Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ8139

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-04-2013
Datum publicatie
22-04-2013
Zaaknummer
02-800352-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt verdachte voor bedreiging en poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank spreekt verdachte vrij van een feit, omdat verdachte voor het verhoor bij de politie niet gewezen is op zijn recht om een advocaat te raadplegen. Leidt tot bewijsuitsluiting van de bekennende verklaring van verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/800352-12

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 april 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. Den Ouden, advocaat te Goirle

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 april 2013. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie,

mr. Huizenga, en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 4 april 2012 [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd;

feit 2: op 16 januari 2012 heeft geprobeerd om [slachtoffer3] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel dat hij [slachtoffer3] heeft mishandeld;

feit 3: op 28 februari 2012 wederrechtelijk een woning is binnengedrongen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de bedreiging van zijn ouders (feit 1) en baseert zich daarbij op de aangifte door [slachtoffer 1], de verklaring van [slachtoffer 2] en de deels bekennende verklaring van verdachte bij de politie. De officier van justitie verzoekt de rechtbank om verdachte vrij te spreken van het op tafel leggen van een mes in de richting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Ook de poging tot zware mishandeling zoals primair onder feit 2 ten laste is gelegd, acht de officier van justitie bewezen op grond van de aangifte door [slachtoffer 3], de verklaring van [getuige 1] en de verklaringen van verdachte bij de politie en de rechter-commissaris. Ten slotte acht zij feit 3 ook bewezen op grond van de aangifte door [naam aangever], de brief van Traverse aan verdachte waarin staat dat hij zich niet mag ophouden bij Traverse en de verklaring van verdachte bij de politie.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van feit 1 kan komen, omdat de bedreiging gericht was op publieke instellingen, zoals gemeenten, en niet op de ouders van verdachte. Nu deze instellingen geen aangifte hebben gedaan en hen niet ter ore is gekomen dat zij bedreigd waren, dient verdachte vrijgesproken te worden. Ook dient verdachte van feit 2 primair te worden vrijgesproken, omdat verdachte met het handvat/de rug van de schroevendraaier heeft gestoten in plaats van met de punt van de schroevendraaier. De verbalisanten kunnen de verklaring van verdachte over het gebruik van de schroevendraaier verkeerd in het proces-verbaal van verhoor hebben weergegeven. Daarnaast was er sprake van gering letsel bij het slachtoffer. Ten aanzien van het onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. De verdediging is ten slotte van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 3, omdat de door verdachte bij de politie afgelegde verklaring moet worden uitgesloten van het bewijs en het tenlastegelegde daardoor niet bewezen kan worden.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Op 4 april 2012 waren aangeefster [slachtoffer 1] en haar echtgenoot [slachtoffer 2] in hun woning te Oisterwijk . (verdachte) was ook aanwezig. Tijdens het eten begon verdachte verwijten te maken naar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Verdachte zei onder meer dat zij de reden zijn dat hij in de problemen zit en dakloos is. Verdachte zei vervolgens: ‘Ik reken nog wel af met de mensen die mij dit aangedaan hebben’. [slachtoffer 1] zag dat verdachte een gebaar maakte wat gekenmerkt wordt als het doorsnijden van de keel. [slachtoffer 1] zag dat verdachte dit gebaar naar hen maakte met zijn vlakke rechterhand van links, onder zijn linkeroor, naar rechts, onder zijn rechteroor, ter hoogte van zijn keel. [slachtoffer 1] voelde zich hierdoor bedreigd. Verdachte is volgens aangeefster in het bezit van een mes en hij heeft dit mes bij een beroving gebruikt, zodat hij in staat is om het mes te gebruiken. [slachtoffer 2] verklaart dat hij verdachte hoorde zeggen dat hij de mensen die hem tegen zouden werken de keel zou doorsnijden. Toen verdachte dat zei, zag [slachtoffer 2] dat verdachte met zijn rechterhand een snijdende beweging over zijn keel maakte. Verdachte kwam op dat moment agressief over. Met mensen die verdachte tegenwerken, bedoelt hij ook [slachtoffer 1] en hemzelf.

De rechtbank acht op grond van bovenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de bedreiging van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door opzettelijk dreigend met zijn hand een snijbeweging langs de keel te maken. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de bewijsmiddelen dat de agressie op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gericht was. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. De ten laste gelegde handeling door verdachte is naar het oordeel van de rechtbank in het algemeen geëigend om een dergelijke vrees op te wekken. Voorts zijn de omstandigheden waaronder die woorden zijn geuit, dusdanig dat bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] die vrees ook redelijkerwijs kon ontstaan.

De rechtbank zal verdachte vanwege het gebrek aan voldoende wettig bewijs vrijspreken van het op tafel leggen van een mes dat vervolgens in de richting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zou zijn gelegd, omdat uit het onderzoek ter zitting gebleken is dat alleen [slachtoffer 1] hierover verklaart en verdachte dit ontkent.

Feit 2

Op 16 januari 2012 stond aangever [slachtoffer3] in de tuin van het pand aan de (adres) te Tilburg. Aangever was samen met [getuige 1] en [slachtoffer 2]. Aangever zag dat verdachte ineens een schroevendraaier pakte en hem met kracht met de schroevendraaier tegen de borst stak. Aangever voelde een harde klap en pijn. De schroevendraaier is afgeketst tegen een touwtje met kraaltjes. Als gevolg van het handelen van verdachte heeft aangever een rood plekje op zijn borst. [getuige 1] zag dat verdachte uit het niets een schroevendraaier uit zijn jas pakte en dat hij aangever hiermee op de borst stak.

Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij met de schroevendraaier heeft uitgehaald naar [slachtoffer 3] en op de vraag waar hij [slachtoffer 3] heeft geraakt heeft verdachte het over “steken”. De bekentenis van verdachte bij de rechter - commissaris dat het klopt wat op de vordering inbewaringstelling staat begrijpt de rechtbank dan ook zo dat verdachte bekent dat hij aangever met een schroevendraaier tegen de borst heeft gestoken.

De rechtbank volgt op grond van deze verklaringen dan ook niet het door de raadsman ter zitting gevoerde betoog dat verdachte alleen met het handvat van de schroevendraaier op de borst van [slachtoffer 3] heeft “gestoten” en dat van “steken” met een schroevendraaier geen sprake is.

De vraag die zich vervolgens aandient is of het steken tegen de borst met een schroevendraaier op de wijze waarop verdachte dat heeft gedaan een poging zware mishandeling is of dat sprake is van een mishandeling.

Het in boosheid onverhoeds en op snelle wijze met een schroevendraaier uithalen en vervolgens steken tegen iemands borst roept de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel in het leven. Verdachte moet ook hebben beseft dat hij, door zo te handelen, het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou kunnen toebrengen. Dat dit gevolg niet is ingetreden en er geen ernstig letsel is ontstaan, is uitsluitend te danken aan omstandigheden buiten de wil van verdachte, namelijk dat de schroevendraaier op iets afketste.

De rechtbank is daarom, anders dan de raadsman, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 3] door [slachtoffer 3] met een schroevendraaier in/tegen de borst te steken, zoals primair ten laste is gelegd.

Feit 3

De verdediging heeft aangevoerd dat de op 28 februari 2012 om 19.29 uur door verdachte afgelegde verklaring bij de politie dient te worden uitgesloten van het bewijs.

Verdachte is op diezelfde dag aangehouden en om 18.06 uur gehoord ter zake poging tot zware mishandeling. Voorafgaande aan dit verhoor heeft hij contact gehad met zijn raadsman. Op dat moment was noch verdachte, noch de raadsman bekend dat hij ook verdacht werd van het plegen van huisvredebreuk. Vervolgens is verdachte op 28 februari 2012 om 19.29 uur verhoord ter zake van de huisvredebreuk. Voorafgaande aan dit verhoor is verdachte ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld een advocaat te raadplegen, noch is hij gewezen op zijn consultatierecht, aldus de raadsman. Bovendien blijkt niet dat hij van dit recht afstand heeft gedaan. Verder is aangevoerd dat verdachte, indien de rechtbank voornoemd verweer niet verwerpt, vrijgesproken dient te worden, omdat uit de andere bewijsmiddelen niet blijkt dat verdachte wist dat hij een huisverbod had.

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat de door verdachte op 28 februari 2012 om 19.29 uur afgelegde verklaring van de verdachte dient te worden uitgesloten van het bewijs.

Verdachte is op 28 februari 2012 om 15.45 uur aangehouden op verdenking van een poging tot zware mishandeling. Verdachte is vervolgens voorgeleid aan de hulpofficier van justitie waarbij hij is gewezen op zijn recht op consultatiebijstand door een advocaat voor de aanvang van het verhoor door de politie. Verdachte heeft omstreeks 17.30 uur contact gehad met zijn raadsman voorafgaand aan zijn verhoor op 28 februari 2012 om 18.06 uur. Verdachte is tijdens dit verhoor ondervraagd over de verdenking dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan een poging tot zware mishandeling.

Verdachte is vervolgens opnieuw verhoord op 28 februari 2012 om 19.29 uur, omdat diezelfde dag aangifte van huisvredebreuk was gedaan. Uit het onderzoek ter zitting is de rechtbank niet gebleken dat verdachte met betrekking tot deze andere verdenking dan de verdenking waarvoor hij was aangehouden op 28 februari 2012, overleg heeft gehad met zijn raadsman of daartoe ten minste in de gelegenheid is gesteld.

Gelet op de rechtspraak van het EHRM in de zaak Salduz tegen Turkije, 27 november 2008, NJ 2009, 214 en de daarop gebaseerde rechtspraak van de Hoge Raad en met inachtneming van de Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor van 16 maart 2010 (2010A007), Stc. 2010, 4003 en in werking getreden op 1 april 2010, p. 4 (Nieuwe verdenking tijdens verhoor) waarin expliciet wordt vermeld dat indien een nieuwe verdenking ontstaat die niet verband houdt met het feit waarvoor een verdachte is aangehouden en verhoord, hij opnieuw op zijn consultatierecht dient te worden gewezen, had verdachte naar het oordeel van de rechtbank moeten worden geïnformeerd over zijn recht om opnieuw zijn raadsman te raadplegen met betrekking tot deze nog niet met zijn raadsman besproken verdenking, alvorens te worden verhoord door de politie op 28 februari 2012 om 19.29 uur.

De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of het tenlastegelegde wettig en overtuigend te bewijzen is.

De rechtbank overweegt dat, nu de verklaring van verdachte van bewijs is uitgesloten, enkel de verklaringen van aangeefster [naam aangever] en getuige [getuige 2] resteren. Op grond van deze verklaringen kan vastgesteld worden dat verdachte op 28 februari 2012 bij Traverse in de kamer van [naam] is geweest. Ook kan op basis van deze verklaringen worden vastgesteld dat verdachte een ontzegging had om in de gebouwen van Traverse aanwezig te zijn. De rechtbank stelt vast dat er weliswaar een aan verdachte gerichte brief in het dossier zit waarin staat dat verdachte een ontzegging heeft, maar uit voornoemde verklaringen kan niet worden vastgesteld dat verdachte deze brief ontvangen heeft, zodat vervolgens niet vastgesteld kan worden dat verdachte wetenschap van deze ontzegging had op het moment dat hij op 28 februari 2012 het pand van Traverse betrad. Gelet hierop kan niet bewezen worden dat verdachte zich wederrechtelijk in het gebouw van Traverse heeft bevonden, zodat de rechtbank verdachte van het onder 3 tenlastegelegde zal vrijspreken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 04 april 2012 te Oisterwijk [slachtoffer 1] en (haar echtgenoot) [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met zijn hand een snijbeweging langs de keel gemaakt (ten overstaan van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]);

2.

(primair)

op 16 januari 2012 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer3], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een schroevendraaier, die [slachtoffer 3] in/tegen diens borst, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 150 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 104 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van

2 jaren. Bij de bepaling van de eis heeft zij in het nadeel van verdachte rekening gehouden met het feit dat verdachte recentelijk is veroordeeld, dat hij geen spijt van zijn daden heeft en dat hij de verantwoordelijkheid buiten zichzelf legt. In het voordeel van verdachte heeft zij rekening gehouden met de omstandigheid dat het oude feiten betreffen. Ten slotte heeft de officier van justitie aansluiting gezocht bij de richtlijnen die door het Openbaar Ministerie gebruikt worden.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank aan verdachte, indien zij tot een strafoplegging komt, een gevangenisstraf die gelijk is aan het voorarrest op te leggen. Met verdachte gaat het nu op alle gebieden goed en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf doorkruist deze ontwikkeling.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn ouders door met zijn hand een snijbeweging langs de keel te maken. De rechtbank tilt zwaar aan dit feit, zeker nu dit feit is begaan tegen zijn ouders. Verdachte heeft door de geuite bedreigende woorden de persoonlijke integriteit van de slachtoffers geschaad en hun gevoel voor veiligheid aangetast. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 3] door hem met een schroevendraaier in/tegen de borst te steken. De rechtbank vindt dit een zeer ernstig feit, temeer nu het steken met de schroevendraaier onverhoeds en zonder enige aanleiding gebeurde. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke geweldsmisdrijven hiervan ernstige en langdurige psychische gevolgen kunnen ondervinden, terwijl ook de in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid door dergelijke misdrijven worden bevestigd en versterkt. Verdachte is bij het plegen van dit misdrijf kennelijk geheel aan deze gevolgen voorbij gegaan.

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening gehouden met het feit dat hij recentelijk niet voor soortgelijke feiten veroordeeld is. Ten slotte heeft zij rekening gehouden met de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd alsmede met de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is gepleegd.

De rechtbank acht het, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, noodzakelijk verdachte een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de door de officier van justitie gevorderde straf. Nu verdachte wordt vrijgesproken van feit 3, terwijl de officier van justitie is uitgegaan van een bewezenverklaring van dat feit, wordt een zwaardere straf opgelegd dan is gevorderd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen met aftrek van voorarrest noodzakelijk is. De rechtbank stelt het voorarrest vast op

46 dagen. De rechtbank ziet, gelet op de ernst van de feiten, geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet zij aanleiding een deel daarvan, te weten 104 dagen voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding door Novadic-Kentron mogelijk, ook als dat inhoudt dat verdachte dient mee te werken aan een psychologisch onderzoek en het ondergaan van een ambulante behandeling bij GGZ Breburg of een soortgelijke instelling als dat uit het psychologisch rapport noodzakelijk mocht blijken.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 45, 63, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 3 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

feit 2: Poging tot zware mishandeling;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 150 dagen, waarvan 104 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht niet ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Novadic-Kentron, ook als dat inhoudt meewerken aan een psychologisch onderzoek en het ondergaan van een ambulante behandeling bij GGZ Breburg of een soortgelijke instelling als dat uit het psychologisch rapport noodzakelijk mocht blijken;

- geeft Novadic-Kentron opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarde(n) en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- dat verdachte zich binnen drie dagen nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden, zal melden bij deze reclasseringsinstelling;

- bepaalt dat als algemene voorwaarde wordt toegevoegd:

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken daaronder begrepen;

Voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. Kooijman, voorzitter, mr. Volkers en mr. Froger, rechters, in tegenwoordigheid van Vermaat, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op

18 april 2013.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 04 april 2012 te Oisterwijk [slachtoffer 1] en/of

(haar echtgenoot/partner) [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het

leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte

opzettelijk dreigend een mes op tafel gelegd in de richting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of (vervolgens) met zijn hand(en) een snijbeweging

langs de keel gemaakt (in de richting / ten overstaan van die [slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2]);

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 16 januari 2012 te Tilburg ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 3], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat

opzet met een schroevendraaier, althans een scherp en/of puntig voorwerp die

[slachtoffer 3] in/tegen diens borst, althans bovenlichaam heeft

gestoken/gestoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 januari 2012 te Tilburg opzettelijk mishandelend een

persoon (te weten [slachtoffer3]), met een schroevendraaier,

althans een scherp en/of puntig voorwerp in/tegen diens borst, althans het

bovenlichaam heeft gestoken/gestoten, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of

pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 28 februari 2012 te Tilburg wederrechtelijk is

binnengedrongen in een woning gelegen aan de [adres], slaapkamer

(nr.) en in gebruik bij Traverse en/of [naam], althans bij een ander of

anderen dan bij verdachte;

art 138 lid 1 Wetboek van Strafrecht