Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ8266

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
23-04-2013
Zaaknummer
261898 / KG ZA 13-172
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eisers vorderen nakoming van de verplichtingen van het Sociaal Statuut waardoor de gehele plaatsingsprocedure en daarmee de hele reorganisatie zal moeten worden overgedaan.

Eisers 3 t/m 15 zijn niet-ontvankelijk omdat de voorzieningenrechter niet als restrechter kan dienen in deze procedure.

Bezwaar en beroep mogelijk en de mogelijkheid een voorlopige voorziening aan te vragen hangende de bezwaarprocedure aanwezig.

De ingenomen stelling dat zij geen bezwaar en beroep kunnen instellen tegen besluiten tot plaatsing van een collega wordt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet als juist aanvaard.

Eisers sub 1 en 2 zijn ontvankelijk.

Er is een naar zijn strekking soortgelijke voorziening aangevraagd bij de Ondernemingskamer. Toewijzing van de vordering van eisers zou betekenen dat de gehele plaatsingsprocedure en daarmee de hele reorganisatie zal moeten worden overgedaan.

Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0341

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht, voorzieningenrechter

Zittingsplaats: Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/02/261898 / KG ZA 13-172

Vonnis van 23 april 2013

in de zaak van

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

CNV PUBLIEKE ZAAK,

gevestigd te 's-Gravenhage,

2. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

ABVAKABO FNV,

gevestigd te Zoetermeer,

3. [eiser sub 3],

wonende te Borssele, gemeente Borsele,

4. [eiser sub 4],

wonende te Vlissingen,

5. [eiser sub 5],

wonende te Domburg, gemeente Veere,

6. [eiser sub 6],

wonende te Middelburg,

7. [eiser sub 7],

wonende te Middelburg,

8. [eiser sub 8],

wonende te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen,

9. [eiser sub 9],

wonende te Kruiningen, gemeente Reimerswaal,

10. [eiser sub 10],

wonende te Nieuw- en Sint Joosland, gemeente Middelburg,

11. [eiser sub 11],

wonende te Middelburg,

12. [eiser sub 12],

wonende te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen,

13. [eiser sub 13],

wonende te Goes,

14. [eiser sub 14],

wonende te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen,

15. [eiser sub 15],

wonende te Middelburg,

eisers,

advocaat: mr. N.M. Slump te Middelburg,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING ORIONIS WALCHEREN,

gevestigd te Vlissingen,

gedaagde,

advocaat: mr. Th.H.P. van den Kieboom te Utrecht.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding d.d. 12 april 2013 met producties 1 tot en met 20a,

- het herstelexploot d.d. 15 april 2013,

- de bij brief d.d. 15 april 2013 van de zijde van eisers gevoegde producties 21 tot en met 25,

- de mondelinge behandeling op 16 april 2013,

- de pleitnota van eisers,

- de pleitnota van gedaagde.

2. De feiten

2.1. Gedaagde (hierna: Orionis) is op 1 januari 2012 ontstaan uit een fusie tussen de gemeenschappelijke regeling Sociale Dienst Walcheren en de gemeenschappelijke regeling Arbeidsintegratiebedrijf Walcheren (handelend onder de naam LétÉ). Orionis voert diverse sociale wetten en regelgevingen uit voor de gemeenten Middelburg, Veere en Vlissingen.

2.2. Het bestuur van Orionis heeft besloten om de per 1 januari 2012 nieuw gevormde organisatie te herstructureren. Met het oog op de mogelijke gevolgen die deze herstructurering kan hebben voor de medewerkers van de organisatie is op 10 oktober 2012 een Sociaal Statuut vastgesteld.

2.3. Eisers 1 en 2 zijn partij bij het Sociaal Statuut. Het Dagelijks Bestuur van Orionis vormt de andere bij het Sociaal Statuut betrokken partij.

2.4. Eisers 3 tot en met 15 zijn ambtenaren bij Orionis. Met uitzondering van eisers 7 en 10 zijn zij tevens lid van een van de vakbonden (eisers 1 of 2).

2.5. In het Sociaal Statuut is bepaald dat de plaatsing van alle werknemers geschiedt door het Dagelijks Bestuur van Orionis. Voorts is daarin bepaald dat ten behoeve van de plaatsing van werknemers een plaatsingscommissie wordt ingesteld, die het Dagelijks Bestuur adviseert over de (beoogde) plaatsing van alle werknemers.

2.6. Op 12 maart 2013 heeft ieder van eisers 3 tot en met 15 een voorgenomen plaatsingsbesluit ontvangen van het Dagelijks Bestuur van Orionis waarin zij voorlopig boventallig zijn verklaard. Tegen het voorgenomen besluit is een bedenkingenprocedure opengesteld.

2.7. Eisers 3 tot en met 15 hebben hun bedenkingen tegen de voorgenomen plaatsingsbesluiten naar voren gebracht, inhoudende dat Orionis het Sociaal Statuut in de aanloop naar het voorgenomen (niet) plaatsingsbesluit op meerdere onderdelen niet heeft nageleefd. Zij hebben het Dagelijks Bestuur van Orionis verzocht om de plaatsingsprocedure over te doen.

2.8. Het Dagelijks Bestuur van Orionis is voornemens op 26 april 2013 aan alle medewerkers schriftelijk mededeling te doen van de definitieve besluiten tot (niet) plaatsing. Tegen dit besluit staat bezwaar open en kan beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter.

2.9. De Bijzondere Ondernemingsraad (BOR) van Orionis heeft een beroepsprocedure aanhangig gemaakt bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam omdat ook zij van oordeel is dat Orionis het Sociaal Statuut niet heeft nageleefd. Haar beroep wordt ter zitting van 2 mei a.s. behandeld.

3. Het geschil

3.1. Eisers vorderen, na wijziging eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. Orionis te veroordelen tot nakoming van haar verplichtingen zoals opgenomen in het Sociaal Statuut;

b. Orionis (in dat kader) te verbieden uitvoering te geven aan hetgeen tot nog toe in strijd met de inhoud en strekking van het Sociaal Statuut tot stand is gebracht en met name Orionis te verbieden voor of op of na 26 april 2013 de definitieve besluiten tot (niet) plaatsing aan werknemers te berichten, zoals bedoeld in art. 15:1:10a:13 van het Sociaal Statuur, totdat aan hetgeen onder c, en/of d, en/of e is gevorderd zal zijn voldaan en Orionis te gebieden om dergelijke eventueel reeds genomen besluiten tot (niet) plaatsing onmiddellijk te herroepen;

c. Orionis te gebieden een geheel nieuwe onafhankelijke plaatsingscommissie inclusief een nieuwe secretaris in te stellen, zoals bedoeld in art. 15:1:10a:11;

d. Orionis - ook als c. niet zou worden toegewezen - te gebieden aan alle medewerkers te laten weten dat de tot nu toe opgestelde Concept Adviezen en voornemens tot (niet) plaatsing als niet geschreven moeten worden beschouwd en hen mede te delen dat vanaf artikel 15:1:10a:12, met inachtneming van alle bepalingen uit het Sociaal Statuut alle stappen opnieuw zullen worden gezet met inachtneming van het uitgangspunt dat alle informatie waarover de Plaatsingscommissie beschikt - zowel mondeling als schriftelijk - in gelijke mate beschikbaar zal zijn voor de betrokken medewerkers;

e. Orionis te gebieden alle stappen uit het Sociaal Statuut ook daadwerkelijk opnieuw in te zetten;

f. Orionis te verbieden om aan [dhr. A.] enige gelegenheid te geven tot beïnvloeding van het Plaatsingsproces, althans Orionis te gebieden alle (indirecte) contacten tussen hem en de Plaatsingscommissie uit te sluiten;

g. Orionis hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een dwangsom van

€ 1.000.000,00 in het geval dat Orionis niet voldoet aan het gevorderde onder a,

en/of b, en/of c, en/of d, en/of e, en/of f, althans een dwangsom van € 500,00 per

werknemer per dag of gedeelte van die dag, indien Orionis na betekening in gebreke

blijft aan haar verplichtingen te voldoen;

h. aan ieder van eisers 1 en 2 wegens reputatieschade een voorschot toe te kennen ad

€ 5.000,00;

i. Orionis te veroordelen in de (volledige) kosten van deze procedure.

3.2. De vorderingen van eisers zijn gebaseerd op de stelling dat (het Dagelijks Bestuur van) Orionis het Sociaal Statuut niet heeft nageleefd en strekken er in hoofdzaak toe Orionis te veroordelen de thans lopende plaatsingsprocedure opnieuw te doorlopen. Eisers hebben ter onderbouwing van de stelling dat in strijd met het Sociaal Statuut is gehandeld onder meer aangevoerd dat de algemeen directeur a.i. van Orionis, [dhr. A.], tegen alle toezeggingen van het Dagelijks Bestuur in een prominente rol heeft gespeeld in de plaatsingsprocedure en dat hij bij zijn plaatsingsvoorstellen, die voor 98% door de plaatsingscommissie zijn overgenomen, criteria heeft gehanteerd die niet zijn overeengekomen in het Sociaal Statuut. Verder valt het grote aantal voorgenomen besluiten waarbij mensen boventallig zijn verklaard, 52, niet te rijmen met het uitgangspunt van het Sociaal Statuut dat er zo min mogelijk gedwongen ontslagen zullen vallen. Zeker niet als dit wordt afgezet tegen het feit dat 36 vacatures zijn opengesteld om te solliciteren.

De grondslag van de vordering van eisers is tweeledig. Eisers 1 en 2 (voor eisers die tevens lid zijn van een van de vakbonden geldt dit indirect) leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat Orionis jegens hen toerekenbaar tekort schiet in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst (het Sociaal Statuut). Eisers 3 tot en met 15 leggen aan de vorderingen (mede) ten grondslag dat sprake is van een onrechtmatig handelen jegens hen. Eisers stellen een spoedeisend belang te hebben bij hun vorderingen nu eerst tegen het definitieve plaatsingsbesluit voor eisers 3 tot en met 15 bestuursrechtelijke rechtsmiddelen openstaan. Van groter belang is echter dat met het definitief worden van de plaatsingsbesluiten niet meer kan worden afgedwongen, zoals eisers voor ogen staat, dat de gehele plaatsingsprocedure en daarmee de hele reorganisatie wordt overgedaan. Ambtenaren die definitief boventallig worden verklaard, kunnen immers uitsluitend bezwaar en beroep instellen tegen de besluiten die henzelf aangaan. Zij kunnen geen bezwaar en beroep instellen tegen besluiten tot plaatsing van een collega. Een eenmaal geplaatste medewerker kan door een bezwaarprocedure derhalve niet meer van zijn functie gehaald worden.

3.3. Orionis voert verweer. Dit verweer strekt er primair toe dat de voorzieningenrechter niet bevoegd is om kennis te nemen van het onderhavige geschil en dat eisers niet ontvankelijk zijn in hun vorderingen. In dat verband stelt Orionis dat het Sociaal Statuut dat door eisers aan hun vordering ten grondslag wordt gelegd niet kan worden aangemerkt als een overeenkomst naar burgerlijk recht, maar publiekrechtelijk van aard is en dat de vordering van eisers dus geen toegang geeft tot de civiele kort gedingrechter. Daarnaast stelt Orionis zich op het standpunt dat er voor eisers een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke spoedprocedure openstaat: de voorlopige voorziening bij de sector bestuursrecht conform artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Door gebruikmaking van deze rechtsingang kunnen eisers (mogelijk) hetzelfde doel bereiken als dat ze met onderhavige procedure voor ogen hebben. In dat verband betwist Orionis dat eisers met lege handen zullen staan als zij bezwaar indienen tegen hun “eigen” niet-plaatsingsbesluit en anderen die een plaatsingsbesluit ontvangen daar niet voor kiezen. Uit jurisprudentie blijkt immers dat de plaatsingsregels die zijn neergelegd in het Sociaal Statuut bepalend zijn voor de vraag welke persoon geplaatst moet worden. Een eventueel onherroepelijk geworden besluit jegens een andere betrokkene doet daar niets aan af. Inhoudelijk betwist Orionis dat zij het Sociaal Statuut niet zou hebben nageleefd of dat er onoorbaar en daardoor onrechtmatig zou zijn gehandeld. Een dergelijke interpretatie aan de zijde van eisers is onjuist en wordt niet gestaafd door feiten of omstandigheden. In dat licht betwist Orionis ook dat er sprake is, of kan zijn van reputatieschade aan de zijde van eisers 1 en 2. Zij zijn op geen enkele wijze benadeeld.

4. De beoordeling

4.1. Eisers hebben aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat Orionis (lees: het Dagelijks Bestuur) jegens hen toerekenbaar tekort schiet in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst (het Sociaal Statuut) danwel jegens hen onrechtmatig handelt. Daarmee is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter, in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding, gegeven.

4.2. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of eisers in hun vorderingen kunnen worden ontvangen. De voorzieningenrechter stelt in dit verband voorop dat de kort gedingrechter fungeert als restrechter in alle zaken met een spoedeisend karakter. De aanwijzing van een andere bevoegde rechter of van een speciale rechtsgang maakt de kort gedingrechter in beginsel niet onbevoegd. De eiser wordt door de kort gedingrechter echter niet ontvankelijk verklaard in zijn vordering wanneer de aangewezen rechter of rechtsgang voldoende rechtsbescherming biedt. Hiertoe wordt vereist dat in spoedeisende gevallen een met voldoende waarborgen omklede snelle rechtsgang openstaat waarin eiser een met het kort geding vergelijkbaar resultaat kan bereiken.

4.3. Tegen het definitieve plaatsingsbesluit staat voor eisers 3 tot en met 15 als direct belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 Awb bezwaar open. Hangende de bezwaarprocedure bestaat voor hen de mogelijkheid om bij de bestuursrechter een voorlopige voorziening te vragen tot schorsing van het besluit (artikel 8:81 Awb).

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat daarmee voor eisers 3 tot en met 15 een met voldoende waarborgen omklede snelle rechtsgang tegen het plaatsingsbesluit van Orionis open. In dat verband wordt overwogen dat het definitieve (niet) plaatsingsbesluit al op 26 april 2013 aan eisers 3 tot en met 15 zal worden uitgereikt. Gelet hierop valt niet in te zien dat de in dit geval aangewezen rechtsgang (bestuursrechter) niet kan worden afgewacht, te meer nu deze rechtsgang ook een met onderhavige procedure vergelijkbare spoedprocedure kent. Uit het betoog van eisers begrijpt de voorzieningenrechter evenwel dat zij vrezen dat met het definitief worden van de plaatsingsbesluiten niet meer kan worden bewerkstelligd dat de gehele plaatsingsprocedure wordt overgedaan. De in dat verband door eisers ingenomen stelling dat eisers 3 tot en met 15 geen bezwaar en beroep kunnen instellen tegen besluiten tot plaatsing van een collega kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter echter niet als juist worden aanvaard. Uit de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt immers dat een rechtstreeks belang, onder daartoe door de betrokkene te stellen omstandigheden, ook wordt aangenomen indien wordt opgekomen tegen het plaatsingsbesluit van een collega. Zo kan bezwaar worden gemaakt of beroep worden ingesteld tegen een plaatsingsbesluit van een ander indien en voor zover dat besluit geacht moet worden ten aanzien van de betrokkene een afwijzing of weigering te behelzen. Verder is op grond van de door Orionis aangehaalde jurisprudentie aannemelijk dat in het kader van de bestuursrechtelijke beoordeling de plaatsingsregels die zijn neergelegd in het Sociaal Statuut bepalend zijn voor de vraag welke persoon geplaatst moet worden en dat een eventueel onherroepelijk geworden besluit jegens een andere betrokkene aan die beoordeling niets afdoet. Ook in die zin hebben eisers derhalve niet aannemelijk weten te maken dat de in dit geval aangewezen rechtsgang (bestuursrechter) niet kan worden afgewacht. Conclusie moet daarom zijn dat de voorzieningenrechter in dit geval niet als restrechter kan dienen, zodat eisers 3 tot en met 15 niet in hun vorderingen kunnen worden ontvangen.

4.4. Voor eisers sub 1 en 2 ligt dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter anders. Nu het besluit van Orionis zich niet richt tot eisers sub 1 en 2, zullen zij niet als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Awb worden aangemerkt. Zij hebben dan ook geen rechtstreekse toegang tot de bestuursrechter. Eisers 1 en 2 zijn derhalve ontvankelijk in hun vorderingen.

4.5. Indien juist zou zijn dat de algemeen directeur a.i. in strijd met toezeggingen dat dat niet het geval zou zijn al bij de totstandkoming van de plaatsingsadviezen een prominente rol zou hebben gespeeld zou dat, mede in het licht van de omstandigheid dat omtrent die rol geheimhouding is betracht, in strijd kunnen zijn met hetgeen is neergelegd in het Sociaal Statuut. Orionis betwist deels echter hetgeen door eisers dienaangaande is gesteld. Toewijzing van de vorderingen van eisers 1 en 2, die er feitelijk toe strekken dat de gehele plaatsingsprocedure wordt overgedaan, zou bovendien de door de bestuursrechter ten aanzien van eisers sub 3 tot en met 15 individueel te nemen beslissingen op een onaanvaardbare wijze kunnen doorkruisen. Overwogen wordt voorts dat in de hele reorganisatie bij Orionis 160 medewerkers zijn betrokken. Toewijzing van de vordering van eisers zou betekenen dat de gehele plaatsingsprocedure en daarmee de hele reorganisatie zal moeten worden overgedaan. Het is maar de vraag of het daarbij door eisers gestelde belang opweegt tegen de consequenties die dit (ongewild) voor alle medewerkers van Orionis met zich zal meebrengen. Ten slotte is van belang dat tevens een naar zijn strekking soortgelijke voorziening is gevraagd bij de Ondernemingskamer. Gelet op een en ander zullen de door eisers 1 en 2 onder a tot en met g gevraagde voorzieningen dan ook worden geweigerd.

Voor het toekennen van een voorschot ter zake van reputatieschade ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding. De vakbonden hebben in het geschil met Orionis de belangen van hun daarbij betrokken leden met verve verdedigd en niet valt in te zien dat hun reputatie schade heeft geleden. Zij hebben dan ook niet aannemelijk weten te maken dat de door hen gestelde schade ook daadwerkelijk is geleden.

4.6. Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Orionis worden begroot op:

- vast recht € 589,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.405,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1. verklaart eisers 3 tot en met 15 niet-ontvankelijk in hun vorderingen,

5.2. weigert ten aanzien van eisers 1 en 2 de gevraagde voorzieningen,

5.3. veroordeelt eisers in de kosten van deze procedure aan de zijde van Orionis begroot op € 1.405,00,

5.4. verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2013.?