Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ6777

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
10-04-2013
Datum publicatie
10-04-2013
Zaaknummer
02/801020-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt verdachte voor afpersing in het midden van de nacht. Verdachte wordt partieel vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/801020-12

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 april 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. Buntsma, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 maart 2013, waarbij de officier van justitie, mr. Weijers, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 27 oktober 2012 te Breda onder bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen om zijn GSM af te geven.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de afpersing van [slachtoffer] en baseert zich daarbij op de aangifte van [slachtoffer] en de verklaringen van verdachte bij de politie en ter zitting.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de verdachte partieel van het tenlastegelegde vrijgesproken dient te worden. Uit het dossier blijkt dat enkel bewezen kan worden dat verdachte de weg voor [slachtoffer] met zijn auto heeft geblokkeerd en dat hij om de portemonnee van [slachtoffer] heeft gevraagd. Van de overige onderdelen dient verdachte vrijgesproken te worden, omdat hiervoor onvoldoende wettig bewijs in het dossier voorhanden is.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 27 oktober 2012 omstreeks 04.20 uur rijdt aangever [slachtoffer] met zijn vriendin [vriendin slachtoffer], ieder op een fiets vanaf het centrum te Breda naar huis. Op de Haagweg te Breda zag hij een zilvergrijze Opel Astra vanaf achter langs komen rijden. Hij zag dat de auto hem afsneed en ongeveer 10 meter voor hem stopte en dat de auto daarbij de fietsstrook blokkeerde en deels de weg. Hij heeft tegen zijn vriendin gezegd dat zij terug moest gaan hetgeen zijn vriendin deed. [slachtoffer] is toen langs de Opel Astra het fietspad opgefietst en is daarop hard weggefietst. De auto achtervolgde hem. Op een gegeven moment is hij de Chabotstraat ingefietst en het Chabotpad opgereden. Daarop zag [slachtoffer] dat dit pad dood liep. Hij draaide zich om en zag de betreffende Opel Astra stoppen aan het begin van het Chabotpad. Vervolgens zag hij 2 personen uitstappen en een kale man met oorbellen en stevig postuur op hem afkomen die hem de pas afsneed. [slachtoffer] verklaart dat de man op 1 meter afstand voor hem stond. Hij zag de man met zijn rechterhand achter zijn rug grijpen en hij hoorde de man zeggen “ik pak mijn pipa en blaas je weg”. Hij hoorde daarop de man tot driemaal toe roepen “geef me je portemonnee” waarop hij zei dat hij geen portemonnee bij zich had, maar wel een telefoon. Daarop zegt hij zijn telefoon uit zijn broekzak te hebben gepakt, een zwarte HTC Desire HD, en deze aan de man te hebben gegeven. Hij verklaart dat de man de telefoon heeft aangenomen en hij hoorde de man zeggen “wegfietsen”en “kijk niet naar de auto”. Hierop is hij met zijn fiets omgedraaid waarna de man wegrende richting de auto.

Verdachte heeft ter zitting bekend dat hij zijn auto voor de fietser heeft gezet, vervolgens achter de fietser is aangereden, is uitgestapt, op de fietser is afgelopen, de fietser - volgens verdachte op normale toon - om zijn portemonnee heeft gevraagd en daarna om zijn telefoon en dat hij de voornoemde telefoon van de fietser heeft aangenomen en meegenomen en vervolgens heeft gezegd “wegfietsen” en “ kijk niet naar de auto”. Hij ontkent echter dat hij de fietser bedreigd heeft door met zijn hand achter zijn rug te gaan en hem toe te voegen: “ik pak mijn pipa en blaas je weg”. Hij wilde alleen verhaal halen bij de fietser waarom deze vanaf het fietspad op de Haagweg zomaar de rijbaan opschoot en hij is om die reden achter de fietser aangegaan om te praten waarom hij dat deed.

Tegenover de verklaring van aangever staat derhalve de verklaring van verdachte. Voorts heeft getuige [getuige 1], die op de Chabotstraat woont, verklaard dat zij uit haar slaapkamerraam keek, een fietser zag staan en zilvergrijze personenauto. Ze zag en hoorde dat de bestuurder van de personenauto terug in zijn voertuig stapte, nadat hij een luidruchtig gesprek met die fietser had gehad.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of uit voornoemde verklaringen bewezen kan worden verklaard of sprake is van afpersing van de telefoon van [slachtoffer] door middel van bedreiging met geweld en zo ja, waar die bedreiging met geweld dan uit heeft bestaan.

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de verklaring van verdachte dat hij aanvankelijk de bedoeling heeft gehad alleen het “verkeersgedrag” van [slachtoffer] te bespreken; dat hij om die reden naast [slachtoffer] is gaan rijden; het raampje van zijn auto naar beneden heeft gedaan en heeft gezegd dat [slachtoffer] moest uitkijken. Die verklaring vindt namelijk steun in wat getuige [getuige 2] ook heeft waargenomen . Zij verklaart dat er wat uit een zilverkleurige personenauto werd geroepen en dat de personenauto telkens afremde om naast [slachtoffer] te blijven rijden. Vanaf het moment waarop verdachte, na naast [slachtoffer] te hebben gereden, besloot om voor [slachtoffer] de weg te blokkeren en achter de wegfietsende [slachtoffer] aan te gaan is naar het oordeel van de rechtbank de intentie van verdachte veranderd van wat zich aanvankelijk als een verkeersruzie laat aanzien naar een achtervolging om verdachte een “lesje te leren” en daarbij uiteindelijk niet te schuwen om iets mee te nemen..

Dat verdachte na het uitstappen op het Chabotpad met zijn hand achter zijn rug heeft gegrepen en “ik pak mijn pipa en blaas je weg” heeft gezegd acht de rechtbank niet bewezen. Daarvoor is namelijk alleen de verklaring van [slachtoffer] aanwezig en geen verder ondersteunend bewijs. Het is de vraag of deze verklaring op dat punt voldoende betrouwbaar kan worden geacht. [slachtoffer] heeft namelijk tegen [getuige 2] verklaard dat hij een pistool tegen zijn hoofd had gekregen, terwijl dat uit zijn aangifte niet blijkt . Hij heeft derhalve naar het oordeel van de rechtbank hetgeen gebeurd is tegen [getuige 2] “aangedikt”. Hierdoor is bij de rechtbank twijfel ontstaan of zoals aangever zegt, dat verdachte met zijn hand achter zijn rug is gegaan en met het “pakken van een pipa” en met “ik blaas je weg” heeft gedreigd, zodat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Desalniettemin acht de rechtbank bewezen dat verdachte onder bedreiging met geweld de telefoon van [slachtoffer] heeft afgeperst. Die bedreiging met geweld bestaat naar het oordeel van de rechtbank hierin dat verdachte de weg voor [slachtoffer] heeft geblokkeerd en, zoals verdachte zelf ter zitting van de rechtbank heeft verklaard met zijn postuur dreigend op [slachtoffer] is afgelopen en daarbij luidruchtig - zoals getuige [getuige 1] heeft verklaard - tot 3 keer toe tegen [slachtoffer] heeft gezegd “geef me je portemonnee “ en toen [slachtoffer] aangaf alleen een telefoon te hebben “geef me je telefoon”, waarna [slachtoffer] zich gedwongen heeft gevoeld deze aan verdachte af te geven. Dat het zo gegaan is leidt de rechtbank ook mede af uit hetgeen verdachte ter zitting heeft opgemerkt namelijk dat hij zichzelf in de situatie van aangever “ook bedreigd zou hebben gevoeld”.

Van de onderdelen “wegfietsen” en “kijk niet naar de auto” zal de rechtbank verdachte vrijspreken nu deze woorden zijn gebezigd nadat verdachte de telefoon reeds in zijn bezit had en de afpersing dus al was voltooid, zodat deze woorden daaraan niet meer konden bijdragen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 27 oktober 2012 te Breda met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een GSM (HTC Desire HD) toebehorende aan [slachtoffer], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte

- de weg voor die [slachtoffer] (die op de fiets reed) heeft geblokkeerd met het door hem, verdachte, bestuurde voertuig en

opzettelijk dreigend, die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd: "Geef me je portemonnee" en - zakelijk weergegeven - die [slachtoffer] om zijn telefoon heeft gevraagd.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van

15 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met daaraan gekoppeld een reclasseringstoezicht en een meldgebod. Bij de bepaling van de vordering heeft de officier van justitie, naast de ernst van het feit, in het nadeel van verdachte rekening gehouden met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte ruim 4 weken voor het plegen van het tenlastegelegde voor een bedreiging is veroordeeld.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt aan verdachte een werkstraf van 240 uren met aftrek van voorarrest op te leggen, zodat verdachte van de straat is en in zijn ritme kan blijven.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing van een telefoon onder bedreiging van geweld. Het moet voor [slachtoffer] zeer beangstigend zijn geweest wat er gebeurde. Hij fietste na een avondje uit met zijn vriendin naar huis en werd zomaar geconfronteerd met agressief gedrag van verdachte waarbij hij door verdachte bijna is klemgereden, net heeft kunnen ontkomen en zijn telefoon heeft af moeten geven. De rechtbank kan zich voorstellen dat [slachtoffer] erg moet zijn geschrokken toen hij zag dat een grote kale man met stevig postuur op hem kwam afgelopen. Daarbij komt dat [slachtoffer] op dat moment niet wist wat verdachte van plan was. Dat verdachte zich niet in de hand heeft weten te houden, rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Dat hij flink gedronken had is geen enkele verontschuldiging voor zijn gedrag.

Tevens houdt de rechtbank rekening met de gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving die dergelijke feiten doorgaans met zich meebrengen.

Ook houdt de rechtbank rekening met het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat hij ruim een maand voor het ten laste gelegde feit is veroordeeld tot een werkstraf voor een bedreiging die in juli 2012 heeft plaatsgevonden. Deze veroordeling is inmiddels onherroepelijk geworden. Kennelijk heeft verdachte hier niet van geleerd.

Voor wat betreft de strafmaat acht de rechtbank de eis van de officier van justitie veel te hoog. Zelfs als alle onderdelen van de tenlastelegging bewezen zouden zijn, komt de rechtbank niet tot een dergelijke forse gevangenisstraf, ook al heeft de officier van justitie daarvan een deel voorwaardelijk gevorderd als “stok achter de deur” en om bijzondere voorwaarden, zoals reclasseringstoezicht, mogelijk te maken. De context waarin alles is gebeurd kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vergeleken met een “straatroof midden in de nacht”, zoals de officier van justitie heeft verklaard.

Nu de rechtbank verdachte van een aantal onderdelen van de tenlastelegging vrijspreekt en de zaak in een lichtere context moet worden gezien dan een echte nachtelijke straatroof, acht de rechtbank – anders dan de officier van justitie – een taakstraf meer op zijn plaats dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen om hem te weerhouden zich opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en om binnen een verplichtend kader reclasseringstoezicht mogelijk te maken zodat verdachte kan werken aan vaardigheden om zonder agressie conflicten op te lossen.

Alles afwegende komt de rechtbank tot een taakstraf van 240 uren met aftrek van voorarrest alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Tevens wordt aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde verbonden dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal moeten houden aan de aanwijzingen van de Reclassering, ook als dat inhoudt het volgen van een door de Reclassering noodzakelijk geachte training zoals een Cova-training of een agressieregulatie training. Voorts dient verdachte zich binnen 3 dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis te melden bij de Reclassering te Breda.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 63 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Afpersing;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht niet ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland te Breda, ook als dat inhoudt het volgen van een door de Reclassering Nederland noodzakelijk geachte training zoals een Cova-training óf een agressieregulatietraining;

- geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarde(n) en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- dat verdachte zich binnen drie dagen nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden, zal melden bij deze reclasseringsinstelling;

- bepaalt dat als algemene voorwaarde wordt toegevoegd:

* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken daaronder begrepen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Volkers, voorzitter, mr. Kooijman en mr. Van Gessel, rechters, in tegenwoordigheid van Vermaat, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 10 april 2013.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 27 oktober 2012 te Breda met het oogmerk om zich en/of een

ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld

[slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een GSM (HTC Desire HD), in elk

geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke

bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

- als bestuurder van een personenauto, meermalen, althans eenmaal, langs en/of

naast die [slachtoffer] (die op een fiets reed) is gaan rijden en/of

- de weg voor die [slachtoffer] (die op de fiets reed) heeft geblokkeerd, althans

die [slachtoffer] de doorgang heeft belemmerd/belet met het door hem, verdachte,

bestuurde voertuig en/of

- met zijn, verdachtes, hand achter zijn, verdachtes, rug heeft gegrepen,

althans met zijn hand achter zijn rug is gegaan en/of

-(daarbij) opzettelijk dreigend, die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd: "Ik

pak mijn pipa en blaas je weg" en/of "Geef me je portemonnee" en/of

"Wegfietsen" en/of "Kijk niet naar de auto", althans woorden van soortgelijke

dreigende aard of strekking en/of - zakelijk weergegeven - die [slachtoffer] om

zijn telefoon heeft gevraagd. ;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht