

7.1 De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 57, 91, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 13, 13a en 14 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Mishandeling;

feit 2: Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoort, beschadigen;

feit 3: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet

gegeven verbod, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf naar rato van twee uur per dag;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht niet ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich, voor zolang deze behandelaars dat voor verdachte gedurende proeftijd of zoveel korter noodzakelijk achten, zal laten behandelen in een instelling van Novadic- Kentron te Vught of een qua zorgniveau en beveiliging vergelijkbare instelling en dat verdachte – indien dit noodzakelijk wordt geacht – zich daartoe (klinisch) zal moeten laten opnemen. Verdachte dient zich in het kader van die behandeling te houden aan de aanwijzingen van zijn behandelaars voor zolang deze behandelaars dat voor verdachte gedurende proeftijd of zoveel korter noodzakelijk achten;

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Novadic-Kentron te Tilburg, ook als dat inhoudt het ondergaan van een behandeling in een ambulant (nazorg)traject en de deelname aan de leefstijltraining;

- geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- dat verdachte zich binnen drie dagen nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden, zal melden bij deze reclasseringsinstelling;

- bepaalt dat als algemene voorwaarde wordt toegevoegd:

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken daaronder begrepen;

Voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

3 gram cocaïne/GHB, 7,5 gram poeder en 22,2 gram hennep.

Dit vonnis is gewezen door mr. Volkers, voorzitter, mr. Kooijman en mr. Van Triest, rechters, in tegenwoordigheid van Vermaat, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 23 april 2013.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 27 mei 2012 te Tilburg opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten [initialen] [slachtoffer], zijnde arts-assistent in het St.

Elisabethziekenhuis), (krachtig) bij de arm(en) heeft beetgepakt en/of

vastgegrepen en/of meermalen, althans eenmaal tegen een deur heeft geduwd,

en/of een kopstoot tegen het hoofd, althans in elk geval tegen het lichaam

heeft gegeven waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 27 mei 2012 te Tilburg opzettelijk en wederrechtelijk

een (schuif)deur, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

het St. Elisabethziekenhuis, in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 27 mei 2012 te Tilburg opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

cocaïne en/of 4-hydroxyboterzuur (GHB), zijnde (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 10 lid 3 Opiumwet