Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ7138

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-04-2013
Datum publicatie
15-04-2013
Zaaknummer
02/984808-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van voorarrest voor het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen ten aanzien van Opiumwetfeiten, het aanwezig hebben van een vuurwapen en munitie en overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 2 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën.

Schutznorm en Karman-arrest aan de orde gesteld. Verweren verdediging stuiten niet af op de Schutznorm. Geen strijd met artikel 6 EVRM met betrekking tot uitgevoerde observaties. Geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het ingezette peilbaken niet naar behoren heeft gefunctioneerd. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging. Verdachte is naar het oordeel van de rechtbank marktdeelnemer in de zin van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/984808-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 april 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [plaats en datum]

wonende te [adres]

raadsman mr. Van ‘t Land, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 11, 14 en 15 maart 2013, waarbij de officieren van justitie, mr. Lemstra en mr. Struik, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte, samen met een ander of anderen:

1. strafbare voorbereidingshandelingen heeft verricht ten aanzien van Opiumwetfeiten;

2. een revolver en 6 patronen voorhanden heeft gehad;

3. niet voldaan heeft aan de inlichtingsverplichting met betrekking tot de Wet voorkoming misbruik chemicaliën.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De verdediging heeft aangevoerd dat, voor zover de rechtbank aan de hand van hetgeen in de zaak van medeverdachte [mededader 1] is aangevoerd, tot de vaststelling komt dat er onregelmatigheden hebben plaatsgevonden, bewust onjuiste informatie is verstrekt, verklaringen in strijd met de waarheid zijn afgelegd of in strijd met wettelijke bepalingen is gehandeld, er niet langer kan worden gesproken van een strafproces dat voldoet aan de eisen van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dit zou op grond van de arresten van de Hoge Raad in de zaken Zwolsman en Karman tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie moeten leiden. Subsidiair zou dit moeten leiden tot bewijsuitsluiting en daarmee tot vrijspraak voor het bestanddeel/de pleegplaats[plaats]]

Nu de verdediging ter onderbouwing van het verweer verwijst naar hetgeen door de verdediging in de zaak van medeverdachte [mededader 1] is aangevoerd, zal de rechtbank de in die strafzaak gevoerde verweren bespreken, voor zover deze van belang zijn in de onderhavige zaak. Daarbij geldt dat de rechtbank slechts zal ingaan op de uitdrukkelijk gevoerde verweren en onderbouwde standpunten waaraan een duidelijke conclusie is verbonden. Verweren waarvoor dit niet geldt, zal de rechtbank onbesproken laten.

Schutznorm

De officier van justitie heeft aangevoerd dat verdachte in verband met de zogenoemde Schutznorm geen beroep toekomt op eventuele onrechtmatigheden of vormverzuimen voor zover die voorkomen bij de inzet van bijzondere opsporingsmiddelen tegen medeverdachten. De rechtbank overweegt dat dit uitgangspunt niet geldt, indien sprake is van een inbreuk op de beginselen van een behoorlijke strafvervolging die het wettelijk systeem in de kern raakt (HR 1 juni 1999, NJ 199, 567, Karman). Nu de verdediging heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard en daarbij heeft verwezen naar het Karman-arrest, is de rechtbank van oordeel dat de verweren van de verdediging op dit punt niet afstuiten op de Schutznorm. De rechtbank zal de verweren daarom inhoudelijk beoordelen.

De observaties

In het onderzoek zijn op een aantal dagen observaties uitgevoerd, zowel in Nederland als in België. Daarbij is in sommige gevallen in Nederland gebruik gemaakt van een peilbaken. De verdediging heeft aangevoerd dat de observaties in zowel Nederland als België onrechtmatig, onbetrouwbaar en ondeugdelijk zijn. De verdediging heeft in het kader van dit verweer een aantal punten naar voren gebracht. De rechtbank zal deze punten in het hiernavolgende bespreken.

Allereerst heeft de verdediging betoogd dat de observaties in Nederland in strijd zijn met artikel 6 en/of artikel 8 van het EVRM, omdat het bevel tot (stelselmatige) observatie is gegeven door een officier van justitie, en niet door een rechter, en ook daarna elke rechterlijke controle heeft ontbroken.

De rechtbank overweegt dat artikel 126g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering de officier van justitie de bevoegdheid geeft een bevel tot stelselmatige observatie te geven. Op grond van het derde lid kan de officier van justitie bepalen dat hierbij gebruik wordt gemaakt van een technisch hulpmiddel. In het kader van de strafzaak kan de rechter toetsen of het bevel terecht is gegeven. Van strijd met het EVRM is daarom naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, zodat het verweer wordt verworpen.

Ten aanzien van de observaties in België heeft de verdediging betoogd dat het niet ter beschikking stellen van de stukken uit het zogenoemde vertrouwelijke dossier die betrekking hebben op het gebruik van technische hulpmiddelen (waaronder camera’s) en informanten, leidt tot strijd met artikel 6 van het EVRM. Uit hetgeen de verdediging ter onderbouwing hiervan heeft aangevoerd, begrijpt de rechtbank dat de verdediging de bevindingen van de Belgische observatie op 8 januari 2010 wenst te controleren aan de hand van (mogelijke) camerabeelden en dat de verdediging wenst te toetsen of gebruik is gemaakt van (gestuurde) informanten.

De rechtbank stelt voorop dat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel als uitgangspunt heeft te gelden dat buitenlandse opsporingsdiensten hebben gehandeld in overeenstemming met de toepasselijke nationale rechtsregels en dat dit niet in strijd is met het toepasselijke verdragsrecht, waaronder begrepen het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd in artikel 6 van het EVRM. Dit betekent dat de rechtbank in beginsel op de juistheid van de door de Belgische opsporingsdiensten verstrekte informatie dient te vertrouwen en de manier waarop deze informatie is vastgelegd dient te respecteren. Een uitzondering op dit vertrouwensbeginsel wordt gemaakt indien sprake is van bijzondere omstandigheden waarin sprake zou kunnen zijn van het niet respecteren van verdedigingsrechten zoals die voorvloeien uit het EVRM. Hiervan is de rechtbank niet gebleken. Het verweer wordt daarom verworpen.

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat de bij het uitvoeren van de observaties en de verslaglegging daarvan gehanteerde werkwijze in strijd is met artikel 6 van het EVRM. Daarbij heeft de verdediging er onder meer op gewezen dat er geen algemene richtlijnen bestaan waaraan observatieteams moeten voldoen, de bevindingen worden verwerkt door een notulist die zelf ook observatiewerkzaamheden verricht en wiens notulen worden vernietigd, er achteraf nog bevindingen kunnen worden aangevuld en het verslag van de observatie niet digitaal beveiligd wordt opgeslagen.

De rechtbank overweegt dat de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd waarom de vermeende gebreken in de uitvoering en de verslaglegging van de observatiewerkzaam-heden zouden leiden tot strijd met artikel 6 van het EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank is voorts niet gebleken dat de elementen waarop de verdediging heeft gewezen zouden leiden tot een praktijk die in het algemeen onbetrouwbare of ondeugdelijke informatie oplevert. De rechtbank zal daarom ook dit verweer verwerpen.

Ten slotte heeft de verdediging erop gewezen dat het activiteitenjournaal, dat van de verschillende observaties is opgemaakt, niet door de observanten wordt ondertekend. Door een wel op naam verbaliserende opsporingsambtenaar wordt een standaard voorblad opgemaakt, waarin slechts is vermeld op welke datum is geobserveerd en dat de observanten met opsporing van strafbare feiten belaste ambtenaren zijn. Hiermee is volgens de verdediging niet voldaan aan de verbaliseringsplicht die voortvloeit uit artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank overweegt dat artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering voorschrijft dat opsporingsambtenaren ten spoedigste proces-verbaal opmaken van het door hen opgespoorde strafbare feit of van hetgeen door hen tot opsporing verricht of bevonden is. Uit het dossier is gebleken dat de Operationeel Chef van de Unit Observatie een proces-verbaal opstelt, waarin de datum, het tijdstip en het subject van de observatie zijn vermeld. Het activiteitenjournaal, met daarin de bevindingen tijdens de observatie, wordt als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd. In het proces-verbaal is voorts vermeld dat alle in het activiteitenjournaal onder codenummer vermelde medewerkers met opsporing van strafbare feiten belaste ambtenaren van politie zijn. Het proces-verbaal is ondertekend door de Operationeel Chef van de Unit Observatie. Hiermee wordt naar het oordeel van de rechtbank formeel aan de verbaliseringsplicht voldaan. Uit de verklaring van observant Q508 bij de rechter-commissaris leidt de rechtbank af dat de observanten kort na de observatie het activiteitenjournaal samen opstellen, op basis van de aantekeningen die de notulist tijdens de observatie heeft gemaakt. In deze aantekeningen zijn de observaties die door de verschillende observanten zijn gedaan en per mobilofoon zijn meegedeeld, weergegeven. De rechtbank is van oordeel dat hierdoor ook materieel in overeenstemming met artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering wordt gehandeld. Het verweer wordt daarom verworpen. De rechtbank merkt hierbij nog op dat de beschreven handelwijze juist ten doel heeft zo spoedig mogelijk het proces-verbaal te kunnen opmaken en ondertekenen. Het ter zitting gebleken ongewenste neveneffect van deze handelwijze – namelijk dat er na verzending van het proces-verbaal met bijlage nog wijzigingen kunnen worden aangebracht in het activiteitenjournaal – kan op meerdere (eenvoudige) wijzen worden bestreden.

De bevindingen van observant Q508

In het activiteitenjournaal met betrekking tot de observatie op 8 januari 2010 is vermeld dat observant Q508 om 17.38 uur zag dat de Volkswagen Transporter, voorzien van het kenteken [( - - )], komende uit de richting van [plaats] over de Roosendaalsebaan via de Hoekvensedreef in de richting van [plaatsnaam] reed. In het aanvullend activiteitenjournaal met betrekking tot diezelfde observatie is vermeld dat Q508 zag dat de bestelbus deze bochten met een zodanige snelheid nam dat de bus in de bochten flink overhelde en heen en weer schudde. Door de heftige bewegingen kreeg hij het vermoeden dat de bestelbus niet geladen was.

Bij de rechter-commissaris en ter zitting heeft observant Q508 een aantal verklaringen afgelegd over zijn waarnemingen op 8 januari 2010. De verdediging heeft betoogd dat deze verklaringen uiterst onbetrouwbaar zijn. Daarbij heeft de verdediging erop gewezen dat de Volkswagen Transporter blijkens de peilbakengegevens op het tijdstip 17.38 uur niet op de locatie was waar Q508 verklaart de bestelbus te hebben gezien, Q508 de bevinding dat hij heeft gezien dat de Volkswagen Transporter via de Hoekvensedreef reed ter zitting heeft aangepast en dat Q508 een en ander niet goed heeft kunnen zien als gevolg van de weersomstandigheden en het feit dat het donker was.

De rechtbank begrijpt het verweer aldus dat de verdediging bepleit dat de bevindingen van observant Q508 niet kloppen, terwijl op geschriften afkomstig van de politie blind moet kunnen worden vertrouwd en dat daarom geen sprake is van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het EVRM. De rechtbank stelt vast dat Q508 bij de rechter-commissaris en ter zitting een aantal malen onder ede een verklaring heeft afgelegd over zijn waarnemingen op 8 januari 2010. Daarbij is hij erbij gebleven dat hij de waarnemingen zoals vermeld in de beide activiteitenjournaals (zelf fysiek) heeft gedaan, met uitzondering van de waarneming dat de Volkswagen Transporter via de Hoekvensedreef is gereden. Hierover heeft Q508 ter zitting van 29 oktober 2012 verklaard dat hij de kruising met de Hoekvensedreef waar de Volkswagen Transporter rechtsaf is gegaan, nooit heeft kunnen zien en dat dit een interpretatie van de bakengegevens is geweest. De rechtbank leidt hieruit af dat Q508, anders dan uit het activiteitenjournaal lijkt te kunnen worden opgemaakt, niet zelf heeft waargenomen dat de Volkswagen Transporter via de Hoekvensedreef is gereden. Dit neemt niet weg dat deze constatering blijkens de peilbakengegevens op zichzelf juist is geweest. Voorts acht de rechtbank bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de bevindingen van Q508 van belang dat hij ter zitting, na ermee te zijn geconfronteerd dat hij de waarneming niet zelf kon hebben gedaan, meteen heeft erkend dat het anders was gegaan dan uit het activiteitenjournaal leek te blijken en voor het overige tijdens de getuigenverhoren consistent heeft verklaard. Ten aanzien van de mogelijke discrepantie tussen de locatie waar Q508 de Volkswagen Transporter om 17.38 uur verklaart te hebben gezien en de locatie waar de Volkswagen Transporter zich blijkens de peilbakengegevens op dit tijdstip bevond, is als mogelijke verklaring naar voren gekomen dat het horloge van Q508 niet gelijk liep met de GPS-gestuurde klok van het peilbaken. De rechtbank acht dit een plausibele verklaring voor deze mogelijke discrepantie. Voorts is de rechtbank van oordeel dat een ervaren observant als Q508 ook in de door de verdediging geschetste (weers)omstandigheden de waarnemingen zoals vermeld in het activiteitenjournaal heeft kunnen doen. De rechtbank acht de bevindingen van Q508 daarom betrouwbaar en zal het verweer van de verdediging verwerpen.

Inzet van het peilbaken op 8 januari 2010

Op 8 januari 2010 was de Volkswagen Transporter met kenteken [( - - )] voorzien van een peilbaken. De verdediging heeft aangevoerd dat het peilbaken niet rechtmatig is gebruikt. De door het peilbaken gegenereerde gegevens dienen daarom te worden uitgesloten van het bewijs, aldus de verdediging. De rechtbank zal het verweer van de verdediging zo opvatten dat daarmee ook wordt betoogd dat als gevolg van het niet-rechtmatig gebruik van het peilbaken niet langer kan worden gesproken van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het EVRM.

De vraag of van het peilbaken rechtmatig gebruik is gemaakt, dient volgens de verdediging te worden beoordeeld aan de hand van het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2011 in de zogenoemde Vancouver-zaak (LJN: BP4651). In dit arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat, indien voor de apparatuur door de Minister een verklaring van goedkeuring is afgegeven, ervan moet worden uitgegaan dat die apparatuur aan de wettelijke eisen voldoet en dat slechts getoetst kan worden of van die apparatuur een normaal gebruik is gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat dit toetsingskader niet rechtstreeks van toepassing is in de onderhavige zaak, omdat het ziet op apparatuur voor het afluisteren van vertrouwelijke communicatie en de overweging met betrekking tot normaal gebruik afkomstig is uit een onderdeel van de Memorie van toelichting dat specifiek betrekking heeft op dergelijke apparatuur. Gelet op het verweer van de verdediging met betrekking tot het rechtmatig gebruik van het peilbaken zal de rechtbank wel toetsen of het peilbaken aan de wettelijke vereisten voldoet en zich bij het gebruik daarvan geen onregelmatigheden hebben voorgedaan.

Op grond van artikel 18 van het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering (het Besluit) dient uit een keuringsrapport van een ingezet technisch hulpmiddel voor observatie te blijken of het voldoet aan een aantal in het Besluit genoemde eisen. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat bij de observatie op 8 januari 2010 gebruik is gemaakt van ofwel het peilbaken met keuringsnummer THo012, ofwel het peilbaken met keuringsnummer THo159. Deskundige [naam deskundige] heeft hierover ter zitting van 23 juni 2011 verklaard dat het peilbaken met keuringsnummer THo012 is voorzien van nieuwe software en daarmee het peilbaken met keuringsnummer THo159 is geworden. Het peilbaken met keuringsnummer THo012 is op 29 augustus 2007 gekeurd met een geldigheidstermijn van twee jaar. Dit betekent dat de geldigheid van de keuring van het peilbaken met keuringsnummer THo012 op 1 september 2009 is verlopen. Inmiddels is besloten om de geldigheidstermijn van de keuringen te verlengen naar vijf jaar. Op 9 juni 2011 heeft deskundige [naam deskundige] het peilbaken met keuringsnummer THo012 opnieuw gekeurd. Daarbij heeft hij geconstateerd dat het middel nog altijd voldoet aan het Besluit. Het peilbaken met keuringsnummer THo159 is gekeurd op 2 april 2009.

Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het peilbaken met keuringsnummer THo159 op 8 januari 2010 voldeed aan de eisen die het Besluit stelt. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor het peilbaken met keuringsnummer THo012. Weliswaar was de geldigheid van de keuring ten aanzien van dit middel op 8 januari 2010 verlopen, maar deskundige [naam deskundige] heeft bij de keuring op 9 juni 2011 geconstateerd dat nog altijd werd voldaan aan het Besluit. Bovendien is de geldigheidstermijn van de keuring inmiddels bepaald op vijf jaar. Dit laat onverlet dat op 8 januari 2010 mogelijk gebruik is gemaakt van een peilbaken waarvan de geldigheid van de keuring inmiddels was verlopen. Daarmee is artikel 18 van het Besluit niet nageleefd, hetgeen niet meer kan worden hersteld. Gelet op het feit dat wel was voldaan de (materiële) eisen die het Besluit stelt, is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat met de enkele vaststelling van dit vormverzuim kan worden volstaan.

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of zich bij het gebruik van het peilbaken op 8 januari 2010 onregelmatigheden hebben voorgedaan. De rechtbank stelt voorop dat, zoals hierboven reeds is overwogen, het peilbaken op 8 januari 2010 volgens deskundige [naam deskundige] voldeed aan de in het Besluit genoemde eisen. Deze eisen zien met name op het voorkomen van manipulatie van de opgevangen en vastgelegde signalen. Deskundige [naam deskundige] heeft op basis van het originele bestand met de door het peilbaken gegenereerde gegevens geconcludeerd dat de gegevens na de opname ervan niet zijn gemanipuleerd. Voorts heeft noch deskundige [naam deskundige], noch deskundige [naam deskundige 2] enige onregelmatigheid geconstateerd bij hun onderzoek van de door het peilbaken gegenereerde gegevens. De rechtbank ziet daarom geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het peilbaken bij de observatie op 8 januari 2010 niet naar behoren heeft gefunctioneerd. Hieraan doet niet af dat beide deskundigen geen eenduidige verklaring hebben kunnen geven voor het feit dat op 8 januari 2010 vanaf 16:27:30 uur gedurende een periode van ongeveer tien minuten geen geldige plaatsbepaling heeft plaatsgevonden. Het verweer van de verdediging wordt daarom verworpen.

Twee versies van het activiteitenjournaal van 8 januari 2010

In aanvulling op hetgeen in de zaak van medeverdachte [mededader 1] is aangevoerd, heeft de verdediging gewezen op het feit dat er twee verschillende versies van het activiteitenjournaal van 8 januari 2010 bestaan. Tijdens één van de verhoren van observant Q508 ter zitting is gebleken dat Q508 beschikte over een versie van het activiteitenjournaal van 8 januari 2010 waar meer informatie in stond dan de versie in het dossier. Hiervoor is geen duidelijke verklaring gekomen. Naar de mening van de raadsman dienen processen-verbaal en andere geschriften afkomstig van de politie volledig, duidelijk en transparant te zijn. In deze zaak is hier geen sprake van, aldus de verdediging.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de versie van het activiteitenjournaal die Q508 bij zich had tijdens zijn verhoor, formeel geen deel uitmaakt van het strafdossier. Bovendien is gebleken dat er in de versie van Q508 niet meer informatie stond dan in de versie in het strafdossier, in combinatie met een aanvullend activiteitenjournaal, dat ook in het strafdossier is opgenomen. Feitelijk komt het erop neer dat de versie van Q508 bestaat uit het oorspronkelijke activiteitenjournaal en de aanvulling tezamen, waardoor de versies materieel hetzelfde zijn. De rechtbank is niet gebleken dat er – voor verdachte ontlastende – informatie is achtergehouden.

De rechtbank is echter wel van oordeel dat genoemde gang van zaken zeer onwenselijk is. Blijkbaar is het mogelijk dat een proces-verbaal of activiteitenjournaal, waarvan inmiddels een getekende versie in het strafdossier is ingebracht, op een later moment nog door iemand binnen het observatieteam wordt gewijzigd. Voorts blijkt er geen controle te bestaan op vragen als door wie en wanneer deze versies dan (kunnen) worden aangepast of aangevuld. In deze zaak is verdachte naar het oordeel van de rechtbank door de ongewenste gang van zaken echter niet in zijn belangen geschaad. Deze gang van zaken dient naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en vormt evenmin reden voor bewijsuitsluiting.

Conclusie ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en het beroep op bewijsuitsluiting

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is geweest van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan of van een inbreuk op de beginselen van een behoorlijke strafvervolging die het wettelijk systeem in de kern raakt. Het Openbaar Ministerie is daarom ontvankelijk in de vervolging. De rechtbank ziet evenmin reden voor bewijsuitsluiting.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de aan verdachte tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op het volgende.

Met betrekking tot feit 1 (voorbereidings-handelingen voor de productie van synthetische drugs) wijst de officier van justitie op de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2], waaruit naar voren komt dat medeverdachte [mededader 2] (de partner van verdachte) degene is geweest die de chemicaliën in België kwam halen. Op verzoek van België is een aantal Nederlandse nummers getapt. Hieruit is gebleken dat [mededader 2] telefonisch contact had met [getuige 1]. Voorts wijst de officier van justitie op de observaties die hebben plaatsgevonden, in het bijzonder de observaties van 5, 6, 7, 8 en 11 januari 2010. Hieruit komt naar voren dat [mededader 2] meerdere keren betrokken is geweest bij de transporten van diverse chemicaliën. Nadat [mededader 2] werd aangehouden, heeft er in de woning van [mededader 2] en verdachte een doorzoeking plaatsgevonden. In de woning werd een groot contant geldbedrag aangetroffen, deels onder de matras en deels in de wasmand. In de woning werd tevens een orderbevestiging van Ecu Products aangetroffen ter zake van een bestelling van formamide. Verder werd er in de jas van verdachte een briefje aangetroffen met daarop een opsomming van allerlei goederen. Het betroffen materialen die gebruikt kunnen worden bij de productie van synthetische drugs. Ten slotte werd er bij Ecu Products een kopie van de identiteitskaart van [mededader 2] aangetroffen. In de loods in Rijkevorsel werden een grote hoeveelheid chemicaliën en bestelbonnen aangetroffen op naam van verdachte. Op basis van deze feiten en omstandigheden acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 1.

Ter zake van feit 2 (het in bezit hebben van een vuurwapen en munitie) heeft de officier van justitie aangevoerd dat het wapen in de woning van verdachte werd aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat het niet was toegestaan een wapen in huis te hebben. Gelet hierop acht de officier van justitie het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Met betrekking tot feit 3 (overtreding van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën) wijst de officier van justitie er op dat de Wet voorkoming misbruik chemicaliën zich ook richt op die personen die zich bezighouden met de illegale productie van synthetische drugs. Daarmee acht de officier van justitie ook feit 3 wettig en overtuigend bewezen.

De officier van justitie stelt zich ten slotte op het standpunt dat de doorzoeking op 2 maart 2010 in [plaats] rechtmatig is geweest en dat hetgeen is aangetroffen ook als bewijs kan worden gebruikt voor de feiten 1 en 3.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 2. De verdediging is echter van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de feiten 1 en 3 kan komen en wijst daarbij op de volgende punten:

- verdachte is niet gezien bij observaties, is niet geïdentificeerd als bestuurder van één van de voertuigen en evenmin is vastgesteld dat hij één van de geobserveerde voertuigen op zijn naam had staan. Het briefje in de jaszak van verdachte kan niet in relatie worden gebracht met de onderzoeksbevindingen van dat moment;

- de belastende verklaringen van de Belgische verdachten bestaan veelal uit gedachten, aannames en het invullen aan de hand van voorgehouden bevindingen;

- uit niets blijkt dat verdachte wist van het bestaan van de aangetroffen briefjes/facturen, laat staan dat de inhoud daarvan slaat op door hem zelf gemaakte afspraken;

- uit de telefoongesprekken komt geen belastende informatie voor verdachte naar voren;

- uit de opmerkingen van verdachte tijdens zijn verhoren, waaruit zou kunnen blijken dat hij kennis heeft van drugslaboratoria, kan geen wetenschap van en betrokkenheid bij de tenlastegelegde feiten worden afgeleid;

- ten aanzien van de pleegperiode is van belang dat verdachte gedurende die periode gekwakkeld heeft met zijn gezondheid en op vakantie is geweest;

- de observaties van 6 en 7 januari 2010 mogen niet gebruikt worden voor het bewijs omdat het bevel observatie te laat op schrift gesteld is;

- er is geen sprake van wetenschap aan de zijde van verdachte, zodat het dubbel opzet niet kan worden bewezen. Mocht er al sprake zijn van wetenschap, dan kan het medeplegen niet worden bewezen. Uit niets blijkt immers van een actieve rol van verdachte;

- er dient vrijspraak te volgen van de onder 3 tenlastegelegde BMK (koop/levering/ vervoer blijkt niet), mierenzuur (betreft geen geregistreerde stof) en aceton (de Belgische verdachten spreken hier niet over);

- verdachte kan niet als marktdeelnemer worden beschouwd zoals onder 3 is tenlastegelegd. Dit dient te leiden tot vrijspraak, dan wel het aanhouden van de zaak tot er meer duidelijkheid is over de gestelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie in soortgelijke zaken.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feiten 1 en 3

Aanleiding onderzoek

Op 24 november 2009 komt er bij de Nationale Recherche een rechtshulpverzoek binnen uit België, parket Turnhout. In het betreffende rechtshulpverzoek van 26 oktober 2009 werd weergegeven dat er een strafrechtelijk onderzoek werd uitgevoerd, genaamd Dolfijn, naar de handel in stoffen die gebruikt kunnen worden voor illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen. Er waren ernstige aanwijzingen om aan te nemen dat [voornaam getuige 2] [getuige 2] betrokken was bij de handel in chemicaliën, ondanks dat hij zijn bedrijf (Ecu Products, een zeepfabriek) het jaar daarvoor al had verkocht. Hij zou actueel nog dergelijke chemicaliën hebben afgeleverd aan Nederlanders. De chemicaliën werden afgeleverd in een loods in Rijkevorsel. In het Belgische onderzoek werd gezien dat er diverse malen voertuigen voorzien van Nederlandse kentekens bij de loods kwamen. In het rechtshulpverzoek werd aan Nederland verzocht om over te gaan tot observatie. In Nederland is toen het strafrechtelijk onderzoek, genaamd Kepa, gestart.

De verklaringen van de Belgische verdachten

In het Belgische onderzoek zijn drie verdachten naar voren gekomen, [getuige 1], [getuige 2] en [mededader 3].

[getuige 1] heeft verklaard dat hij werkzaamheden uitvoert voor de firma Ecu Products van [voornaam getuige 2] [getuige 2]. Medeverdachte [mededader 2] is verschillende keren bij de loods in Rijkevorsel geweest om chemicaliën te halen. Zij deed haar bestelling bij [getuige 2] en daarna kwam zij de producten afhalen bij [getuige 1].

[getuige 2] heeft dit bevestigd. In aanvulling hierop heeft hij nog het volgende verklaard. Hij zag medeverdachte [mededader 2] en verdachte soms drie keer per week en soms weken niet. Soms kwamen ze apart van elkaar en soms kwamen ze met z’n tweeën. Zowel medeverdachte [mededader 2] als verdachte bestelden bij [getuige 2] chemicaliën. [mededader 3] nam de bestellingen op. Het ging om grote hoeveelheden als er bestellingen werden gedaan, te weten hoeveelheden van 5 tot 10 ton. Het ging hierbij om de producten formamide, zoutzuur, mierenzuur, saude coustique en mogelijk ook methanol. [getuige 2] is er zeker van dat verdachte en medeverdachte [mededader 2] minstens 75% van de bestellingen hebben ontvangen. Aanvankelijk werd er gefactureerd op een bedrijf in oprichting van verdachte. Toen dit niet van de grond kwam, gaf verdachte namen van bedrijven door waarop [getuige 2] zijn aankopen kon factureren. In de praktijk ging het als volgt in zijn werk. Verdachte was degene die de chemicaliën bestelde en medeverdachte [mededader 2] kwam deze chemicaliën vervolgens ophalen. Medeverdachte [mededader 2] reed met een grijze Mercedes en als zij chemicaliën kwam halen dan reed ze met een gehuurde bestelwagen. Zij betaalde cash en bij een volgend bezoek kreeg zij de factuur overhandigd.

De verklaring van [getuige 2] wordt ondersteund door de – hierna beschreven – bestelbonnen op naam van verdachte en de briefjes met aantekeningen op zijn naam die in de loods in Rijkevorsel zijn aangetroffen. [getuige 1] heeft hierover verklaard dat met de documenten waar de naam [voornaam verdachte] op staat [verdachte], zijnde verdachte, wordt bedoeld. Het zijn de briefjes die door verdachte of medeverdachte [mededader 2] aan hem werden gegeven nadat zij bij [getuige 2] hadden betaald in [plaats]. De rechtbank leidt hieruit af dat de chemicaliën op de aangetroffen briefjes daadwerkelijk zijn geleverd aan verdachte en medeverdachte [mededader 2]. Op het briefje van 7 en 8 januari 2010 zijn bedragen vermeld en de woorden “methanol”, “formamide” en “[voornaam verdachte]”. Hieruit leidt de rechtbank af dat dit bestellingen van grondstoffen betreffen op naam verdachte en wat de kosten hiervoor voor zijn geweest. Op het briefje van 3 februari 2010 is onder meer vermeld “Te betalen door [voornaam verdachte]”, “Betaald door [voornaam verdachte]”, “Blijft te betalen door [voornaam verdachte]” en “Geleverd 3/2/10 20 zakken Saude Caustic”. Hieruit leidt de rechtbank af dat dit eveneens een bestelling van grondstoffen betreft op naam van verdachte. Uit dit briefje blijkt ook welk bedrag hij daarvoor nog verschuldigd is.

Voorts heeft [getuige 1] een aantal briefjes met daarop de naam “[voornaam verdachte]” aan de Belgische politie overhandigd. Op een briefje van 28 september 2009 is onder meer vermeld “Geleverd 230 Mierenzuur” en “348 zoutzuur”. [getuige 1] heeft hierover verklaard dat uit dit briefje blijkt dat hij [mededader 2] 230 kilo mierenzuur en 348 kilo zoutzuur diende mee te geven. Op een briefje van 29 oktober 2010 is onder meer vermeld “Geleverd 348 formamide” en “348 mierenzuur”. Ook hier gaat het volgens de verklaring van [getuige 1] om kilo’s chemicaliën. Ten slotte is op een briefje van 19 november 2009 onder meer vermeld “te goed van [voornaam verdachte]”, met daarbij een aantal bedragen.

[mededader 3] heeft bevestigd dat verdachte en medeverdachte [mededader 2] chemicaliën hebben gekocht bij hun bedrijf. Het ging hierbij om formamide, mierenzuur, zoutzuur en natriumhydroxide, waarbij het ging om grote hoeveelheden van 5 en 10 ton. Eind 2009 werd [mededader 3] door verdachte benaderd met de vraag of zij nog ander materiaal kon bestellen. Verdachte overhandigde haar hiervoor een handgeschreven lijst waarop allerlei labomateriaal stond vermeld. Enige tijd later kwam verdachte terug en overhandigde hij opnieuw een lijst met materiaal dat [mededader 3] diende te bestellen. Zij heeft dit vervolgens besteld en van [getuige 1] heeft zij vernomen dat dit materiaal door verdachte is afgehaald en betaald. Deze verklaring wordt ondersteund door de facturen die zij heeft overhandigd en waaruit blijkt dat er diverse labomaterialen zijn besteld. Dit betreffen facturen van 19, 20 en 26 oktober 2010 en een factuur van 4 maart 2010.

Observaties en tapgesprekken

In het Belgische onderzoek vond er een observatie op de loods in Rijkevorsel plaats en werden de telefoons van de Belgische verdachten getapt. Op verzoek van België werden de Nederlandse nummers vervolgens ook getapt en is besloten dat Nederland de observatie zou overnemen als in België was gezien dat er chemicaliën werden gehaald. Dit heeft geleid tot de volgende observaties en tapgesprekken.

Observatie van 14 oktober 2009

Op 14 oktober 2009 wordt een observatie gehouden. Door de Belgische observanten wordt gezien dat om 13.45 uur aan de achterkant van de zeepfabriek te [plaats] de voertuigen van [getuige 2] en [getuige 1] staan geparkeerd. Tevens wordt een witte Mercedes bus gezien voorzien van het Nederlandse kenteken [( - - )]. Dit voertuig werd van 7 oktober 2008 tot en met 18 november 2009 door medeverdachte [mededader 2] gehuurd.

Observatie van 31 oktober 2009

Op 31 oktober 2009 wordt om 8.50 uur door de Belgische observanten gezien dat de bestelwagen met het Nederlandse kenteken [( - - )] het terrein van Ecu Products heeft verlaten. Het voertuig kwam van de achterzijde van het terrein. Niet wordt waargenomen wanneer het voertuig er was gekomen. Om 13.08 uur wordt gezien dat de bestelwagen voorzien van het Nederlandse kentekent [( - - )] opnieuw het terrein komt opgereden. In het midden van het terrein heeft de chauffeur van de bestelwagen een kort gesprek met [getuige 1]. Hierna rijdt de bestelwagen verder naar de achterzijde van het bedrijventerrein. Om 13.31 uur wordt gezien dat de bestelwagen opnieuw het terrein verlaat, waarna ook [getuige 1] het terrein met zijn jeep verlaat.

Observatie van 2 november 2009

Op 2 november 2009 om 9.11 uur wordt door de Belgische observanten waargenomen dat de witte bestelwagen voorzien van het Nederlandse kenteken [( - - )] het terrein bij Ecu Products oprijdt en zich onmiddellijk naar de achterzijde van het terrein begeeft. Om 9.13 uur wordt gezien dat [getuige 1] ook het terrein oprijdt, waarna hij zich naar de achterzijde van het terrein begeeft. De bestelwagen voorzien van het Nederlandse kenteken [( - - )] verlaat om 9.21 uur het terrein, waarna ook [getuige 1] het terrein om 9.27 uur verlaat.

Observatie van 3 november 2009

Op 3 november 2009 wordt om 12.14 uur door de Belgische observanten waargenomen dat de witte bestelwagen voorzien met het Nederlandse kenteken [( - - )] het terrein van Ecu Products oprijdt en zich onmiddellijk naar de achterzijde van het terrein begeeft. Om 12.15 uur rijdt [getuige 1] met zijn jeep het terrein op. Om 12.35 uur verlaat de bestelwagen voorzien van het Nederlandse kenteken [( - - )] het terrein. [getuige 1] komt hierna te voet vanaf de achterzijde van het terrein waarna hij om 12.39 uur met zijn Jeep vertrekt.

Observatie van 6 november 2009

Op 6 november 2009 om 11.56 uur wordt door de Belgische observanten gezien dat de bestelwagen voorzien van het Nederlandse kenteken [( - - )] het terrein van Ecu Products oprijdt gevolgd door [getuige 1]. De bestelwagen rijdt direct door naar de achterzijde van het terrein. Om 12.08 uur verlaat de bestelwagen het terrein van Ecu Products.

Observaties en telefoongesprekken van 5 januari 2010

Op 5 januari 2010 om 10.00 uur wordt medeverdachte [mededader 2] ([GSM nummer]) gebeld door [getuige 1] ([GSM nummer]). Uit onderzoek is gebleken dat het telefoonnummer [GSM nummer] in gebruik is bij medeverdachte [mededader 2]. Zij geeft in dit gesprek aan dat zij inmiddels al contact heeft gehad met [voornaam] en heeft aangegeven dat zij een uur later is. De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat zij contact heeft gehad met [voornaam getuige 2] [getuige 2]. Om 10.17 uur belt medeverdachte [mededader 2] naar het nummer [GSM nummer]. Uit onderzoek is gebleken dat het telefoonnummer [GSM nummer] in gebruik is bij medeverdachte [mededader 4]. In dit gesprek geeft medeverdachte [mededader 2] aan dat morgenvroeg de eerste is omdat zij vandaag niet de beschikking heeft over een bus. Voor vrijdag is het allemaal wel geregeld. Om 11.21 uur wordt door de Belgische observanten gezien dat een voertuig (Mercedes) voorzien van het kenteken [( - - )] stopt aan de loods gelegen te [plaats] aan de Hoogstraatsebaan 25. Medeverdachte [mededader 2] heeft verklaard dat het voertuig voorzien van het kenteken [( - - )] van haar is. De observanten zien dat er zaken worden geladen in dit voertuig. Om 11.43 uur rijdt het voertuig weg. Door de Belgische observanten wordt om 12.09 uur gezien dat de auto voorzien van het kenteken [( - - )] geparkeerd staat aan de [adres]. Medeverdachte [mededader 2] gaat naar de bakker waarna zij weer in de auto stapt en haar weg vervolgt in de richting van de autosnelweg E19. Gezien wordt dat medeverdachte [mededader 2] om 12.30 uur de grens België-Nederland oversteekt op de E19 te Meer. Hierna wordt de observatie overgenomen door de Nederlandse observanten. Door hen wordt om 12.28 uur gezien dat de Mercedes voorzien van het kenteken [( - - )] ter hoogte is van de grensovergang Hazeldonk. De bestuurder van het voertuig wordt herkend als zijnde medeverdachte [mededader 2]. Om 12.50 uur staat de Mercedes voorzien van het kenteken [( - - )] geparkeerd in de [adres] Om 13.08 uur wordt gezien dat de Mercedes voorzien van het kenteken

[( - - )] geparkeerd staat naast de Mercedes voorzien van het kenteken [( - - )]. Om 13.18 uur wordt gezien dat er een man in de auto voorzien van het kenteken [( - - )] stapt. Later wordt deze man herkend als zijnde medeverdachte [mededader 4].

Formeel verweer ten aanzien van de observaties van 6 en 7 januari 2010

De raadsman heeft een formeel verweer gevoerd ten aanzien van de observaties van 6 en 7 januari 2010. Deze zouden volgens de raadsman niet gebruikt mogen worden voor het bewijs omdat het bevel observatie pas op 11 januari 2010 en daarmee te laat op schrift gesteld zou zijn. Het mondelinge bevel dateert van 6 januari 2010. De drie-dagen-termijn zou dan verlopen in het weekend. Gelet op de Algemene Termijnenwet geldt dan dat de termijn verschuift naar de eerstvolgende werkdag, in dit geval maandag 11 januari 2010. De rechtbank zal de hierna opgenomen observaties van 6 en 7 januari 2010 derhalve voor het bewijs gebruiken.

Observaties en telefoongesprekken van 6 januari 2010

Op 6 januari 2010 heeft de politie opnieuw een observatie verricht. Door de Belgische observanten wordt om 11.23 uur gezien dat een witte Volkswagen Transporter voorzien van het kenteken [( - - )] vertrekt van het bedrijf Ecu Products. Dit voertuig werd van 6 januari 2010, vanaf 9.45 uur, tot en met 31 maart 2010 gehuurd door medeverdachte [mededader 2]. Gezien wordt dat een vrouw achter het stuur zit en dat een man de passagiersstoel naast haar bezet. Zij rijden samen naar het bedrijventerrein aan de [adres]. Ze rijden de loods binnen en om 11.37 uur wordt gezien dat het voertuig het terrein verlaat met dezelfde personen aan boord. De auto vervolgt zijn weg terug naar de zeepfabriek in [plaats] waar de passagier (vermoedelijk [getuige 1]) wordt afgezet. Gezien wordt dat de auto voorzien van het kenteken [( - - )] de grens over gaat van België naar Nederland via de E19 in de richting van Breda. Uit het telefoongesprek van 12.15 uur blijkt dat medeverdachte [mededader 4] om 12.15 uur contact opneemt met medeverdachte [mededader 2]. Medeverdachte [mededader 2] vraagt aan hem om over een kwartiertje bij de McDonalds te zijn. Medeverdachte [mededader 4] reageert hierop door te zeggen dat hij er over een kwartier zou zijn. Dit strookt met de observatie die wordt overgenomen door de Nederlandse observanten. Om 12.11 uur wordt gezien dat de Volkswagen Transporter voorzien van het Nederlandse kenteken [( - - )] wordt geparkeerd bij de McDonalds aan de [adres] te Tilburg. Medeverdachte [mededader 2] wordt herkend als zijnde de bestuurster van dit voertuig. Om 12.37 uur rijdt de Mercedes voorzien van het kenteken [( - - )] in de richting van de McDonalds aan de [adres] te Tilburg. De bestuurder van dit voertuig wordt herkend als zijnde medeverdachte [mededader 4]. Medeverdachte [mededader 2] stapt als passagier in dit voertuig, waarna de Mercedes vertrekt. Om 12.42 uur wordt gezien dat de Mercedes voorzien van het kenteken [( - - )] over de [adres] rijdt. Op dit moment is medeverdachte [mededader 4] de enige inzittende in de auto. Door de observanten wordt gezien dat om 13.05 uur NN1 als bestuurder in de Volkswagen Transporter voorzien van het kenteken [( - - )] stapt en weg rijdt. NN1 wordt door de observanten herkend als zijnde medeverdachte [[mededader 5]] Deze Volkswagen Transporter rijdt hierna over de [adres]. Om 13.11 uur wordt deze auto voorzien van het kenteken [( - - )][adres] de [adres] ter hoogte van perceel 16. Dit is in de directe nabijheid van de woning van medeverdachte [mededader 4]. Om 13.10 uur wordt gezien dat de Volkswagen Transporter voorzien van het kenteken [( - - )] over de [adres] rijdt. Dit voertuig wordt op dat moment gehuurd door medeverdachte [mededader 4]. Om 13.13 uur wordt deze auto geparkeerd aan de [adres]. Medeverdachte [mededader 4] wordt herkend als bestuurder en stapte uit deze auto. Door de observanten wordt om 13.36 uur gezien dat NN1 ([mededader 5]) en [mededader 4] samen uit de woning aan de [adres] kwamen. Hierna rijdt de Volkswagen Transporter voorzien van het kenteken [( - - )] weg uit de [adres] Medeverdachte [mededader 4] is de bestuurder van deze auto en NN1 ([mededader 5]) zit als bijrijder naast hem. Om 13.46 uur rijdt de Volkswagen Transporter voorzien van het kenteken [( - - )] het parkeerterrein van de McDonalds aan de [adres] op. Kort hierna om 13.47 uur rijdt medeverdachte [mededader 4] weg in deze auto als enige inzittende. Gezien wordt dat NN1 ([mededader 5]) in de Volkswagen Polo voorzien van het kenteken [( - - )] achter de Volkswagen Transporter aan rijdt. De Volkswagen wordt op dat moment gehuurd door [[mededader 5]] Om 13.57 uur worden beide auto’s geparkeerd ter hoogte van het perceel aan de [adres] 8. Kort hierna wordt door de observanten gezien dat de Volkswagen Polo voorzien van het kenteken [( - - )] weg rijdt met NN1 ([mededader 5]) als bestuurder en medeverdachte [mededader 4] als bijrijder. Op dezelfde dag wordt om 17.56 uur gezien dat de Volkswagen Transporter voorzien van het kenteken [( - - )] staat geparkeerd aan de [adres] De Transporter is op dat moment leeg. Om 18.09 uur belt [getuige 1] naar medeverdachte [mededader 2]. Hij geeft tijdens dit telefoongesprek aan dat het werk klaar is en dat het was meegevallen. Medeverdachte [mededader 2] bevestigt de afspraak van de dag erna. Later op de avond om 19.12 uur wordt in de buurt van de Volkswagen Transporter voorzien van het kenteken [( - - )] een andere Volkswagen Transporter geparkeerd voorzien van het kenteken [( - - )].

Observaties en telefoongesprekken van 7 januari 2010

Door de verbalisanten is op 7 januari 2010 wederom geobserveerd. Hierbij wordt gezien dat de auto’s met de kentekens [( - - )] en [( - - )] geparkeerd staan bij de woning van verdachte en medeverdachte [mededader 2]. Zij vertrekt om 9.49 uur met de bus voorzien van het kenteken [( - - )]. Door de Belgische observanten wordt op dezelfde dag gezien dat om 11.02 uur de Volkswagen Transporter voorzien van het kenteken [( - - )] stopt bij Ecu Products in [plaats]. [getuige 2] haalt iets uit de kofferbak van deze auto. Medeverdachte [mededader 2] zit op dat moment achter het stuur. Om 11.23 uur rijdt de Volkswagen Transporter het terrein van de loods in Rijkevorsel op en wordt met de achterkant tegen de poort geparkeerd. Om 11.45 uur wordt gezien dat de Volkswagen Transporter het terrein verlaat en dat [getuige 2] wordt afgezet bij Ecu Products. Het leek erop dat het voertuig geladen was, want het hing lager tegen de grond. Om 12.14 uur wordt de observatie overgenomen door de Nederlandse observanten. De observanten zien dat medeverdachte [mededader 2] met de bus voorzien van het kenteken [( - - )] over de A16 rijdt ter hoogte van Hazeldonk. Om 12.18 uur wordt door de verbalisant gezien dat deze bus laag in de vering hing. Om 12.57 uur parkeert medeverdachte [mededader 2] deze bus bij bakkerij Van Iersel en loopt daar naar binnen. Niet veel later om 13.01 uur wordt gezien dat de bestuurder van een Volkswagen voorzien van het kenteken [( - - )] zijn auto naast de bus van medeverdachte [mededader 2] parkeert. NN1 stapt uit deze auto en om 13.02 uur ontmoet NN1 medeverdachte [mededader 2] op de parkeerplaats. Gezien wordt dat NN1 om 13.04 uur als enige inzittende in de bus voorzien van het kenteken [( - - )] stapt en weg rijdt. Medeverdachte [mededader 2] stapt hierop in de auto van NN1 voorzien van het kenteken [( - - )] en rijdt weg. Om 13.08 uur staat de bus voorzien van het kenteken [( - - )] geparkeerd voor het perceel [adres] te Tilburg. Op dezelfde dag om 13.10 uur belt medeverdachte [mededader 2] naar [verdachte] Zij geeft in dit gesprek aan te verwachten tot een uur of 7 bezig te zijn. Om 13.25 uur wordt door de observanten gezien dat de Volkswagen Transporter voorzien van het kenteken [( - - )] met medeverdachte [mededader 2] stopt op het [adres] Medeverdachte [mededader 2] stapt uit deze bus en loopt naar haar woning aan de [adres]

Om 13.32 uur belt medeverdachte [mededader 2] naar medeverdachte [mededader 4] met de mededeling, dat het pas half 6 zou worden. Later wordt gezien dat medeverdachte [mededader 2] om 14.10 uur weg rijdt uit de [adres] met de bestelauto voorzien van het kenteken [( - - )]. De auto voorzien van het kenteken [( - - )] werd op dat moment nog altijd gehuurd door [mededader 2]. Om 14.47 uur rijdt medeverdachte [mededader 2] met deze bestelbus over de A58 in de richting van Breda. Om 15.04 uur wordt door de observanten gezien dat medeverdachte [mededader 2] met de Volkswagen Transporter voorzien van het kenteken [( - - )] ter hoogte van de grensovergang Hazeldonk West in de richting van België rijdt. Er wordt gezien dat zij de grensovergang passeert en België vervolgens in rijdt. Door de Belgische observanten wordt om 15.25 uur gezien dat de Volkswagen Transporter voorzien van het kenteken [( - - )] bij de [adres] rijdt met medeverdachte [mededader 2] als bestuurster. Zij rijdt naar de achterkant van de loods. Om 15.42 uur verlaat zij het terrein en het voertuig lijkt op dat moment geladen te zijn. Gezien wordt dat medeverdachte [mededader 2] om 16.06 uur als bestuurster in de bus voorzien van het kenteken [( - - )] op de A16 ter hoogte van de grensovergang Hazeldonk Oost rijdt. Zij komt uit de richting van België. Ze passeert de grensovergang en rijdt Nederland binnen. Gezien wordt dat het voertuig kennelijk zwaar beladen is. Om 16.31 uur belt medeverdachte [mededader 2] naar medeverdachte [mededader 4] met de mededeling dat zij thuis is. [mededader 4] laat haar weten dat hij eraan komt. Om 16.35 uur parkeert medeverdachte [mededader 2] de bus voorzien van het kenteken [( - - )] in de [adres] en gaat haar woning binnen. Om 18.02 uur wordt gezien dat medeverdachte [mededader 4] met zijn Mercedes voorzien van het kenteken [( - - )] met een onbekende man (NN1) naar de [adres] rijdt. Later is NN1 herkend als [verdachte 5] Om 18.30 uur wordt gezien dat medeverdachte [mededader 4] in de deuropening staat van de [adres]. Hij vertrekt in de [( - - )] en [mededader 5] stapt in de [( - - )]. Om 20.03 uur ziet de verbalisant dat de auto voorzien van het kenteken [( - -[adres]ing [adres] rijdt. Deze auto wordt gevolgd door de auto voorzien van het kenteken [( - - )]. Om 20.06 uur wordt gezien dat een auto over[adres] de [adres] rijdt, ter hoogte van de loods. Gezien wordt dat om 20.15 uur de roldeur van de loods op het terrein van de [adres] open staat en dat beide voertuigen voorzien van de kentekens [( - - )] en [( - - )] de loods in rijden. Beide voertuigen staan kort stil in het midden van de loods. Om 20.16 uur rijden beide auto’s de loods weer uit en om 21.00 uur wordt gezien dat deze auto’s over de autosnelweg A58 ter hoogte van Gilze-Rijen rijden. Om 21.18 uur staan de auto’s weer geparkeerd aan de [adres] 8. De auto met kenteken [( - - )] wordt achtergelaten en [mededader 4] en [mededader 5] rijden weg in de auto voorzien van het kenteken [( - - )]. Door de verbalisant wordt door de achterruit van de auto met kenteken [( - - )] gezien dat de laadruimte leeg is.

Observaties en telefoongesprekken van 8 januari 2010

Door de Belgische observanten wordt op 8 januari 2010 om 10.14 uur gezien dat de Volkswagen Transporter voorzien van het Nederlandse kenteken [( - - )] de [adres] op rijdt en vervolgens om 10.39 uur weer vertrekt. Om 11.25 uur worden de observatiewerkzaamheden overgenomen door de Nederlandse observanten. Om 11.30 uur rijdt de Volkswagen Transporter voorzien van het kenteken [( - - )] over de A58 in de Richting van Tilburg. Medeverdachte [mededader 2] wordt als bestuurster van dit voertuig herkend. Om 11.44 uur loopt medeverdachte [mededader 2] naar een woning gelegen aan de [adres] en komt vervolgens om 12.45 uur weer naar buiten met een kind. De Volkswagen Transporter wordt om 12.54 uur geparkeerd bij het Spaarnwoudepad.

Om 17.34 uur wordt medeverdachte [mededader 2] gebeld door [getuige 1]. Medeverdachte [mededader 2] geeft in dit gesprek aan dat ze [getuige 1] morgen weer zal zien. Om 18.16 uur wordt medeverdachte [mededader 2] wederom gebeld door [getuige 1]. [getuige 1] geeft in dit gesprek aan dat het beter is dat medeverdachte [mededader 2] zondag komt in verband met het weer. Medeverdachte [mededader 2] geeft aan dat zij zondag niet kan en zegt dat ze morgen wel kijkt wat ze doet. Op dezelfde dag wordt medeverdachte [mededader 2] wederom gebeld door [getuige 1]. [getuige 1] vraagt tijdens dit telefoongesprek bevestiging van het aantal kannen dat zij wil ontvangen.

Telefoongesprekken van 9 januari 2010

Op 9 januari 2010 vinden er wederom diverse gesprekken plaats tussen medeverdachte [mededader 2] en [getuige 1]. Om 7.39 uur wordt medeverdachte [mededader 2] gebeld door de Rijcke, waarbij ze een afspraak maken voor maandag een uur of 11 uur in de ochtend. Om

8.22 uur stuurt [mededader 2] een sms naar [getuige 1] waarin ze vraagt: “moet het vandaag of kan het maandagmorgen”. In een telefoongesprek van 8.38 uur geeft medeverdachte [mededader 2] wederom aan dat zij maandag zal komen tussen 10 en 11 uur. [getuige 1] geeft aan dat hij dan die vorklift van die mens moet kunnen hebben. Op 10 januari 2010 om

17.35 uur wordt medeverdachte [mededader 2] gebeld door [getuige 1]. Uit het gesprek komt wederom naar voren dat medeverdachte [mededader 2] de volgende dag naar hem toe zou komen. [getuige 1] geeft in het gesprek aan dat hij veel werk heeft gehad.

Observaties van 11 januari 2010

Op 11 januari 2010 heeft de politie opnieuw een observatie verricht. Door de Belgische observanten wordt om 11.55 uur gezien dat de Volkswagen Transporter voorzien van het kenteken [( - - )] stopt aan de achterzijde van Ecu Products. Om 12.04 uur rijdt deze Volkswagen Transporter het terrein [adres] op. Om 12.24 uur verlaat dit voertuig het terrein en hangt het voertuig duidelijk lager in de vering dan bij aankomst op het terrein te Rijkevorsel. Om 12.47 uur wordt de observatie van de Volkswagen Transporter voorzien van het kenteken [( - - )] ter hoogte van de grensovergang Hazeldonk overgenomen van de Belgische observanten. Gezien wordt dat de achterzijde van deze Transporter achterover helt. Het voertuig is in de achterzijde ver in de veren gezakt. Dit is niet het geval aan de voorzijde van het voertuig. De rechtbank leidt hieruit af dat de Volkswagen Transporter op dit moment geladen is. Medeverdachte [mededader 2] bestuurt de Volkswagen Transporter. Gezien wordt dat [mededader 2] om 13.10 uur stil staat bij de [adres]. Dit is het huis van de broer ([voornaam]) van [mededader 2]. Dit strookt met het telefoongesprek dat wordt gevoerd door medeverdachte [mededader 2] met medeverdachte [mededader 4]. Hierin vraagt zij of hij naar [voornaam] wil komen en haar thuis wil brengen. Door de verbalisanten wordt om 13.23 uur gezien dat de bestuurder (NN2) van een auto met kenteken [( - - )] parkeert aan de [adres] en dat hij naar dit huis loopt. NN2 wordt hierbij herkend als medeverdachte [mededader 4]. Hierna rijden [mededader 2] en [mededader 4] om 13.24 uur samen weg in de auto voorzien van het kenteken [( - - )]. Om 14.23 uur wordt gezien dat [mededader 2] terugkeert bij de [adres] met een Mercedes voorzien van het kenteken [( - - )]. Om 16.47 uur komen [mededader 4] en een onbekende man (NN3) met een Mercedes voorzien van kenteken [( - - )] aan bij het dit adres. NN3 stapt vervolgens in de Transporter voorzien van het kenteken [( - - )]. Beide voertuigen rijden achter elkaar weg. NN3 wordt later herkend als [verdachte 5] Om 16.56 uur rijdt de Transporter het hofje aan de [adres] in ter hoogte van nummer 16. Om 17.02 uur staat de Mercedes ook geparkeerd op dit adres. Door de verbalisant wordt gezien dat medeverdachten [mededader 4] en [mededader 5] de [adres] 16 verlaten. Medeverdachte [mededader 4] stapt in de Mercedes voorzien van het kenteken [( - - )] en om 17.06 uur vertrekt [mededader 5] in de Transporter. Gezien wordt dat om 17.41 uur beide auto’s geparkeerd staan bij het Shell station Hoezaar langs de A58. Om 17.47 uur verlaten zij het tankstation. Om 18.27 uur ziet de verbalisant de auto’s voorzien van de kentekens [( - - )] en [( - - )] het terrein van de [adres] oprijden. Vier mannen staan om 18.50 uur voor de roldeur van de loods en gaan daar naar binnen. De auto’s voorzien van de kentekens [( - - )] en

[( - - )] rijden om 19.40 uur over de [adres]. Gezien wordt dat de Transporter voorzien van het kenteken [( - - )] niet meer achterover helt en dat het voertuig aan de achterzijde niet meer in zijn veren hangt. De rechtbank leidt hieruit af dat de bus inmiddels is gelost.

Aantreffen chemicaliën opslag en laboratorium aan de [adres]

Op 14 januari 2010 wordt een doorzoeking verricht in een loods gelegen aan de [adres]. In de loods worden ondermeer twee afgesloten, 40 voets zeecontainers aangetroffen, waarin zich een in werking zijnd drugslaboratorium en een chemicaliën opslag bevinden. In het laboratorium wordt een grote hoeveelheid chemicaliën, verpakkingsmaterialen, afvalstoffen en hardware gerelateerd aan de productie van amfetamine/synthetische drugs aangetroffen. [namen 2 experts], beide expert bij het LFO van het Korps Landelijke Politiediensten, hebben de loods nader onderzocht. Bij het betreden van voornoemde loods ruiken zij de hen bekende en kenmerkende geur van amfetamineachtige producten. In de eerste container, te weten locatie F, staan chemicaliën opgeslagen. De tweede container, te weten locatie G, was gevuld met productieapparatuur en chemicaliën die vermoedelijk gebruikt zijn en kunnen worden voor de illegale vervaardiging van amfetamine middels de Leuckart methode. In locatie F stond ongeveer 2000 liter aan de productie van amfetamine gerelateerde afvalproducten. Voorts werd er ongeveer 75 liter zwavelzuur, ongeveer 325 liter formamide, ongeveer 750 liter mierenzuur, ongeveer 450 liter zoutzuur, ongeveer 1250 liter methanol en twee volle en 31 lege zakken van 25 kg caustic soda aangetroffen. Ook werden er ongeveer 35 jerrycans van 5 liter aangetroffen die vermoedelijk BMK hebben bevat. De productieopstelling zoals is aangetroffen in de loods in Yerseke is kenmerkend voor de eerste en tweede stap van de Leuckart methode. Er zijn geen aanwijzingen verkregen dat in de loods in Yerseke een aanvang is genomen met de volgende stappen.

Overeenkomsten chemicaliën in Yerseke met de chemicaliën in de loods in Rijkevorsel

Vergelijkend onderzoek van het LFO heeft uitgewezen dat er overeenkomsten zijn tussen de witte jerrycans op de locatie [adres] en de aangetroffen witte jerrycans op de locatie [adres] in België. Gelet op deze overeenkomsten is het volgens het LFO aannemelijk dat de locatie [adres] in België is gebruikt om de chemicaliën vanuit 220 en 200 liter vaten over te pompen in jerrycans met een inhoudsmaat van 25 liter, waarna deze vervoerd zijn naar de locatie in Yerseke.

Aanhouding verdachte en doorzoeking aan de [adres]

Op 2 maart 2010 heeft er een doorzoeking in de woning van verdachte en medeverdachte [mededader 2] aan de [adres] 8 te Tilburg plaatsgevonden. In een handtas, welke in de slaapkamer lag, zaten twee papieren. Op één van de papieren stond onder meer vermeld “[voornaam verdachte] 12/10/09”, “[voornaam verdachte] moet nog betalen van vorig briefje” en “1150 Kg Mierenzuur Geladen x 4,95”. Het andere papiertje betrof een orderbevestiging van Ecu Products ter zake een bestelling van formamide ter waarde van 11.000 euro. Ook op de achterzijde van dit papiertje stond een berekening van hetgeen “[voornaam verdachte]”, zijnde verdachte, nog moest betalen. Dit ging om labomateriaal en een hoeveelheid zoutzuur. De briefjes met aantekeningen waren soortgelijk als de briefjes die in de loods in Rijkevorsel werden aangetroffen. In de jas van verdachte werd nog een briefje aangetroffen met daarop een lijst met allerlei laboratoriumbenodigdheden. Gelet op de samenstelling van deze lijst kan geconcludeerd worden dat dit een opsomming is van materialen die gebruikt kunnen worden bij de productie van synthetische drugs.

Conclusie ten aanzien van de betrokkenheid en de rol van medeverdachte [mededader 2]

Uit de hierboven weergegeven observaties, tapgesprekken en het aantreffen van het laboratorium en de chemicaliën in de loods in Yerseke, in samenhang met de getuigenverklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [mededader 3], leidt de rechtbank af dat medeverdachte [mededader 2] in de periode vanaf 1 oktober 2010 een aantal malen chemicaliën, grondstoffen en laboratoriumbenodigdheden bestemd voor de productie van synthetische drugs heeft opgehaald bij de loods in Rijkevorsel en naar Nederland heeft vervoerd. Een deel van de chemicaliën is naar de loods in Yerseke gebracht, waar op 14 januari 2010 een laboratorium voor de productie van amfetamine en een opslagplaats voor chemicaliën zijn aangetroffen.

Medeplegen

De rechtbank heeft reeds vastgesteld dat medeverdachte [mededader 2] in de periode vanaf 1 oktober 2010 een aantal malen chemicaliën, grondstoffen en laboratoriumbenodigdheden bestemd voor de productie van synthetische drugs heeft opgehaald bij de loods in Rijkevorsel en naar Nederland heeft vervoerd. Naar het oordeel van de rechtbank is verdachte hierbij als medepleger betrokken geweest. Uit de getuigenverklaringen van de Belgische verdachten blijkt dat verdachte degene was die de chemicaliën, grondstoffen en hardware bestelde en dat medeverdachte [mededader 2] deze chemicaliën, grondstoffen en hardware vervolgens ging ophalen. Dit wordt bevestigd door de bestelbonnen, waaruit blijkt dat de bestellingen op naam van verdachte werden gedaan. Uit het dossier komt naar voren dat hij degene was die alles achter de schermen regelde en medeverdachte [mededader 2] degene was die het uitvoerende werk deed. In het bijzonder wijst de rechtbank hiervoor nog op het tapgesprek van 18 januari 2010. Dit is vier dagen na het aantreffen van het laboratorium in Yerseke. Verdachte belt om 14.09 uur naar [getuige 1] en geeft tijdens dit telefoongesprek aan dat er troubles waren. Verdachte geeft aan dat hij morgen na 14.00 uur even langs komt. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte naar België zou gaan om te bespreken of en hoe er verder zou worden gegaan na het aantreffen van het laboratorium in Yerseke. Uit deze feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank dat verdachte en medeverdachte [mededader 2] nauw en bewust hebben samengewerkt en dat deze samenwerking uiteindelijk gericht was op het voorbereiden van de productie van amfetamine of andere synthetische drugs. Uit de observaties en tapverslagen leidt de rechtbank voorts af dat hierbij ook anderen, waaronder medeverdachten [mededader 4] en [mededader 5], betrokken zijn geweest.

Toevoeging gesloten proces-verbaal artikel 187d-procedure

De rechtbank heeft op dit verzoek al in een eerder stadium een beslissing genomen en ziet geen reden om op deze beslissing terug te komen. Het gesloten proces-verbaal zal derhalve niet aan het dossier worden toegevoegd.

Conclusie ten aanzien van feit 1

Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de observaties, de tapgesprekken, de verklaringen van de Belgische verdachten en hetgeen is aangetroffen in de loods in Yerseke en in de woning van verdachte en medeverdachte [mededader 2] worden vastgesteld dat zij in de periode van 1 oktober 2009 tot en met 2 maart 2010 bij het bedrijf Ecu Products te [plaats] chemicaliën, grondstoffen en hardware bestemd voor de productie van synthetische drugs hebben besteld, vervoerd en voorhanden hebben gehad. Zij hebben hiervoor vervoermiddelen gehuurd en telefonisch contacten met andere verdachten gehad en afspraken gemaakt.

Voor een bewezenverklaring van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de Opiumwet is opzet vereist; de dader moet daadwerkelijk de wetenschap hebben gehad van de omstandigheid dat hij met zijn handelingen de productie van drugs bevorderde. Verdachte heeft samen met [mededader 2] verschillende chemicaliën, grondstoffen en hardware, die kunnen dienen voor de productie van synthetische drugs, besteld, vervoerd en voorhanden gehad. Gelet op de door de rechtbank geconstateerde betrokkenheid van verdachte hierbij en de hoeveelheid en het soort chemicaliën, grondstoffen en hardware, die in combinatie met elkaar geschikt zijn voor de productie van synthetische drugs, kan het niet anders dat verdachte wist dat deze bestemd waren voor de productie van drugs. Verdachte heeft ook geen verklaring gegeven waarvoor de chemicaliën, grondstoffen en hardware anders bedoeld zouden zijn.

De rechtbank is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich in de periode van 1 oktober 2009 tot en met 2 maart 2010 samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan overtreding van

artikel 10a van de Opiumwet, te weten het voorbereiden van de productie van amfetamine of andere synthetische drugs.

[plaats]

Met betrekking tot [plaats] overweegt de rechtbank het volgende. Er komen aanwijzingen uit het dossier naar voren dat verdachte en medeverdachte [mededader 2] betrokken zijn geweest bij de voorbereidingshandelingen gepleegd in[plaats]] De rechtbank is echter – met de raadsman – van oordeel dat de enkele waarneming van observant Q508 over het schudden van de Volkswagen Transporter onvoldoende is om vast te stellen dat de Volkswagen Transporter in [plaats] is gelost. Vast staat dat er chemicaliën door medeverdachte [mededader 2] zijn opgehaald in Rijkevorsel en dat ze hiermee naar Tilburg is gereden, maar de rechtbank heeft niet kunnen vaststellen waar de chemicaliën uiteindelijk terecht zijn gekomen. Vergelijkend onderzoek met de chemicaliën in [plaats] is door het LFO niet uitgevoerd. De rechtbank acht derhalve onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden om tot een bewezenverklaring van de pleegplaats [plaats] te komen. Verdachte zal hier dan ook van worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 3

Verdachte wordt - kort gezegd - verweten dat hij als marktdeelnemer opzettelijk BMK, mierenzuur, zoutzuur en andere stoffen heeft vervoerd, opgeslagen en voorhanden heeft gehad, zonder daarvan melding te maken aan de bevoegde instanties, terwijl er aanwijzingen waren dat die stoffen misbruikt zouden worden voor de vervaardiging van verdovende middelen. Daarbij heeft de officier van justitie gesteld dat met “andere stoffen” wordt gedoeld op aceton.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte BMK heeft vervoerd, opgeslagen of voorhanden heeft gehad, zodat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken. Dit geldt ook voor het onderdeel “mierenzuur”, omdat mierenzuur geen geregistreerde stof betreft. Ten aanzien van aceton heeft de officier van justitie erop gewezen dat in een tapgesprek op 5 januari 2010 tussen [getuige 1] en medeverdachte [mededader 2] wordt gesproken over aceton, waarbij [getuige 1] zegt dat het met die aceton in orde is, die gaat hij vandaag verwarmen. Naar het oordeel van de rechtbank is de enkele inhoud van dit tapgesprek onvoldoende om als vaststaand aan te nemen dat [mededader 2] daadwerkelijk aceton bij [getuige 1] heeft opgehaald. Nu er geen ander bewijsmiddel is waarin dit wordt bevestigd, dient verdachte ook van het onderdeel “aceton” te worden vrijgesproken.

Bij de bespreking van de feiten 1 en 3 heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte zich (als medepleger) schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van chemicaliën, waaronder zoutzuur. De vraag is of hij hiermee ook in strijd heeft gehandeld met de Wet voorkoming misbruik chemicaliën.

Artikel 2, aanhef en onderdeel a, van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën bepaalt dat het is verboden om te handelen in strijd met voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 8 van Verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren (PbEU L 47) (hierna te noemen: Verordening nr. 273/2004). Artikel 8 van Verordening nr. 273/2004 schrijft voor dat marktdeelnemers de bevoegde instanties onverwijld in kennis stellen van elk voorval, zoals ongewone orders voor of transacties met geregistreerde stoffen, dat erop kan wijzen dat deze in de handel te brengen stoffen wellicht worden misbruikt om verdovende middelen of psychotrope stoffen op illegale wijze te vervaardigen. In artikel 2, onderdeel d, van Verordening nr. 273/2004 is marktdeelnemer gedefinieerd als elke natuurlijke of rechtspersoon die betrokken is bij het in de handel brengen van geregistreerde stoffen. In onderdeel c van deze bepaling is in de handel brengen omschreven als elke levering, al dan niet tegen betaling, van geregistreerde stoffen in de Gemeenschap, dan wel, met het oog op de levering ervan in de Gemeenschap, de opslag, vervaardiging, productieverwerking, de handel, distributie of handelsbemiddeling in deze stoffen.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte niet als marktdeelnemer in de zin van Verordening nr. 273/2004 kan worden aangemerkt. Voor zover de rechtbank tot het oordeel zou komen dat hij wel marktdeelnemer is, stelt de verdediging zich op het standpunt dat de zaak dient te worden aangehouden om de beantwoording van de in de zaak [naam] gestelde prejudiciële vragen omtrent het begrip marktdeelnemer af te wachten.

De rechtbank overweegt dat het Hof ’s-Hertogenbosch in een arrest van 18 oktober 2011 (niet gepubliceerd) reeds een uitleg heeft gegeven van het begrip marktdeelnemer. Het Hof overweegt in dit arrest dat, gelet op de tekst van artikel 2 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën en de artikelen 2 en 8 van de Verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren alsmede de Nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet voorkoming misbruik chemicaliën (Kamerstukken II, 1994-1995, 23 779, nr.5) en de Memorie van toelichting bij de Wijziging van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën (Kamerstukken II, 2005-2006, 30 329, nr. 3), de Wet voorkoming misbruik chemicaliën ten doel heeft te voorkomen dat grondstoffen terecht komen bij personen die zich bezighouden met de vervaardiging van verdovende middelen uit deze grondstoffen. Gelet op dat doel wordt met de levering van geregistreerde stoffen in Verordening nr. 273/2004 gedoeld op het afleveren van geregistreerde stoffen aan een ander (handelaars, leveranciers, vervoerders als tussenpersonen) en niet op het in ontvangst nemen van deze stoffen met het doel deze vervolgens zelf te gebruiken voor het vervaardigen van verdovende middelen (eindgebruikers). Gelet op de door het Hof gegeven uitleg, die naar het oordeel van de rechtbank duidelijk is, acht de rechtbank het niet nodig om de beantwoording van de prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) in de zaak [naam] af te wachten.

De rechtbank ziet geen aanwijzingen dat verdachte chemicaliën, meer in het bijzonder zoutzuur, in ontvangst heeft genomen met het doel deze vervolgens zelf te gebruiken voor het vervaardigen van verdovende middelen. Uit de bewijsmiddelen volgt juist dat verdachte zich (als medepleger) schuldig heeft gemaakt aan het afleveren van geregistreerde stoffen aan anderen. Naar het oordeel van de rechtbank kan verdachte daarom als marktdeelnemer in de zin van Verordening nr. 273/2004 worden aangemerkt. Anders dan de verdediging is de rechtbank bovendien van oordeel dat ook op verdachte als medepleger de verplichting rustte om de bevoegde instanties in kennis te stellen.

De verdediging heeft ten slotte nog aangevoerd dat sprake is van strijd met het nemo tenetur-beginsel, omdat verdachte zich door te melden vatbaar zou maken voor vervolging. Voor zover de rechtbank tot een ander oordeel komt, verzoekt de verdediging om hierover een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie. De rechtbank stelt vast dat verdachte geen melding heeft gemaakt aan de bevoegde instanties van het vervoer en het voorhanden hebben van zoutzuur. De vervolging in deze zaak is dan ook niet het gevolg geweest van een melding op grond van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën. Van strijd met het nemo tenetur-beginsel is om die reden geen sprake. De rechtbank acht het daarom niet nodig om hierover een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie, nog daargelaten dat het niet gaat om de uitleg van een begrip uit de Verordening nr. 273/2004.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder feit 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, voor zover het gaat om het vervoer en het voorhanden hebben van zoutzuur.

Feit 2

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie;

- het proces-verbaal beschrijving van het vuurwapen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 oktober 2009 tot en met 02 maart 2010 te Tilburg en/of Yerseke en/of

elders in Nederland telkens tezamen en in vereniging met anderen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, van amfetamine, zijnde

amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of

een ander middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I

voor te bereiden zich of een ander middelen tot het plegen van dat feit heeft

trachten te verschaffen en voorwerpen en stoffen en vervoermiddellen

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededaders

wisten, dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit

hebbende verdachte en zijn mededaders (telkens)

- chemicaliën en/of grondstoffen en hardware bestemd voor de productie

van synthetische drugs besteld en gekocht en vervoerd en

- chemicaliën en/of grondstoffen en hardware bestemd voor de productie

van synthetische drugs voorhanden gehad en

- vervoermiddelen gehuurd voor het vervoer van die chemicaliën en

grondstoffen en hardware en

- telefonische contacten onderhouden en afspraken gemaakt met betrekking

tot die chemicaliën en grondstoffen en hardware.

2.

op 02 maart 2010 te Tilburg tezamen en in vereniging met een ander

een vuurwapen van categorie III, te weten een revolver, Smith &

Wesson, en munitie van categorie III, te weten 6 patronen geschikt voor

voormelde revolver, voorhanden heeft gehad.

3.

in de periode van 1 oktober 2009 tot en met 2 maart 2010 in Tilburg

en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander

als marktdeelnemer de bevoegde instanties opzettelijk niet onverwijld in

kennis heeft gesteld van voorvallen met betrekking tot geregisterde

stoffen, die er op wijzen, dat deze in de handel te brengen geregistreerde stoffen wellicht misbruikt zullen worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen, hebbende hij verdachte en zijn mededader opzettelijk een hoeveelheid zoutzuur vervoerd en voorhanden gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van

36 maanden met aftrek van voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de gezondheidstoestand van verdachte en het feit dat hij geen relevante justitiële documentatie heeft. Voor een bewezenverklaring van feit 2 heeft verdachte een eventuele straf inmiddels ruimschoots uitgezeten. Bij een bewezenverklaring van de feiten 1 en 3 is van belang dat de pleegperiode korter is dan tenlastegelegd, de omvang van de leveringen beperkter is dan door de officier van justitie wordt gesteld en de rol van verdachte beperkt is. Daarnaast heeft de raadsman gewezen op de straffen die de medeverdachten in hoger beroep opgelegd hebben gekregen en de strafeis tegen medeverdachte [mededader 1], die allemaal lager liggen dan de eis tegen verdachte. Ten slotte heeft de raadsman er op gewezen dat de redelijke termijn is overschreden, waardoor er sprake zou zijn van een afnemend strafnut.

Naar de mening van de raadsman kan, gelet op alle omstandigheden, volstaan worden met een straf gelijk aan het voorarrest, al dan niet aangevuld met een werkstraf, dan wel een voorwaardelijke gevangenisstraf.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich samen met medeverdachte [mededader 2] schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet. Verdachte heeft hiertoe onder meer chemicaliën, grondstoffen en hardware besteld, vervoerd en voorhanden gehad, waarvan hij wist dat deze bestemd waren voor de productie van synthetische drugs. Verdachte heeft vervoermiddelen gehuurd en telefonische contacten met andere verdachten gehad en afspraken gemaakt. De productie van en handel in drugs dient krachtig te worden bestreden in verband met de schadelijkheid voor de volksgezondheid.

De rechtbank acht de bewezenverklaarde feiten ernstig. Verdachte heeft zich kennelijk ingelaten met deze criminele activiteiten om extra inkomsten te verwerven, zonder rekening te houden met de mogelijk negatieve effecten voor anderen. Zo brengt de opslag van chemicaliën en de productie van synthetische drugs gevaren met zich mee, zoals brand- en ontploffingsgevaar en het vrijkomen van giftige stoffen. Daarnaast leveren harddrugs voor de gebruikers ernstige gezondheidsrisico’s op. Voorbereidingshandelingen dienen krachtig te worden bestreden. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat ook de voorbereidingshandelingen voor de handel in drugs gepaard gaan met andere vormen van criminaliteit. Verdachte heeft voorts samen met een ander zoutzuur voorhanden gehad zonder hiervan melding te maken bij de bevoegde autoriteiten. Daarmee heeft verdachte in strijd met de Wet voorkoming misbruik chemicaliën gehandeld. Nu de onder dit feit (feit 3) bewezenverklaarde handelingen feitelijk dezelfde zijn als de onder feit 1 bewezenverklaarde handelingen, zal de rechtbank met feit 3 echter niet in strafverzwarende zin rekening houden bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf.

Ten slotte heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Wapenbezit kan een onaanvaardbaar risico met voor de veiligheid van personen met zich mee brengen. Hiertegen moet dan ook streng worden opgetreden.

De reclassering heeft een rapport over verdachte uitgebracht. In dit rapport wordt aangegeven dat bij verdachte al gedurende een lange periode sprake is van overmatig alcoholgebruik. Hij heeft zelf initiatieven genomen om hiervoor hulp te zoeken, maar desondanks blijft hij steeds terugvallen. De reclassering vindt dit een zorgelijke situatie. Omdat verdachte een ontkennende houding heeft aangenomen is de reclassering echter niet tot een strafadvies gekomen.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het strafblad van verdachte waaruit naar voren komt dat hij nooit eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van de verminderde gezondheidstoestand van verdachte. In het nadeel van verdachte neemt de rechtbank verder mee dat de transporten met enige frequentie hebben plaatsgevonden en dat er sprake was van meerdere afnemers.

De verdediging heeft verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Op grond van artikel 6, eerste lid, van het EVRM dient verdachte binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft te gelden dat binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn vonnis wordt gewezen, behoudens het geval dat zich bijzondere omstandigheden voordoen. Of sprake is van bijzondere omstandigheden zal afhangen van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdediging op het procesverloop alsmede de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. In het onderhavige geval moet worden vastgesteld dat de zaak in totaal bijna drie jaar heeft geduurd. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld. De rechtbank wijst daarbij met name op de wijze waarop door en namens de verdachte de verdediging is gevoerd en uitvoering is gegeven aan toegewezen onderzoekswensen, alsmede op de omstandigheid dat de raadsman verdachte gedurende de procedure heeft verzocht om wraking van de leden van de rechtbank en hierna – toen het verzoek tot wraking negatief uitviel – de verdediging heeft neergelegd, maar daarna toch weer op zich heeft genomen, met alle vertraging van dien. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de redelijke termijn niet is overschreden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op de ernst en de duur van de feiten, niet worden volstaan met een straf gelijk aan het voorarrest, een voorwaardelijke straf of een werkstraf. De rechtbank heeft gekeken naar de straftoemetingsrichtlijnen die deze rechtbank hanteert in dit soort zaken. Gelet hierop zal zij wel een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd over het afnemend strafnut ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Immers, ook vergelding is een strafdoel en de omstandigheid dat verdachte is geschorst en derhalve thans op vrije voeten is, laat onverlet dat verdachte er rekening mee moest houden dat hem een (langere) onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd zou kunnen worden.

7 Het beslag

7.1 De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen revolver en 6 patronen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Gebleken is dat feit 2 is begaan met betrekking tot deze voorwerpen. Verder zijn deze voorwerpen van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

7.2 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen 12 verhuisdozen administratie en geldbedragen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

Naar het oordeel van de rechtbank is er onvoldoende bewijs in het dossier voorhanden dat verdachte geld heeft verdiend aan de bewezenverklaarde feiten en is er geen relatie aangetoond tussen de aangetroffen geldbedragen en de strafbare feiten.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 36b, 36c, 47, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 10, 10a, 13 en 14 van de Opiumwet, de artikelen 26, 55, 56 en 60 van de Wet wapens en munitie, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 2 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de dagvaarding geldig;

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door zich of een ander middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen, vervoermiddelen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

feit 2: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en munitie van categorie III;

feit 3: overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 2 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

de revolver (merk: Smith & Wesson) en de 6 patronen;

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de

12 verhuisdozen met administratie en de geldbedragen van € 1.660,-, € 12.000,- en € 525,-.

Dit vonnis is gewezen door mr. Kok, voorzitter, mr. Pick en mr. Ebben, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Korsten en Van Rijs, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 april 2013.

Mr. Pick is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2009

tot en met 02 maart 2010 te Tilburg en/of [plaats] en/of Yerseke en/althans

(elders) in Nederland (telkens)

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, vervaardigen,

verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het

grondgebied van Nederland brengen van amfetamine, in elk geval (telkens) een

hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde (telkens)

amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of

een ander middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I

voor te bereiden en/of te bevorderen

zich of een ander gelegenheid en/of middelen tot het plegen van dat feit heeft

trachten te verschaffen en/of (een) voorwerp(en) en/of (een) stof(fen) en/of

(een) vervoermiddel(len) en/of geld(en) en/of andere betaalmiddelen

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s)

wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd

was/waren tot het plegen van dat/die feit(en)

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens)

- chemicaliën en/of grondstof(fen) en/of hardware bestemd voor de productie

van synthetische drugs besteld en/of gekocht en/of vervoerd en/of

- chemicaliën en/of grondstof(fen) en/of hardware bestemd voor de productie

van synthetische drugs voorhanden gehad en/of

- vervoermiddelen gehuurd voor het vervoer van die chemicaliën en/of

grondstof(fen) en/of hardware en/of

- telefonische contacten onderhouden en/of afspraken gemaakt met betrekking

tot die chemicalien en/of grondstoffen en/of hardware;

art 10a lid 1 ahf/sub 3 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

2.

hij op of omstreeks 02 maart 2010 te Tilburg

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen

een (doorgeladen) vuurwapen van categorie III, te weten een revolver, Smith &

Wesson, en/of munitie van categorie III, te weten 6 patronen geschikt voor

voormelde revolver, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

3.

hij op een of meerdere tijdstip(en) in of omstreeks de periode van 1 september

2009 tot en met 2 maart 2010 in Tilburg en/of Yerseke en/of [plaats]

en/althans (elders) in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen

als marktdeelnemer de bevoegde instanties opzettelijk niet onverwijld in

kennis heeft gesteld van (een) voorval(len) met betrekking tot geregisteerde

stoffen, dat/die er op wijst/wijzen of kan wijzen, dat deze in de handel te

brengen geregistreede stoffen wellicht misbruikt zullen worden voor de

illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen,

hebbende hij verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk een hoeveelheid BMK

en/of mierenzuur en/of zoutzuur en/of andere stoffen vervoerd en/of opgeslagen

en/of voorhanden gehad;

(de terminologie is gebruikt in de zin van de Wet voorkoming misbruik

chemicaliën en de Verordening (EG) nummer 273/2004 van het Europees Parlement

en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecusoren)

artikel 2 onder 2 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën jo art 8 van de

EG-verordening nr 273/2004

art 4 lid 2 Wet voorkoming misbruik chemicaliën