Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ7354

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
212723 FA RK 09-5345
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Artikelen: 6 EVRM, 165 Rv, 3 IVRK

Een partij aan wie in een procedure een bewijsopdracht is verleend heeft het recht door haar aangewezen personen als getuigen op te roepen. Het horen van een door die partij voorgestelde getuige mag door de rechter slechts worden geweigerd indien in de gegeven omstandigheden de goede procesorde in verband met de bij die beslissing betrokken belangen dat eist. Tot die belangen behoren onder meer het zwaarwegende maatschappelijke belang van waarheidsvinding in rechte en het belang van de door de betrokken partij als getuige voorgestelde persoon niet ernstig in zijn/haar gezondheid te worden geschaad door het afleggen van een getuigenverklaring.

In het Verdrag inzake de rechten van het kind en de Preambule bij dit Verdrag is tot uitdrukking gebracht dat het kind op grond van zijn lichamelijke en geestelijke onrijpheid bijzondere bescherming en zorg nodig heeft. Zo is bijvoorbeeld in artikel 3 lid 1 IVRK bepaald dat alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen. In lid 2 van dat artikel verbinden de verdragsluitende staten zich ertoe het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn/haar welzijn. De in internationale verdragen en verklaringen tot uitdrukking gebrachte beginselen brengen met zich mee dat de rechter het horen van een kind als getuige moet weigeren indien het in de eerste alinea vermelde belang van het kind daardoor zou worden geschonden; de rechtbank wijst hierbij ook op artikel 6 EVRM. In dat geval dient het belang van de betrokken partij bij waarheidsvinding door het horen van de voorgestelde getuige te wijken voor het belang van bescherming van (de gezondheid van) het kind. De weigering van een rechter op die grond om een getuige te horen behoort tevens niet in strijd met het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel te komen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 165
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2013/99 met annotatie van mr. dr. J.H. de Graaf
RFR 2013/89
EB 2013/70

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND- WEST-BRABANT

familierecht

Breda

Zaaknummer: 212723 FA RK 09-5345

beschikking in de zaak van

(naam),

wonende te (plaatsnaam),

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. E. Smit,

en

(naam),

wonende te (plaatsnaam),

hierna te noemen de man,

advocaat mr. J.W. Leseman.

1. Het verdere verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van deze rechtbank van 21 maart 2012 en alle daarin vermelde stukken,

- de op 24 april 2012 ontvangen brief van de advocaat van de man met bijlagen,

- de op 25 april 2012 ontvangen brief van de advocaat van de vrouw met bijlagen,

- de op 24 mei 2012 ontvangen brief van de advocaat van de man,

- de op 29 mei 2012 ontvangen brief van de advocaat van de vrouw met bijlagen,

- de brief van de griffier aan partijen van 29 juni 2012,

- de op 11 juli 2012 ontvangen brief van de advocaat van de man,

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 5 oktober 2012,

- de op 22 oktober 2012 ontvangen brief van de advocaat van de man,

- de op 23 oktober 2012 ontvangen brief van de advocaat van de vrouw,

- de op 23 oktober 2012 ontvangen brief van Bureau Jeugdzorg,

- de op 15 januari 2013 ontvangen brief van de advocaat van de man met bijlagen,

- de op 5 maart 2013 ontvangen brief van de advocaat van de vrouw met bijlagen

- de op 15 maart 2013 ontvangen brief van de advocaat van de man met bijlagen,

- de op 29 maart 2013 ontvangen brief van de advocaat van de vrouw met bijlagen.

2. De beoordeling

2.1 Bij beschikking van 21 maart 2012 is de man toegelaten tot bewijslevering van zijn stellingen:

a. dat de vrouw samenwoont met de heer (naam partner) als waren zij gehuwd;

b. dat de eigendom van de personenauto merk Porsche bij zijn vader berust;

2.2. Ter voldoening aan zijn bewijsopdracht heeft de man bij brief van 23 april 2012 (onder meer) bericht, dat hij ten aanzien van bewijsopdracht sub a bewijs wilde leveren door middel van het horen van getuigen, waaronder de minderjarige zoon van partijen, (naam zoon).

2.3. Bij brief van 24 mei 2012 heeft vrouw zich verzet tegen het horen van (zoon) als getuige. Een verhoor zou een onaanvaardbare belasting voor hem meebrengen, terwijl door diverse instanties is vastgesteld dat hij reeds nu al in een groot loyaliteitsconflict verkeert.

2.4. De griffier heeft vervolgens aan partijen bericht dat een getuigenverhoor zou worden bepaald voor het horen van de nog door de man op te geven getuigen en dat na afloop van het getuigenverhoor met partijen de noodzakelijkheid van het horen van (zoon) als getuige zou worden besproken.

2.5. Ter gelegenheid van het getuigenverhoor op 5 oktober 2012 zijn een viertal getuigen gehoord. Vervolgens is met partijen besproken of ook (zoon) als getuige zou dienen te verschijnen. De man handhaafde zijn verzoek en de vrouw bleef bij haar verzet. Gelet op de controverse achtte de rechtbank het van belang, dat de gezinsvoogd in deze informatie zou verstrekken.

2.6. Bij brief van 22 oktober 2012 heeft de gezinsvoogd onder meer het navolgende bericht:

“ Bureau Jeugdzorg acht het belastend voor (zoon) als hij als getuige in een kwestie tussen zijn ouders gehoord gaat worden. (Zoon) kampt met een loyaliteitsproblematiek en wordt ernstig belast in de scheidingsstrijd van zijn ouders. In het beantwoorden van vragen over de aanwezigheid van de vriend van moeder in het gezin bij moeder wordt hierin van hem gevraagd zich uit te spreken. We achten dat gezien zijn loyaliteitsproblemen tegen zijn belang.”

2.7. Tussen partijen is in geschil of de minderjarige (zoon) als getuige gehoord dient te worden met betrekking tot de vraag of zijn moeder samen woont met haar vriend als waren zij gehuwd.

2.8. De rechtbank stelt voorop dat een partij aan wie in een procedure een bewijsopdracht is verleend het recht heeft door haar aangewezen personen als getuigen op te roepen. Het horen van een door die partij voorgestelde getuige mag door de rechter slechts worden geweigerd indien in de gegeven omstandigheden de goede procesorde in verband met de bij die beslissing betrokken belangen dat eist. Tot die belangen behoren onder meer het zwaarwegende maatschappelijke belang van waarheidsvinding in rechte en het belang van de door de betrokken partij als getuige voorgestelde persoon niet ernstig in zijn/haar gezondheid te worden geschaad door het afleggen van een getuigenverklaring

2.9. In het licht van de in deze procedure aan de orde zijnde vaststelling van de rechten en verplichtingen van de man, heeft hij een zwaarwichtig belang bij de waarheidsvinding ter zake de relevante feiten en omstandigheden door het leveren van getuigenbewijs. Tegenover dit belang heeft de vrouw gesteld het belang van de minderjarige om niet te worden gehoord, waartoe zij, zoals hiervoor sub 2.3. vermeld, heeft aangegeven dat een verhoor een onaanvaardbare belasting voor hem zou meebrengen.

2.10. In tal van internationale verdragen en verklaringen - de rechtbank volstaat hier met verwijzing naar het Verdrag inzake de rechten van het kind en de Preambule bij dit Verdrag - is tot uitdrukking gebracht dat het kind op grond van zijn lichamelijke en geestelijke onrijpheid bijzondere bescherming en zorg nodig heeft. Zo is bijvoorbeeld in artikel 3 lid 1 IVRK bepaald dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen. In lid 2 van dat artikel verbinden de verdragsluitende staten zich ertoe het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn/haar welzijn. De in die internationale verdragen en verklaringen tot uitdrukking gebrachte beginselen brengen met zich mee dat de rechter het horen van een kind als getuige moet weigeren indien het in 2.8. vermelde belang van het kind daardoor zou worden geschonden; de rechtbank wijst hierbij ook op artikel 6 EVRM. In dat geval dient het belang van de betrokken partij bij waarheidsvinding door het horen van de voorgestelde getuige te wijken voor het belang van bescherming van het kind.

2.11. In dat verband acht de rechtbank het volgende van belang;

- (zoon), geboren op (geboortedatum), is thans 11 jaar oud.

- Op verzoek van de rechtbank (beschikking van 28 december 2010) heeft de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek ingesteld inzake het gezag en de verdeling van zorg- en opvoedingstaken. De raad heeft het onderzoek ambtshalve uitgebreid naar een

beschermingsonderzoek ten aanzien van (zoon) en zijn zusje.

- Met betrekking tot (zoon) werd door de raad vastgesteld, dat er sprake is van een problematisch emotionele ontwikkeling die lijkt te evolueren van sociaal onhandig tot dwangmatig agressief. Voorts stelde de raad vast, dat (zoon) een negatief zelfbeeld heeft, zich moeilijk uit en klem zit in een loyaliteitsconflict. De raad concludeerde dat er sprake is van een bedreigde ontwikkeling van (zoon), waardoor een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk was.

- Bij beschikking van de kinderrechter van 17 mei 2011 zijn (zoon) en zijn zusje onder toezicht gesteld.

- Blijkens het raadsrapport is geïndiceerde hulp voor (zoon) opgestart in de vorm van een dagbehandeling die moet leiden tot observatiediagnostiek.

- De gezinsvoogd acht het te belastend voor (zoon) om als getuige in een kwestie tussen zijn ouders een verklaring af te leggen.

2.12. Op grond van de hiervoor vermelde omstandigheden komt de rechtbank tot het

oordeel dat het voor (zoon) te belastend is om als getuige te worden gehoord. Wanneer een kind als getuige in een tussen de ouders aanhangige procedure gehoord moet worden over het gezinsleven van een van de ouders wordt het immers gedwongen zich vóór de ene ouder en tegen de andere ouder uit te spreken. Het loyaliteitsconflict waarin (zoon) zich thans al bevindt, zou daardoor onaanvaardbaar worden vergroot. De reeds in het kader van de ondertoezichtstelling in gang gezette hulpverlening zou bovendien worden doorkruist. Gelet hierop staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast, dat de gezondheid van (zoon) ernstig wordt geschaad indien hij als getuige wordt gehoord. Het belang van waarheidsvinding dient derhalve te wijken. Het verzoek van de man om (zoon) als getuige te horen wordt afgewezen. Met deze beslissing wordt het recht van de man op bewijslevering niet illusoir. De man heeft immers al getuigen doen horen en heeft de mogelijkheid om nog andere getuigen voor te dragen.

2.13. De zaak zal naar de rol worden verwezen teneinde de man in de gelegenheid

te stellen zich uit te laten of hij de enquête wenst voort te zetten.

3. De beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek van de man om zijn zoon als getuige te doen horen af;

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 7 mei 2013 teneinde de man in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over voortzetting van de enquête;

houdt iedere verder beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.P.M.H. van Hooff, L.J.A.M. Verhagen-Coopmans, P.W.A van Geloven, rechters en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

in tegenwoordigheid van mr. A.M. van der Plas, griffier.

Mededeling van de griffier:

Tegen deze beschikking kan voor zover het een eindbeschikking betreft hoger beroep worden ingesteld:

a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

b. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Het beroepschrift moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend bij het gerechtshof te

's-Hertogenbosch.

verzonden op: