Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ6932

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11-04-2013
Datum publicatie
11-04-2013
Zaaknummer
02/700016-12
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2014:4858, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanrijding auto met kinderbakfiets. Zwaar letsel door schuld in het verkeer. Artikel 6 WVW. Fietssuggestiestroken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/700016-12

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 april 2013

in de strafzaak tegen

(Verdachte)

geboren te

wonende te , .

raadsman mr. Van der Heijden, advocaat te Maastricht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 28 maart 2013, waarbij de officier van justitie, mr. Simpelaar, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, primair op neer dat verdachte:

met zijn auto door zijn schuld een “Babboe”-bakfiets heeft aangereden, waardoor de bestuurder van die bakfiets en zijn dochtertje zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen, en subsidiair dat verdachte door zijn rijgedrag gevaar en/of hinder op de weg heeft veroorzaakt dan wel dat verdachte zijn snelheid niet zo geregeld heeft dat hij tot stilstand kon komen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, waardoor die auto in botsing is gekomen met de bakfiets. Als tweede subsidiair is ten laste gelegd dat verdachte een verkeersovertreding ingevolge het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 heeft begaan.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat verdachte van het primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Geconstateerd kan worden dat verdachte te veel rechts is blijven rijden, op de fietsstrook en dat de onvoorzichtigheid en onoplettendheid van het gedrag van verdachte daarmee is gegeven. Ook staat daarmee volgens de officier de verwijtbaarheid van het gedrag van verdachte vast. Er is evenwel niet gebleken dat het weggedrag van verdachte voorafgaand aan de aanrijding met de bakfiets onjuist is geweest of dat verdachte bewust risico’s voor de verkeersveiligheid in het leven heeft geroepen. Er kan aldus niet worden gesproken van aanzienlijke onvoorzichtigheid en dus niet van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet (WVW).

De officier van justitie acht het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Verdachte is onvoldoende oplettend geweest, hetgeen gekwalificeerd kan worden als onvoorzichtig. Door deze onvoorzichtigheid heeft verdachte gevaar veroorzaakt en heeft het ongeval kunnen ontstaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het primair tenlastegelegde feit. Op geen enkele wijze blijkt uit de gedragingen van verdachte dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan roekeloos rijgedrag, dan wel dat hij in hoge of aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of onnadenkend en/of ondeskundig heeft gereden. Uit de feiten blijkt dat verdachte een black-out heeft gehad. Verdachte was om deze reden in het geheel niet in staat om goed waar te nemen dan wel op adequate wijze te reageren.

Voorts valt blijkens de jurisprudentie in zijn algemeenheid niet aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor een bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Een door een automobilist gemaakte fout leidt alleen dan tot aanmerkelijke schuld indien deze ingevolge de maatschappelijke verantwoordelijkheid die op een verkeersdeelnemer rust, niet gemaakt had mogen worden. Hiervan is in dit geval geen sprake.

Ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde is de verdediging van oordeel dat verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging, daar sprake is van afwezigheid van alle schuld. Uit alles blijkt dat verdachte ten tijde van het ongeval even weg is geweest, zodat er hem in die zin geen enkel verwijt kan worden gemaakt.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 30 april 2012 vond er op de Udenhoutseweg te Loon op Zand een verkeersongeval plaats tussen een personenauto, BMW, en een “Babboe”- bakfiets. De rijbaan van de Udenhoutseweg bestond uit een rijstrook met aan beide zijden een fietssuggestiestrook. Beide fietssuggestiestroken waren optisch gescheiden van het grijze middengedeelte door middel van een onderbroken witte deelstreep en een rood-bruin kleurige rijstrookbedekking. Er gold ter plaatse een maximumsnelheid van 60 km/uur.

Verdachte reed in zijn BMW aan de rechterzijde van de Udenhoutseweg, waarbij derhalve ook de volle breedte ter plaatse van de fietssuggestiestrook werd gebruikt., komende uit de richting van Udenhout. In gelijke rijrichting van verdachte reed aan de rechterkant van de weg, eveneens op de fietssuggestiestrook, de “Babboe”-bakfiets, bestuurd door met in de bak van de fiets zijn kinderen, , en . De fietssuggestiestrook was voldoende breed, zodat de bakfiets zich in zijn geheel op deze strook bevond, zo blijkt uit de verkeersongevalanalyse en het sporenonderzoek dat daarin is opgenomen. Op enig moment reed de BMW van verdachte met de voorzijde tegen het achterwiel van de bakfiets aan. Op het moment van de aanrijding bevond de auto van verdachte zich aan de uiterste rechterzijde op de fietssuggestiestrook . De auto kwam met de voorbumper in contact met het achterwiel van de bakfiets op een plaats, links van het midden van deze voorbumper, bezien vanuit de positie van de bestuurder van de auto . Ten gevolge van de aanrijding werd van de bakfiets afgeworpen en kwam op de voorruit van de BMW terecht. De kinderen die in de bakfiets zaten, werden met de bak door de BMW in de berm gedrukt. Van de kinderen was er ernstig aan toe en zij werd met een traumahelikopter naar het ziekenhuis overgebracht. Hier bleek dat zij hersenletsel had opgelopen, waarbij haar linker lichaamshelft verlamd was geraakt. zou een langdurig revalidatietraject ingaan. De vader van had als gevolg van de aanrijding afgescheurde schouderbanden links en is hiervoor een aantal malen geopereerd.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of het rijgedrag van verdachte zodanig is geweest dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Of sprake is van een dergelijke schuld hangt volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad af van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

Met betrekking tot de toedracht van het ongeval acht de rechtbank het volgende van belang.

De Udenhoutseweg had kort voor, op en voorbij de plaats van het ongeval een recht wegverloop. Verdachte heeft steeds verklaard de bakfiets niet te hebben gezien. Volgens zijn eigen verklaring reed hij ten tijde van de aanrijding ongeveer 60 kilometer per uur. Ook uit het proces-verbaal verkeersongevalsanalyse volgt dat verdachte op het moment van de aanrijding waarschijnlijk geen hogere snelheid had dan de maximum toegestane snelheid. Op het moment van het ongeval was het helder, droog weer. Het uitzicht voor de betreffende bestuurders werd door de wegsituatie en/of de inrichting van de weg niet belemmerd door vaste obstakels. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij die ochtend voldoende uitgerust was, geen alcohol had gebruikt en dat hij de situatie ter plekke goed kende. Hij heeft zich na het ongeval uitvoerig medisch laten onderzoeken en uit die onderzoeken zijn, aldus verdachte, geen bijzonderheden naar voren gekomen. De ochtend van het ongeval was het rustig op de weg. Hij heeft geen tegenliggers gezien. Verdachte verklaarde bovendien dat hij de gewoonte heeft om zo veel mogelijk aan de rechterzijde van de weg te rijden, ook als er sprake is van fietssuggestiestroken op het wegdek.

De rechtbank is gelet op bovenstaande omstandigheden van oordeel dat de bakfiets voor verdachte als achteropkomend verkeer geruime tijd voorafgaand aan de aanrijding zichtbaar moet zijn geweest. Beiden hebben de nodige tijd in dezelfde rijrichting, aan dezelfde kant van de weg gereden en vast is komen te staan dat het zicht van verdachte niet werd belemmerd. Verdachte heeft zelf geen omstandigheden kunnen noemen die een verklaring zouden kunnen vormen voor het in het geheel niet waarnemen van de bakfiets, waartegen hij met onverminderde snelheid is aangereden. De raadsman heeft weliswaar aangegeven dat er sprake moet zijn geweest van een “black-out”, maar voor een black-out zijn geen aanknopingspunten gevonden tijdens de medische onderzoeken die verdachte heeft ondergaan. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat verdachte gedurende een langere tijdspanne zijn aandacht niet voortdurend en voldoende op de weg en het daarop aanwezige verkeer heeft gehouden.

Naast het feit dat verdachte onoplettend is geweest, heeft verdachte met zijn auto over de fietssuggestiestrook gereden. De fietssuggestiestrook is, zo begrijpt de rechtbank uit voor eenieder te raadplegen kennisbronnen, bedoeld om een zo veilig mogelijke situatie te bewerkstelligen. Door de fietssuggestiestrook wordt de rijbaan visueel versmald door een onderbroken belijning en veelal ook een afwijkende kleur.De bedoeling van deze weginrichting is, dat auto’s zoveel mogelijk gebruik maken van de tussen de stroken gelegen rijbaan, en dat fietsers zoveel mogelijk gebruik maken van de fietssuggestiestroken. Dit alles ten behoeve van de verhoging van verkeersveiligheid van al het wegverkeer, in het bijzonder de fietsers.

Verdachte heeft door op de fietssuggestiestrook te blijven rijden, zonder dat dit noodzakelijk was vanwege tegemoetkomend verkeer, niet alles gedaan om een zo veilig mogelijke verkeerssituatie te creëren. Gelet op hetgeen verdachte ter zitting heeft gezegd over zijn rijgedrag op wegen met fietssuggestiestroken, kan de rechtbank niet anders concluderen dan dat verdachte qua rijgedrag geen enkel onderscheid lijkt te maken tussen wegen waar wel fietssuggestiestroken zijn aangebracht en wegen waar dit niet het geval is. Ook in dit geval heeft verdachte zich met zijn rijgedrag niet laten leiden door de in voorgaande overweging uiteengezette bedoeling van een weginrichting met fietssuggestiestroken. Bij het berijden van die fietsuggestiestrook had verdachte naar het oordeel van de rechtbank extra oplettend en voorzichtig moeten zijn. Hij reed immers, ondanks dat de weg visueel anders was ingericht, op de strook waar zich normaliter kwetsbare deelnemers in het verkeer bevinden, te weten fietsers. Verdachte heeft zijn snelheid daaraan niet aangepast en heeft daarnaast zijn aandacht niet voortdurend op de weg gehouden.

Het rijden met een motorrijtuig over een fietssuggestiestrook is weliswaar op zichzelf geen strafbaar feit, maar de rechtbank kent aan dit rijgedrag van verdachte betekenis toe bij de beoordeling van het geheel van gedragingen van verdachte en de overige omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden. Op grond van de beschikbare informatie kan de rechtbank niet anders concluderen dan dat het ongeval hoogst waarschijnlijk niet zou hebben plaatsgevonden indien verdachte de voor zijn auto bedoelde rijstrook zou hebben gebruikt.

De combinatie van voorstaande gedragingen brengen de rechtbank tot het oordeel dat verdachte in aanzienlijke mate onvoorzichtig heeft gehandeld waardoor de aanrijding heeft plaatsgevonden en waardoor vader en zijn dochtertje zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen. Het vorenstaande verwijt is wezenlijk anders dan wanneer in een onoverzichtelijke verkeersituatie in een kort moment een verkeerde beslissing wordt genomen. Daarvan is in onderhavig geval evenwel geen sprake.

Het primair ten laste gelegde is naar het oordeel van de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

hij, op of omstreeks 30 april 2012, in de gemeente Loon op Zand, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto, BMW), daarmede rijdende over de weg, de Udenhoutseweg, en naderend een, in gelijke richting als hij, verdachte, over de, gezien de rijrichting, "rechts"

langs de rijbaan van die weg gelegen, zogeheten fietssuggestiestrook, rijdende

bestuurder van een zogeheten "Babboe"-bakfiets (waarmede drie kinderen als

inzittenden werden vervoerd),

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval in hoge, althans

aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of onnadenkend en/of

ondeskundig,

- zijn, verdachte's, aandacht, niet, althans niet voldoende en/of bij

voortduring, te richten en/of gericht te houden, op het zich voor hem,

verdachte, op de rijbaan en/of op die fietssuggestiestrook van die weg,

bevindende verkeer

en/of

- met dat motorrijtuig (gedeeltelijk) op die genoemde fietssuggestiestrook van

die weg te gaan en/of te blijven rijden

en/of

- niet, althans niet behoorlijk, gezien zijn, verdachte's rijrichting, "naar

links" uit te wijken,

op het moment dat hij, verdachte, die bestuurder van die, op die

fietssuggestiestrook rijdende, "Babboe"-bakfiets, tot op (zeer) korte afstand

was genaderd,

(mede) tengevolge waarvan hij, verdachte, met dat motorrijtuig (personenauto,

BMW), tegen de achterzijde van die "Babboe"-bakfiets, is gebotst gereden,waardoor de bestuurder, genaamd , van die "Babboebakfiets",

alsmede een (van drie) inzittenden van die "Babboe"-bakfiets, genaamd: , zwaar lichamelijk letsel, of zodanig lichamelijk letsel werd

toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening

van de normale bezigheden is ontstaan, te weten, ten aanzien van : "afgescheurde schouderbanden, althans schouderletsel", alsmede, ten

aanzien van : "hersenletsel en/of verlamming van de linker

lichaamshelft".

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een geldboete van € 750,- subsidiair 15 dagen hechtenis en daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid van

12 maanden en 16 dagen met aftrek, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte vrij dient te worden gesproken dan wel dat er ontslag van alle rechtsvervolging moet volgen. Zo de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen, verzoekt de verdediging bij de strafmaat rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 30 april 2012 vond er een ongeval plaats, waarbij een vader en een van zijn

3 kinderen ernstig gewond raakten. Doordat verdachte in aanzienlijke mate onvoorzichtig heeft gehandeld, is het ongeval aan zijn schuld te wijten. Het ongeval is voor de slachtoffers een zeer ingrijpende gebeurtenis geweest. heeft een langdurig revalidatietraject doorlopen en is nog vaak verdrietig dat zij ten gevolge van het ongeval dingen niet kan. De ouders van geven aan dat het onzeker is hoe de toekomst van er uit zal zien, Zoals op zitting is gebleken worden zij nog elke dag herinnerd aan en geconfronteerd met de gevolgen van het ongeval. Ook op verdachte heeft het ongeval een grote impact gehad. De rechtbank zal dit gegeven in zijn voordeel meewegen bij de bepaling van de straf. De rechtbank weegt tevens mee dat verdachte naar de slachtoffers toe zijn medeleven heeft geuit en dat hij een blanco strafblad heeft.

De officier van justitie is bij haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde feit.

Nu de rechtbank het primair ten laste gelegde feit bewezen acht, zal zij een hogere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank de landelijke oriëntatiepunten betrokken.

De rechtbank legt verdachte een geldboete op van € 1500,- subsidiair 25 dagen hechtenis. Daarnaast legt zij een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op voor de duur van 6 maanden met aftrek van de duur dat het rijbewijs reeds ingevorderd is geweest. De rechtbank zal geen voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen. Zoals hiervoor reeds is aangegeven, heeft het ongeval ook op verdachte veel impact gehad. De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte uit eigener beweging er alles aan zal doen om een ongeval in de toekomst te voorkomen. Een voorwaardelijke rijontzegging acht de rechtbank om deze reden niet noodzakelijk.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23, 24, 24c, 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen de artikelen 6, 175, 178, 179 en 188 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 1500,=;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 25 dagen;

Bijkomende straffen

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 6 maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs van verdachte reeds ingevorderd of ingehouden is geweest.

Dit vonnis is gewezen door mr. Bakx, voorzitter, mr. Van de Wetering en mr. Van Triest, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Bles, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 11 april 2013.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

hij, op of omstreeks 30 april 2012, in de gemeente Loon op Zand, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto,

BMW), daarmede rijdende over de weg, de Udenhoutseweg, en naderend een, in

gelijke richting als hij, verdachte, over de, gezien de rijrichting, "rechts"

langs de rijbaan van die weg gelegen, zogeheten fietssuggestiestrook, rijdende

bestuurder van een zogeheten "Babboe"-bakfiets (waarmede drie kinderen als

inzittenden werden vervoerd),

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval in hoge, althans

aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of onnadenkend en/of

ondeskundig,

- zijn, verdachte's, aandacht, niet, althans niet voldoende en/of bij

voortduring, te richten en/of gericht te houden, op het zich voor hem,verdachte, op de rijbaan en/of op die fietssuggestiestrook van die weg,

bevindende verkeer

en/of

- met dat motorrijtuig (gedeeltelijk) op die genoemde fietssuggestiestrook van

die weg te gaan en/of te blijven rijden

en/of

- niet, althans niet behoorlijk, gezien zijn, verdachte's, rijrichting, "naar

links" uit te wijken,

op het moment dat hij, verdachte, die bestuurder van die, op die

fietssuggestiestrook rijdende, "Babboe"-bakfiets, tot op (zeer) korte afstand

was genaderd,

(mede) tengevolge waarvan hij, verdachte, met dat motorrijtuig (personenauto,

BMW), tegen de achterzijde van die "Babboe"-bakfiets, is gebotst gereden,

waardoor de bestuurder, genaamd , van die "Babboebakfiets",

alsmede een (van drie) inzittenden van die "Babboe"-bakfiets, genaamd: , zwaar lichamelijk letsel, of zodanig lichamelijk letsel werd

toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefeningvan de normale bezigheden is ontstaan, te weten, ten aanzien van : "afgescheurde schouderbanden, althans schouderletsel", alsmede, ten

aanzien van : "hersenletsel en/of verlamming van de linker

lichaamshelft",

zijnde de terminologie in deze tenlastelegging, voor zover daaraan betekenis

is gegeven, gebezigd in de zin van de Wegenverkeerswet 1994;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 30 april 2012, in de gemeente Loon op Zand, als

bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, BMW),

daarmede (gedeeltelijk) rijdende op de, gezien de rijrichting, "rechts", langs

de rijbaan van de weg, de Udenhoutseweg, gelegen, zogeheten

fietssuggestiestrook, en naderend de bestuurder van een, op die fietssuggestiestrook van die weg rijdende bestuurder van een zogeheten

"Babboe"-bakfiets (waarmede drie kinderen als inzittenden werden vervoerd),

niet, althans behoorlijk/voldoende, gezien zijn, verdachte's, rijrichting,

"naar links" is uitgeweken, althans niet voldoende maatregelen heeft genomen,

toen hij, verdachte, daartoe genoodzaakt was, teneinde een aanrijding/botsing

te voorkomen met die, zich voor zijn, verdachte's, motorrijtuig op die

fietssuggesstiestrook van die weg rijdende (bestuurder van die)

"Babboe"-bakfiets, waarna (vervolgens) het door hem, verdachte, bestuurde

motorrijtuig in aanrijding/botsing is gekomen met (de achterzijde van) die,

vóór hem, verdachte, op die fietssuggestiestrook van die weg rijdende

"Babboe"-bakfiets,bestuurd door: , met als inzittenden: en/of en/of ,

door welke gedraging(en) van hem, verdachte, gevaar op die weg werd

veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg werd

gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzoverdaaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

tweede subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 30 april 2012, in de gemeente Loon op Zand, als

bestuurder van een motorvoertuig (personenauto, BMW), daarmede (gedeeltelijk)

rijdende op de, gezien zijn, verdachte's, rijrichting, "rechts" langs de

rijbaan van de weg, de Udenhoutseweg, gelegen, zogeheten fietssuggestiestrook,

zijn, verdachte's, snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was

om zijn motorvoertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij

de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is het door hem,

verdachte, bestuurde motorvoertuig in aanrijding/botsing gekomen met een zich

vóór zijn, verdachte's, motorvoertuig op die fietssuggestiestrook van die weg

bevindende, zogeheten "Babboe"-bakfiets, bestuurd door: , met als

inzittenden: en/of en/of ,waardoor letsel aan laatstgenoemde personen werd toegebracht en/of schade aan

goederen is ontstaan ;

art 19 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990