Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ8272

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
23-04-2013
Zaaknummer
12/715400-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Brandstichting. Volledig ontoerekeningsvatbaar. Opname in een psychiatrisch ziekenhuis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 12/715400-12

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 april 2013

in de strafzaak tegen

[Verdachte],

geboren op [datum] 1974 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats, adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Middelburg, locatie Torentijd, Torentijdweg 1, 4337 PE Middelburg,

ter terechtzitting verschenen,

raadsman mr. Smit, advocaat te Middelburg,

ter terechtzitting aanwezig.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 maart 2013, waarbij de officier van justitie mr. Van der Hofstede en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 18 november 2012 te Vlissingen opzettelijk brand heeft

gesticht in een kelder/berging(en) ter hoogte van de portiek(en)/berging(en)

met de (huis)nummers 50 en/of 54 en/of 56 behorende bij het flatgebouw gelegen

aan de [straatnaam] met voornoemde huisnummer(s), immers heeft

verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende aansteker en/of lucifer, in

elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met benzine, althans

met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan (de vloer van) die

kelder/berging(en) en/of deur(en) en/of kozijn(en) van de/die

portiek(en)/berging(en) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval

brand is ontstaan,terwijl daarvan gemeen gevaar voor die vloer en/of die

deur(en) en/of kozijn(en) en/of het/de goed(eren) dat/die in betreffende

berging(en) waren opgeslagen en/of dat flatgebouw, in elk geval gemeen gevaar

voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

voor de bewoners van dat flatgebouw, in elk geval levensgevaar en/of gevaar

voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 18 november 2012 brand heeft gesticht in de berging van een flatgebouw aan de [straatnaam] te Vlissingen, waardoor gevaar voor goederen en personen is ontstaan. Hij baseert zich daarbij op de verklaring van getuige [getuige] en het proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat verdachte kort na de brand heeft verklaard dat hij bij de bergingen benzine heeft gesprenkeld en dit vervolgens heeft aangestoken. Verdachte heeft ook tijdens zijn verhoor bij de politie verklaard dat hij bij de bergingen benzine heeft aangestoken.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich voor wat betreft de feiten aan het oordeel van de rechtbank. Hoewel verdachte zich niet kan herinneren dat hij brand heeft gesticht, kan tot een bewezenverklaring worden gekomen gelet op de verklaring van getuige [getuige] en de processen-verbaal van bevindingen op pagina 37 en 42 van het dossier.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

In de vroege ochtend van 18 november 2012 kreeg de politie een melding dat er een brand was in een flatgebouw aan de [straatnaam] te Vlissingen . Het flatgebouw bestaat uit vier woonlagen en heeft meerdere portiekingangen waarbij telkens acht appartementen zijn verdeeld over deze vier woonlagen met in de kelder bergingen. De politie is ter plaatse gekomen en zag dat er diverse mensen op straat stonden, die ten tijde van de brand in de appartementen aanwezig waren. Verder heeft de politie geconstateerd dat in het trapportaal van het portiek van het flatgebouw met onder andere de nummers 50 en 58 rook hing, dat het brandalarm op de eerste woonlaag afging en dat er een vreemde chemische geur te ruiken was . De deuren van de bergingen 54 en 56 hebben flink gebrand. In de bergingen lagen bovendien verschillende goederen opgeslagen.

Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij het brandalarm hoorde afgaan, dat hij zag dat het portiek vol rook stond, dat hij naar de buurman op nummer [huisnummer], zijnde verdachte, is gegaan en dat deze hem vertelde dat hij benzine bij de schuurtjes had gegooid en in brand had gestoken.

Verbalisanten hebben verdachte aangetroffen in zijn woning aan de [straatnaam]. Verdachte verklaarde dat hij benzine bij de berging had gesprenkeld en dat hij dit in brand had gestoken. Hij heeft deze verklaring tijdens zijn voorgeleiding bij de hulpofficier van justitie herhaald . In de woning van verdachte is in de slaapkamer een fles aangetroffen die voor de helft was gevuld met een vloeistof die door verbalisant aan de geur werd herkend als benzine .

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte de brand heeft aangestoken.

De bevelvoerder van de brandweer, M. Murre, heeft verklaard dat er op de vloer voor de deuren van de bergingen vloeistof aan het branden was en dat er gevaar was dat deze vloeistof onder de deuren door zou lopen waardoor ook de ruimten achter de deuren en de zich daarin bevindende goederen in brand konden worden gezet. Door de brand is bovendien een hevige rookontwikkeling ontstaan waardoor personen allerlei giftige stoffen konden inademen en in de rook verstikt dan wel gedesoriënteerd konden raken. Gelet hierop was er naar het oordeel van de rechtbank als gevolg van de brandstichting in de berging van het flatgebouw gevaar voor goederen te duchten alsook levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in die boven de bergingen gelegen woningen bevindende personen. Dit valt ook af te leiden uit het feit dat de bewoners van hetzelfde portiek in verband met de brand hun woning hebben moeten verlaten. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat brandstichting in een flatgebouw de vrees voor dit gevaar in het leven roept.

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen zoals hierna onder 4.4 vermeld.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 18 november 2012 te Vlissingen opzettelijk brand heeft

gesticht in een berging ter hoogte van de bergingen

met de (huis)nummers 50 en 54 en 56 behorende bij het flatgebouw gelegen

aan de [straatnaam] met voornoemde huisnummers, immers heeft

verdachte toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met benzine, ten gevolge waarvan deuren van die bergingen geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die deuren en kozijnen en de goederen die in betreffende

bergingen waren opgeslagen en dat flatgebouw, en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van dat flatgebouw, te duchten was.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

5.2.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich, gelet op de over verdachte opgemaakte rapportages, op het standpunt dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht en vordert dan ook dat hij zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

5.2.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte opgemerkt dat het feit verdachte niet toegerekend kan worden.als gevolg van een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens.

5.2.3 Het oordeel van de rechtbank

Over verdachte is op 11 en 12 februari 2013 gerapporteerd door de deskundigen

drs. W. Eland, psychiater, respectievelijk drs. W.J.L. Lander, klinisch psycholoog, onder supervisie van drs. I. Neissen, GZ-psycholoog. Uit deze rapporten blijkt dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, te weten een psychotische stoornis niet anderszins omschreven. Hiervan was - indien het feit bewezen kan worden - ook sprake ten tijde van het ten laste gelegde feit, in die zin dat verdachte leed aan psychotische belevingen. Daarnaast is sprake van cannabisgebruik. Verdachte rookt één jointje per avond en gebruikt daarnaast ook nog laag frequent amfetamine. Dit kan een deels luxerende, deels onderhoudende rol spelen in het psychotische beeld. De deskundigen komen tot de conclusie dat verdachte ontoerekeningsvatbaar is.

De rechtbank is het eens met de conclusies van de deskundigen en neemt deze over. Verdachte is dan ook niet strafbaar omdat gebleken is van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. Op grond daarvan zal de rechtbank verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert te gelasten dat verdachte voor de duur van één jaar zal worden geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis. Aan de vereisten van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht is voldaan.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte stelt zich op het standpunt dat wanneer de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verdachte kan worden geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis. Hoewel verdachte het liefst zo snel mogelijk zijn leven in vrijheid weer wil oppakken, beseft hij ook dat hij hulp nodig heeft. Verdachte staat open voor een klinische opname in het kader van een machtiging en zal daar ook aan meewerken.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de beantwoording van de vraag welke straf of maatregel aan verdachte moet worden opgelegd houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder het is begaan, en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting. Hij heeft in de vroege ochtend voor de deur van twee bergingen, die zich op de kelderverdieping van een flatgebouw bevonden, benzine gegoten en deze brandstof aangestoken, waardoor de deuren van die bergingen zijn verbrand. In het flatgebouw waren op dat moment verschillende bewoners aanwezig. Verder verspreiden van het vuur werd voorkomen doordat de brand tijdig is ontdekt en de brandweer het vuur kon blussen. De gevolgen van een brandstichting zijn bijna nooit te overzien. Vuur is immers onvoorspelbaar en de gevolgen hadden veel groter kunnen zijn indien de brand niet tijdig was ontdekt. De rechtbank acht de brandstichting in een bewoond flatgebouw een ernstig feit.

Uit de hiervoor besproken rapporten blijkt dat verdachte lijdt aan een psychotische stoornis en dat hij de brand heeft gesticht onder invloed van psychotische denkbeelden. Verdachte heeft de stellige overtuiging dat hij door anderen wordt benadeeld, uitgescholden, getreiterd en bedreigd. Hij heeft geen ziekte-inzicht en ziektebesef waardoor de motivatie om zich intensief psychiatrisch te laten behandelen ontbreekt. De kans op recidive blijft daardoor onverminderd aanwezig. De deskundigen hebben dan ook geadviseerd verdachte klinisch te laten behandelen binnen een verplicht juridisch kader met intensief toezicht, te weten op basis van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht. De reclassering heeft zich in haar rapport geconformeerd aan de adviezen van de deskundigen.

Gelet op hetgeen is vastgesteld in de hiervoor genoemde rapportages van de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat dient te worden geconcludeerd dat verdachte een gevaar is voor zichzelf en voor anderen. Zij acht het van belang dat verdachte wordt behandeld voor zijn ziekte. Gezien het feit dat verdachte geen ziekte-inzicht en/of ziektebesef heeft en zich daardoor waarschijnlijk zal onttrekken aan behandeling, acht de rechtbank het noodzakelijk dat behandeling in een gedwongen juridisch kader zal plaatsvinden. Nu aan de wettelijke vereisten zoals genoemd in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht is voldaan, zal de rechtbank aan verdachte de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar opleggen. De rechtbank merkt hierbij op dat zijdens verdachte de voorkeur is uitgesproken voor een opname bij Ggz Emergis te Kloetinge.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 37, 39 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

- verklaart dat verdachte niet strafbaar is voor het onder 4.4 bewezen verklaarde en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

Maatregel

- gelast de plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor de termijn van één jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. Haesen, voorzitter, mr. Vos en mr. Gieben, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Philipsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op

3 april 2013.