Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ6919

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-01-2013
Datum publicatie
11-04-2013
Zaaknummer
12/1237
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rioolheffing. Volgens de Verordening van gemeente Veere wordt rioolheffing geheven op basis van de afgenomen kubieke meters water maar wordt die hoeveelheid verminderd met de hoeveelheid water die niet als afvalwater is afgevoerd. De rechtbank van oordeel dat deze verminderingsbepaling algemene werking heeft en niet slechts van toepassing is op (agrarische) bedrijven. In het onderhavige geval maakt belanghebbende aannemelijk dat ten minste 1 m3 (afval)water is gebruikt voor het besproeien van de tuin en niet via het riool is afgevoerd. Dat leidt tot indeling in het laagste belastingtarief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1054
Belastingblad 2013/272
V-N 2013/28.23.12
FutD 2013-1030
JAF 2013/269 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Zittingsplaats: Middelburg

Zaakgegevens AWB 12/1237

uitspraak van 22 januari 2013

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [plaats],

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Veere,

de heffingsambtenaar.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de heffingsambtenaar van 5 maart 2012 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2012 opgelegde aanslag rioolheffing (gebruikersdeel).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2013.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, en namens de heffingsambtenaar, [gemachtigde]u.

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een ten bedrage van € 51,50;

- gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 42 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 25 februari 2012 de aanslag rioolheffing gebruikersdeel over 2012 opgelegd.

2.2. De Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2012 (hierna: de Verordening) luidt, voor zover van belang, als volgt:

(…)

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder;

a. perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan;

b. gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor

inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of

grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;

c. verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking

heeft;

d. water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater of grondwater.

(…)

Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht

1. De belasting wordt geheven:

a. (…)

b. van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de

gemeentelijke riolering wordt afgevoerd, verder te noemen; gebruikersdeel.

(..)

3. Met betrekking tot het gebruikersdeel, wordt als gebruiker aangemerkt:

a. degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet

krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt;

b. ingeval een gedeelte van een perceel - niet een gedeelte als bedoeld in artikel 4

ten gebruike is afgestaan: degene die dat gedeelte in gebruik heeft afgestaan.

Artikel 5 Maatstaf van heffing

(…)

3. Het gebruikersdeel wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanuit

het perceel wordt afgevoerd.

4. Het aantal kubieke meters water wordt gesteld op:

a. het aantal kubieke meters leidingwater en grondwater dat in de laatste aan het

begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is

toegevoerd of is opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een

periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar

tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand

voor een volle maand gerekend.

(…)

6. De op de voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of gepompt

water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet als afvalwater is

afgevoerd.

Artikel 6 Belastingtarieven

(…)

2. Het gebruikersdeel bedraagt:

a. € 51,50 van 0 m3 tot en met 75 m3 afvalwater (grondslag 1);

b. € 72,25 van 76 m3 tot en met 150 m3 afvalwater (grondslag 2);

c. € 92,95 van 151 m3 tot en met 300 m3 afvalwater (grondslag 3);

d. € 183,05 van 301 m3 tot en met 1000 m3 afvalwater (grondslag 4);

e. € 273,30 voor meer dan 1000 m3 (grondslag 5)vermeerderd met € 0,34 per

m3 voor elke m3 waarmee de hoeveelheid afgevoerd afvalwater de 1000 m3 te

boven gaat.

(…)”

2.3. Voor het bepalen van het belastingtarief is belanghebbende ingedeeld in “grondslag 2”.

2.4. Tussen partijen is niet in geschil dat, conform de opgaaf van het waterleidingbedrijf, in 2012 de – herrekende - hoeveelheid afgenomen water voor belanghebbendes perceel 76 m3 bedroeg.

2.5. Conform het bepaalde in artikel 5, lid 6, van de Verordening dient de op grond van artikel 5, lid 4, berekende hoeveelheid toegevoerde water, verminderd te worden met het toegevoerde water dat niet als afvalwater (via het riool) is afgevoerd. Belanghebbende stelt dat bij de berekening van de maatstaf van heffing ten onrechte geen rekening is gehouden met de hoeveelheid afgenomen water die onder andere is gebruikt voor het besproeien van zijn tuin, het wassen van zijn auto, het leeggooien van het kinderbadje en niet via het riool is afgevoerd. De hoeveelheid niet via het riool afgevoerde (afval)water bedraagt, aldus belanghebbende, ten minste 1 m3,, zodat hij voor de heffing van het gebruikersdeel voor het laagste tarief in aanmerking komt.

2.6. De heffingsambtenaar heeft gesteld dat belanghebbende er ten onrechte aan voorbij gaat dat ook afgevoerd hemelwater gezien wordt als afgevoerd afvalwater. Voorts belandt, aldus de heffingsambtenaar, water waarmee de tuin wordt gesproeid en/of de auto wordt gewassen, via het grondwater (uiteindelijk) in het gemeentelijk riool. Artikel 5, lid 6, is volgens de heffingsambtenaar dan ook bedoeld voor agrarische bedrijven. Een deel van het toegevoerde water bij deze bedrijven wordt namelijk (op)gedronken door het vee en dient, alsdus de heffingsambtenaar, niet mee te tellen bij het bepalen van de maatstaf van heffing.

2.7. De rechtbank kan de heffingsambtenaar niet volgen in zijn stelling dat ook afgevoerd hemelwater meetelt voor het bepalen van de maatstaf van heffing. In artikel 5, lid 4, van de Verordening, is bepaald dat het aantal kubieke meters wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbuiksperiode naar het perceel is toegevoerd. De rechtbank stelt dan ook vast dat voor het bepalen van de maatstaf van heffing uitsluitend aansluiting wordt gezocht bij van het waterleidingbedrijf afgenomen water. Water dat als neerslag op de eigendom valt (hemelwater) en wordt afgevoerd, telt dus niet mee. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de bepaling in artikel 5, lid 6, van de Verordening algemene werking heeft nu noch in dat artikellid, noch overigens in de Verordening is bepaald dat dit artikellid slechts van toepassing is op (agrarische) bedrijven.

2.8. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat een belastingplichtige die aanspraak maakt op toepassing van de in artikel 5, lid 6, van de Verordening neergelegde vermindering, stelt en bij betwisting aannemelijk maakt, dat en in hoeverre naar zijn eigendom toegevoerde of opgepompte hoeveelheid water niet als afvalwater is afgevoerd. Belanghebbende heeft daartoe onweersproken gesteld dat zijn tuin 700 vierkante meter groot is en dat een sproeibeurt gelijk staat aan het verbruik van 200 liter water. Voor het verbruik van 1 m3 water (is 1000 liter) moet belanghebbende in 2012 dus minste vijf keer zijn tuin hebben gesproeid. Het aantal sproeibeurten per jaar bedroeg volgens belanghebbende, en de rechtbank acht dit aannemelijk, een veelvoud hiervan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende dan ook aannemelijk gemaakt dat ten minste 1 m3 (afval)water niet via het riool is afgevoerd. In dit verband overweegt de rechtbank dat de heffingsambtenaar zijn stelling dat een deel van het sproeiwater via het grondwater uiteindelijk in het gemeentelijk riool terechtkomt, onvoldoende heeft geconcretiseerd. Ter zitting is komen vast te staan dat er in elk geval geen rioleringsputten zitten aan de rand van de weg die voor de woning van belanghebbende loopt. Ook ter zitting heeft de heffingsambtenaar niet aan kunnen geven hoe het water dan via de tuin in het riool zou kunnen komen. Het kan net zo goed onderdeel worden van het grondwater, zoals belanghebbende heeft betoogd. Speciaal voor sproeiwater geldt bovendien dat het overgrote deel daarvan wordt opgedronken door de planten en/of verdampt.

2.9. Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de op de voet van het derde lid van artikel 5 van de Verordening berekende hoeveelheid toegevoerd

water moet worden verminderd met 1 m3, zodat het verbruik van belanghebbende uitkomt op 75 m3 en belanghebbende ingedeeld moet worden in het laagste belastingtarief (“Grondslag 1”). De aanslag moet dan worden verminderd tot € 51,50. Het beroep is gegrond.

2.10. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld of aannemelijk is geworden dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Deze uitspraak is gedaan op 22 januari 2013 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. Jansen, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 23 januari 2013

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.