Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ6430

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
05-04-2013
Datum publicatie
05-04-2013
Zaaknummer
02/800315-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte, al dan niet met voorbedachten rade, zijn echtgenote heeft gedood.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/800315-12

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 5 april 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [datum en plaats]

thans verblijvende in forensisch psychiatrisch centrum De Woenselse Poort te Eindhoven

raadsvrouw mr. N.M.E. Verpaalen, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 maart 2013, waarbij de officieren van justitie, mr. Janssen en mr. Weijers, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering en als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte, al dan niet met voorbedachten rade, zijn echtgenote heeft gedood.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zijn echtgenote heeft gedood en baseert zich daarbij op de bevindingen van de unit forensisch technisch onderzoek (unit FTO), de schouw, de sectie en de verklaring van verdachte.

Naar de mening van de officier van justitie zijn de door verdachte uitgevoerde handelingen zonder meer gericht geweest op het doden van zijn vrouw. Er was sprake van een gecoördineerd handelen, een minimaal besef, en daarmee opzet. Verdachte heeft, weliswaar onder invloed van zijn ontrouwwaan, bewust ervoor gekozen zijn te doden. De officier van justitie heeft daarbij opgemerkt dat verdachte heeft verklaard dat hij zijn vrouw dood wilde hebben.

De officier van justitie is van mening dat uit de verklaringen van verdachte en de feiten en omstandigheden van het verdere opsporingsonderzoek geen aanwijzingen blijken dat bij verdachte sprake is geweest van een moment om zich te beraden op zijn handelen en dat derhalve moet worden aangenomen dat verdachte niet heeft gehandeld met voorbedachten rade.

Gelet op het bovenstaande heeft de officier van justitie verzocht verdachte te veroordelen voor de doodslag van zijn echtgenote.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is, evenals de officier van justitie, van mening dat niet uit de stukken blijkt dat er sprake was van voorbedachten rade, waardoor de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde moord.

Volgens de raadsvrouw kan ook de ten laste gelegde doodslag niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard omdat het verdachte ten tijde van het handelen heeft ontbroken aan ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan en er dus geen sprake kan zijn van (willens en wetens) opzettelijk handelen. Van voorwaardelijk opzet kan naar opvatting van de raadsvrouw ook geen sprake zijn geweest aangezien verdachte in de toestand waarin hij verkeerde, te weten onder invloed van een psychose, niet bewust de aanmerkelijke kans heeft kunnen aanvaarden dat het gevolg zou intreden. Er is daarnaast volgens de raadsvrouw geen bewijs voorhanden waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het opzet, voor zover aanwezig, gericht was op het doden van zijn echtgenote.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 28 maart 2012 kwamen verbalisanten na een melding betreffende de bewoners van het adres [adres] ter plaatse en hebben zij genoemde woning betreden. De neef van de bewoners had de vrouw dood op de overloop aangetroffen en de man half dood op de slaapkamer aan de voorzijde van de woning. Bovenaan de trap gekomen zag verbalisant [naam verbalisant] een vrouwspersoon op de overloop liggen. Verbalisant [naam verbalisant] zag dat haar hele hoofd in elkaar geslagen was en dat er een doek uit haar mond stak. Verbalisant [naam verbalisant] zag ook vlekken op haar lichaam, mogelijk lijkvlekken. Verbalisanten zagen dat de deur naar de voorste slaapkamer dicht was. Na openen van deze deur zag verbalisant [naam verbalisant] dat er een manspersoon op het bed lag. Na het betreden van de slaapkamer zagen verbalisanten dat de man nog in leven was. Verbalisant [naam verbalisant] deelde de man mede dat hij werd aangehouden. Verbalisanten hoorden dat de man vertelde dat hij zijn vrouw dood had gemaakt. Het zou gisteren zijn gebeurd.

Door de verbalisanten werd een onderzoek in de Gemeentelijke Basisadministratie ingesteld waaruit bleek dat de verdachte genaamd was [verdachte].

Het slachtoffer bleek genaamd te zijn [slachtoffer].

Op 30 maart 2012 werd door de patholoog dr. [naam patholoog] sectie verricht op het lichaam van het slachtoffer. De voorlopige conclusie van de sectie betrof dat het overlijden [slachtoffer] zondermeer kan worden verklaard door inwerking van zeer heftig uitwendig geweld op het hoofd, door verstikking ten gevolge van wurging of ten gevolge van belemmering van de neus- en mondademhaling of door een combinatie van twee of al deze factoren. De rechtbank volgt de conclusie van de deskundige.

De unit FTO heeft, na onderzoek, als hypothese gesteld dat het slachtoffer zeer waarschijnlijk diverse malen met kracht werd geslagen en/of getrapt op het hoofd, bovenlichaam en rug. Er werd een slipje in de mond gedaan. Het geweld werd, gezien het letsel (met uitzondering van de onderhuidse bloeding in de rug), uitgeoefend op het slachtoffer, terwijl zij zich op dat moment op de overloop bevond, zeer waarschijnlijk liggend op de rug.

De rechtbank acht de hypothese van de onderzoekers op grond van de onderzoeksresultaten aannemelijk en heeft geen reden om aan deze hypothese te twijfelen.

Verdachte heeft verklaard dat hij zijn vrouw een trap had gegeven toen ze een paar treden naar beneden was gelopen. Zijn vrouw kwam daarop terug naar boven, waarop er een gevecht ontstond. Ze kwamen op de grond terecht, waarop verdachte heeft geprobeerd haar te wurgen. Toen zijn vrouw hem bij zijn testikels pakte, begon hij harder te knijpen. Op het moment dat zij niet meer zoveel bewoog, is verdachte gestopt en is hij gaan trappen op haar gezicht en op haar lichaam. Zijn vrouw lag toen stil en begon te bloeden. Vervolgens heeft verdachte iets wat zijn vrouw had laten vallen, een zakdoek of een onderbroek, in haar mond gestopt. Hij deed dat om te zorgen dat ze stikte. Hij wilde haar echt dood hebben.

Dat er bij verdachte geen sprake was van opzettelijk handelen, zoals door de raadsvrouw is gesteld, wordt naar het oordeel van de rechtbank weersproken door de verklaring van verdachte dat hij zijn vrouw dood wilde hebben en de door verdachte achtereenvolgens uitgevoerde geweldshandelingen. De rechtbank overweegt daarbij dat er slechts sprake kan zijn van het ontbreken van opzet wanneer bij verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan zou hebben ontbroken. Verdachte handelde weliswaar vanuit een waan, maar in die waan heeft hij naar het oordeel van de rechtbank welbewust verschillende handelingen gepleegd.

Evenals de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig om te komen tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde voorbedachten rade. De handelingen van verdachte betreffen naar het oordeel van de rechtbank naar uiterlijke verschijningsvormen veeleer een impulsdoorbraak dan dat zij voortkomen uit kalm beraad en rustig overleg.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag van zijn vrouw.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 27 maart 2012 te Oosterhout opzettelijk zijn echtgenote, genaamd [slachtoffer], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet voornoemde [slachtoffer] meermalen, met kracht tegen het hoofd geschopt/getrapt, en met kracht haar keel en/of hals dichtgedrukt/dichtgeknepen en dichtgehouden, en een kledingstuk in de mond gestopt, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid van verdachte

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat verdachte als volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De rechtbank sluit zich hiertoe aan bij het over verdachte opgemaakte tripple-onderzoek.

Uit dat onderzoek blijkt dat er bij verdachte sprake is een floride (psychotische) waanstoornis in de vorm van een ontrouwwaan. Zijn realiteitstoetsing is fors gestoord. Premorbide was er al sprake van pervasieve ontwikkelingskenmerken en narcistische stijlkenmerken. Door het wegvallen van structuur in zijn leven en de ernstige hersentraumata is er een persoonlijkheidsverandering opgetreden waardoor narcistische persoonlijkheidsproblematiek en pervasieve problematiek meer op de voorgrond zijn komen te staan. Verder is er sprake van cognitieve functiestoornissen.

Dit was ook zo ten tijde van het tenlastegelegde en de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte werden daardoor op dat moment beïnvloed. Door een floride waanstoornis was er bij verdachte ten tijde van het tenlastegelegde sprake van een totaal gestoorde realiteitstoetsing. Hij was een zeer gekrenkte, rationaliserende man die zijn boosheid opkropte terwijl relationele spanningen toenamen. Mede onder invloed van de pervasieve kenmerken en de cognitieve functiestoornissen had hij geen controle over zijn woede. Een opmerking van zijn vrouw was voldoende om hem in razernij te laten ontsteken. Hij had daarbij geen enkele sturing meer over zijn gedrag en had geen enkele keuze meer met betrekking tot gedragsalternatieven. Hij kon pas stoppen toen hij zijn vrouw had omgebracht. Zij moest dood. Gelet daarop adviseren de rapporteurs om verdachte ten aanzien van hetgeen hem ten laste is gelegd als ontoerekeningsvatbaar te beschouwen.

6 De oplegging van een maatregel

De officier van justitie heeft, mede gelet op het recidiverisico, gevorderd om aan verdachte een TBS met voorwaarden op te leggen.

De raadsvrouw heeft zich hiertegen verzet. Naar de mening van de raadsvrouw betrof het een zo specifieke samenloop van omstandigheden dat deze zich niet weer zal voordoen. Verdachte is nu ingesteld op hormonen, zijn emotionele toestand is stabieler, hij heeft meer zelfinzicht ontwikkeld en is niet van plan een nieuwe relatie aan te gaan.

De rechtbank overweegt dat, blijkens genoemd tripple-onderzoek, de belangrijkste risicofactoren voor de kans op recidive de gestoorde realiteitstoetsing van verdachte, de blijvende beschadiging van zijn brein, de aanwezigheid van tumorresten, het gebrek aan inzicht in zijn beperkingen, het overschatten van zijn eigen functioneren, de lage frustratietolerantie, zijn krenkbaarheid en zijn belangstelling voor seks zijn. Het aangaan van een nieuwe relatie is een risicofactor waar verdachte alweer over nagedacht heeft. Stressfactoren in zijn leven zijn verder de relatie met zijn kinderen en familie en een plaats om te wonen. Deze factoren beïnvloeden dan wel versterken elkaar in negatieve zin. In het onderzoek wordt gesteld dat er bij verdachte sprake is van een aanzienlijk tot hoog recidiverisico.

Op grond van de onderzoeksresultaten stellen de deskundigen voor om verdachte binnen het kader van een TBS met voorwaarden in een gesloten kliniek te plaatsen voor patiënten met een Niet Aangeboren Hersenletsel (NAH-kliniek). Mocht hij binnen afzienbare tijd niet geplaatst kunnen worden in een NAH-kliniek, is het advies om zijn verblijf in De Woenselse Poort te continueren.

Ter zitting hebben de deskundigen verklaard dat er ten tijde van het feit inderdaad sprake was van een specifieke samenloop van omstandigheden maar dat genoemde risicofactoren wel nog steeds aanwezig zijn. Tijdens de huidige behandeling van verdachte zijn ook op verschillende momenten nog woede-uitbarstingen geconstateerd. Tevens is niet uitgesloten dat de waanstoornis van verdachte zich, buiten een eventuele toekomstige partner, gaat richten op iemand anders.

Gebleken is dat het niet is gelukt om verdachte te plaatsen in een NAH-kliniek maar dat De Woenselse Poort wel bereid is om verdachte op te nemen in het kader van een TBS met voorwaarden.

Met betrekking tot het verweer van de raadsvrouw dat verdachte niet te behandelen is, overweegt de rechtbank dat de TBS met voorwaarden niet alleen is gericht op behandeling maar ook op bescherming van de maatschappij en resocialisatie van verdachte.

De deskundigen hebben ter zitting verklaard dat er bij verdachte sprake is van een blijvende kwetsbaarheid maar dat hij wel langdurig begeleid kan worden. In therapie kan gewerkt worden aan controle, stabilisatie, het verkrijgen van ziekte-inzicht en meer autonomie in het sturen van zijn eigen beperkingen.

Gelet op de inhoud van de rapporten, de verklaringen van de deskundigen ter zitting en de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat een TBS noodzakelijk is.

Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaraan stelt, te weten:

- bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van het feit een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens;

- op het gepleegde misdrijf is een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld.

- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist die maatregel.

De rechtbank overweegt voorts dat de TBS zal worden opgelegd terzake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Oplegging van dwangverpleging is thans niet nodig. Volstaan kan worden met het opleggen van de in de beslissing genoemde voorwaarden.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 37a, 38, 38a en 287 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

doodslag;

- verklaart verdachte niet strafbaar voor het bewezen verklaarde en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

Maatregel

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte en stelt daarbij als voorwaarden:

* verdachte zal zich vanaf het onherroepelijk worden van het vonnis houden aan de

afspraken en aanwijzingen met Reclassering Nederland;

* verdachte dient zich daar te blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* verdachte zal zich, op basis van de door de NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling, klinisch laten behandelen binnen forensisch psychiatrisch centrum De Woenselse Poort te Eindhoven, dan wel een soortgelijke instelling met een soortgelijke zorgintensiteit;

* verdachte pleegt geen strafbare feiten;

* verdachte zal zich houden aan de behandelafspraken en richtlijnen van mogelijk nader te bepalen kliniek;

* verdachte zal zich op geen enkele wijze onttrekken aan behandeling en begeleiding;

* verdachte houdt zich aan voorgeschreven medicatie;

* verdachte blijft onder controle bij de internist;

* verdachte houdt zich aan de afspraken en richtlijnen die gemaakt zijn met de reclassering en geeft openheid van zaken;

* verdachte dient de reclassering tijdig in te schakelen, indien zich problemen voordoen, op wat voor gebied dan ook;

* verdachte geeft toestemming aan de reclassering tot het verstrekken en inwinnen van informatie betreffende zijn persoon bij referenten;

* verdachte dient bereikbaar te zijn. Indien hij niet in de gelegenheid is om zijn telefoon op te nemen, dient hij binnen 24 uur terug contact op te nemen met de reclassering;

* indien verdachte wenst te veranderen van woonomgeving, dient hij toestemming te krijgen van de reclassering;

* wanneer er sprake is van een door verdachte gepleegd strafbaar feit zal de officier van justitie hiervan in kennis worden gesteld;

* verdachte zal een recente pasfoto aan de reclassering overhandigen of hij schikt zich in het maken van een foto door de reclassering;

* verdachte zorgt voor een ziektekostenverzekering;

* verdachte werkt mee aan het invullen van de Koninklijke Landelijke Politie Diensten (KLPD) lijst die indien nodig gebruikt kan worden voor opsporingsdiensten ingeval van onttrekking van de voorwaarden;

* verdachte zal zich niet onttrekken aan de voorwaarden;

- beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is;

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. Kok, voorzitter, mr. Pellikaan en mr. De Weert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van de Vrede, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 april 2013.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

hij op of omstreeks 27 maart 2012 te Oosterhout opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zijn echtgenote, althans een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met kracht en/of met geschoeide voet tegen het hoofd en/of het bovenlichaam, althans het lichaam, geschopt/getrapt en/of geslagen, en/of met kracht meermalen, althans eenmaal, haar keel en/of hals dichtgedrukt/dichtgeknepen en/of dichtgehouden, en/of (gelijktijdig) een kledingstuk in de mond(holte) gestopt, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.