Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ8133

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
22-04-2013
Zaaknummer
261911 FT RK 13-542
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Insolventie

zaaknummer / rekestnummer: 261911 FT RK 13-542

vonnis van 17 april 2013

in de zaak van:

Petrus Adrianus Marinus Everardus Brekelmans,

wonende te Tilburg,

opposant,

verder te noemen “Brekelmans”,

advocaat: mr. T.C.J.A. van de Laak,

tegen:

De besloten vennootschap

JJ Shoes B.V.,

gevestigd te Waalwijk,

geopposeerde,

verder te noemen “JJ Shoes”,

curator : mr. L.Y. Pawlikowski.

1. Het verloop van de procedure.

Dit blijkt uit de navolgende stukken:

- het vonnis van deze rechtbank van 2 april 2013 en alle daarin genoemde stukken, waarbij JJ Shoes op eigen aangifte in staat van faillissement is verklaard;

- het verzetrekest gedateerd 9 april 2013, ingekomen ter griffie op 10 april 2013;

- de beschikking dagbepaling d.d. 10 april 2013;

- de brief van mr. L.Y. Pawlikowski d.d. 12 april 2013, met als bijlage het eerste faillissementsverslag, gedateerd 12 april 2013;

- de brief van mr. L.Y. Pawlikowski d.d. 15 april 2013, met als bijlage de staat van baten en schulden in het faillissement van JJ Shoes;

- de pleitnota van mr. J.P.A. Hoogstad, wnd.-advocaat van Brekelmans, overgelegd ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het verzoek op 16 april 2013;

- het proces-verbaal van de op 16 april 2013 gehouden behandeling van het verzoek.

2. Het verzoek.

Dit strekt ertoe voormeld vonnis, waarbij JJ Shoes in staat van faillissement is verklaard, te vernietigen.

3. De beoordeling.

Brekelmans is tijdig in verzet gekomen, zodat hij in dat verzet ontvankelijk is.

In het verzoekschrift en ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft Brekelmans gesteld dat sprake is van misbruik van faillissementsrecht in die zin dat het faillissement van JJ Shoes hoofdzakelijk is aangevraagd om onrechtmatig te profiteren van de verminderde arbeidsrechtelijke bescherming die de wet in een faillissementssituatie geeft door via de weg van een faillissement te komen tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst van Brekelmans met JJ Shoes, nu JJ Shoes er niet in is geslaagd via het UWV een ontslagvergunning voor Brekelmans te verkrijgen. Brekelmans heeft daartoe aangevoerd dat JJ Shoes reeds drie dagen na het uitspreken van het faillissement bij monde van haar bestuurder Van der Putten in het schoenenvakblad “Tred” heeft aangekondigd dat zij een doorstart zal maken. Brekelmans heeft verklaard ervan overtuigd te zijn dat een doorstart met een kleiner en goedkoper personeelsbestand van begin af aan het plan van de bestuurders van JJ Shoes is geweest. Ter staving van deze stelling heeft Brekelmans aangevoerd dat JJ Shoes na de uitspraak van het faillissement op de normale voet is doorgegaan met het posten van reclameacties op haar facebookpagina, dat via de website nog steeds schoenen te koop zijn en dat bestuurder Van der Putten de activiteiten van JJ Shoes nog immer voortzet, onder meer door cliënten van JJ Shoes in het buitenland te bezoeken.

De heer J.N.M. van Weerdenburg, gemachtigde van JJ Shoes, hierna te noemen “Van Weerdenburg”, heeft ter zitting verklaard dat 2012 voor JJ Shoes een uitzonderlijk slecht jaar is geweest waarin de vennootschap een verlies van Euro 650.000,-- heeft geleden. Tijdens de voorbereiding van het voorjaarsseizoen 2013 is in overleg met de meerderheidsaandeelhouder G.N. van der Tang vastgesteld dat de financiële situatie van JJ Shoes dermate precair was dat ingrijpende reorganisatie noodzakelijk zou zijn en dat de vennootschap zonder nieuwe investeerders niet langer levensvatbaar was. In dit verband is bij UWV een ontslagvergunning aangevraagd voor vijf personeelsleden, waaronder Brekelmans. UWV heeft de ontslagvergunning voor Brekelmans geweigerd op grond van het afspiegelingsbeginsel. Voor de overige vier personeelsleden is wel ontslagvergunning verleend. JJ Shoes is vervolgens op zoek gegaan naar nieuwe investeerders doch is daarin tot op heden niet geslaagd. Toen JJ Shoes niet meer over de middelen beschikte om de salarissen van het personeel over de maand maart 2013 te betalen is besloten tot het aanvragen van het faillissement van de vennootschap.

De curator heeft ter zitting verklaard dat er nog geen concreet zicht op een doorstart bestaat. Met betrekking tot de financiële situatie van JJ Shoes heeft de curator verklaard dat de liquiditeitspositie van JJ Shoes zodanig was dat een faillissement onvermijdelijk was. De curator heeft meegedeeld dat er schulden zijn aan handelscrediteuren van ruim Euro 450.000,-- en dat daarnaast sprake is van aanzienlijke schulden in rekening-courant alsmede van een bankschuld. De curator heeft hieraan toegevoegd dat het door de bank verstrekte basiskrediet per augustus 2012 is vervallen en dat de bank in november 2012 haar zorg heeft uitgesproken en JJ Shoes heeft ondergebracht bij de afdeling Bijzonder Beheer. Weliswaar is sprake van activa bij een firma in Portugal doch deze firma heeft tevens een vordering op JJ Shoes van Euro 70.000,-- en houdt in dit verband de activa onder zich. De curator heeft vastgesteld dat de dekkingsgraad van de debiteuren beperkt is. Het is de curator bekend dat de heer Van der Putten, bestuurder van JJ Shoes voornemens is een doorstart te effectueren en dat in dat kader het in de lucht houden van de website van essentieel belang is, doch de curator heeft zich nadrukkelijk op het standpunt gesteld dat doorwerken in JJ Shoes niet toelaatbaar is. De curator heeft tot slot verklaard dat zij op 17 april 2013 een bespreking heeft met de heer Van der Putten over een eventuele doorstart en heeft daaraan toegevoegd dat G.N. van der Tang te kennen heeft gegeven niets met een doorstart te maken te willen hebben.

De rechtbank stelt voorop dat vast staat dat sprake is van misbruik van faillissementsrecht indien de faillissementsaanvrage uitsluitend of hoofdzakelijk is geschied teneinde daarmede de arbeidsrechtelijke bescherming van de werknemers te omzeilen. De rechtbank stelt vast dat in het onderhavige geval uit de bijlagen bij de eigen aangifte genoegzaam is gebleken dat JJ Shoes verkeerde in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Uit de overgelegde stukken en uit de verklaringen ter zitting is bovendien gebleken dat JJ Shoes heeft getracht het bedrijf te redden door middel van een reorganisatie en dat de bedrijfsvereniging daarin is meegegaan door ontslagvergunning te verlenen voor vier van de vijf personeelsleden voor wie ontslag was aangevraagd. Uit de overgelegde stukken blijkt voorts dat de weigering van de bedrijfsvereniging om voor Brekelmans ontslagvergunning te verlenen niet is ingegeven door redenen van bedrijfseconomische aard, doch dat deze weigering is gebaseerd op het afspiegelingsbeginsel. Uit de onbetwist gebleven verklaring van de curator met betrekking tot de financiële positie van JJ Shoes blijkt bovendien dat sprake was van aanzienlijke schulden aan de bank, aan handelscrediteuren en schulden in rekening-courant waarvoor geen middelen beschikbaar waren, dat JJ Shoes al in november 2012 is ondergebracht bij de afdeling Bijzonder Beheer van de bank en dat JJ Shoes bovendien niet meer in staat was de salarissen van haar werknemers te betalen. De rechtbank stelt tevens vast dat tot op heden geen sprake is van een doorstart van de onderneming. De rechtbank is derhalve onvoldoende gebleken dat het faillissement door Van den Broek zou zijn aangevraagd met als (enig) doel van de verplichtingen jegens werknemers, waaronder Brekelmans, af te komen.

Op grond van het vorenstaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard en dient het vonnis tot faillietverklaring te worden bekrachtigd.

4. De beslissing.

De rechtbank

verklaart het verzet tegen het vonnis van deze rechtbank van 2 april 2013 ongegrond en bekrachtigt dat vonnis.

Dit vonnis is gewezen door mr. Prenger-de Kwant in tegenwoordigheid van Leijten-Verhoeven als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 april 2013.