Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5318

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
31-01-2013
Datum publicatie
26-03-2013
Zaaknummer
12/1989
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hoewel belanghebbende redelijkerwijs meer heeft gedaan dan het enkel verstrekken van geldleningen, vormen de vorderingen die belanghebbende uit hoofde van deze geldleningen heeft, géén vermogensbestanddelen in het kader van resultaat uit overige werkzaamheden. Hiervoor is immers tevens vereist dat met de werkzaamheden een rendement zal worden behaald dat normaal actief vermogensbeheer te boven gaat. Aangezien belanghebbende als onbezoldigd adviseur zal optreden en ter zake van de geldleningen vaste rentepercentages zijn overeengekomen die niet meer omvatten dan een normale beloning voor het ter beschikking stellen van gelden, is daarvan geen sprake. De vorderingen behoren derhalve tot de rendementsgrondslag van box 3.

Voorts heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de vorderingen per 31 december 2009 oninbaar waren en daarom in box 3 moeten worden afgewaardeerd tot nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/773
V-N 2013/26.3.3
FutD 2013-0861
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team belastingrecht, meervoudige kamer

Procedurenummer: AWB 12/1989

Uitspraakdatum: 31 januari 2013

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Zuidwest, kantoor Breda,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 24 april 2012 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2009 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 200.000 negatief en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 199.627 alsmede het daarbij bij beschikking vastgestelde verlies uit werk en woning van € 200.000 (aanslag- en beschikkingnummer: [nummer].H.96).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2013 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigden van belanghebbende, [gemachtigden], verbonden aan [kantoornaam gemachtigden] te Roosendaal en namens de inspecteur, [gemachtigden].

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond voor zover gericht tegen de aanslag;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de aanslag;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 97.627 en een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 200.000 negatief;

- verklaart het beroep ongegrond voor zover gericht tegen de verliesbeschikking;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 944;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 42 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. Bij overeenkomst van geldlening van 15 januari 2008 heeft belanghebbende een bedrag van € 1.000.000 aan [A BV io] ter beschikking gesteld. In deze overeenkomst is onder meer het volgende vastgelegd:

“(…) Artikel 2 – Bestemming

1. Deze lening is bestemd om binnen 3 maanden na ondertekening van deze overeenkomst in zijn geheel te worden gebruikt voor het verschaffen van een achtergestelde lening aan [B BV] ook wel genoemd [C BV]. Hierna verder steeds te noemen “[B BV]”.

Artikel 3 – Rente

1. Leningnemer is over de gehele hoofdsom een rente van 8% (acht procent) verschuldigd, zulks steeds vooruit te betalen per de 15e van de eerste maand van het kwartaal, voor de eerste maal te beginnen per 15 januari 2008. (…)

Artikel 6 – Vervroegde opeising (…)

Al hetgeen Leninggever te vorderen heeft of zal verkrijgen op Leningnemer uit hoofde van deze overeenkomst (…) is na ommekomst van een jaar na de finale oprichting van de onderneming van Leningnemer terstond en in zijn geheel opeisbaar, zonder dat enige

ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst is vereist, indien:(…)

g. Leningnemer de door haar verschafte achtergestelde lening terugtrekt uit [B BV].(…)

Artikel 7 – Verpanding van aandelen

1. Ter meerdere zekerheid op deze overeenkomst verpandt Leningnemer alle door haar gehouden aandelen in ondernemingen, waaronder [B BV], aan Leninggever.(…)

Artikel 9 – Adviseurschap

2. Leninggever zal als onbezoldigd adviseur van [B BV] optreden.

3. In geval hij besluit zich uit deze functie terug te trekken is dit geen reden tot opeisbaarheid van de geldlening.(…)”

Op deze lening heeft belanghebbende in 2009 geen rente ontvangen.

2.2. Bij een overeenkomst van december 2008 heeft belanghebbende een achtergestelde lening van € 250.000 ter beschikking gesteld aan [B BV] (hierna: [B BV]). De verschuldigde rente bedraagt 10% op jaarbasis (artikel 4 van de overeenkomst). Op deze lening heeft belanghebbende in 2009 € 16.250 aan rente ontvangen.

2.3. Op 6 augustus 2009 heeft belanghebbende ten titel van lening een bedrag van € 100.000 overgemaakt op de rekening van [B BV]. Deze lening is niet schriftelijk vastgelegd. Op deze lening heeft belanghebbende in 2009 € 1.000 rente ontvangen.

2.4. Belanghebbende heeft de vorderingen, die hij uit hoofde van de drie voormelde leningen heeft (hierna: de vorderingen), in de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2009 (hierna: de aangifte) aangemerkt als vermogensbestanddelen in het kader van resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van afdeling 3.4 van de Wet IB 2001. Volgens belanghebbende moeten deze vorderingen wegens oninbaarheid van de leningen per 31 december 2009 worden afgewaardeerd tot nihil. Dienovereenkomstig heeft belanghebbende, rekening houdend met ontvangen rente ad € 16.250, een belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden aangegeven van negatief € 1.333.750. De aangifte resulteert in een verlies uit werk en woning van € 1.533.750. Het aangegeven belastbaar inkomen uit sparen en beleggen bedraagt € 143.627. Gelet op het feit dat de op de vorderingen ontvangen rente € 17.250 bedraagt in plaats van € 16.250, bepleit belanghebbende in het beroepschrift een belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden van negatief € 1.332.750.

2.5. Bij de aanslagregeling is de inspecteur afgeweken van de aangifte en is het belastbaar inkomen uit werk en woning verhoogd met € 1.333.750 tot € 200.000 negatief en is het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen verhoogd tot € 199.627. Tegelijkertijd is het verlies uit werk en woning bij beschikking vastgesteld op € 200.000. Volgens de inspecteur is geen sprake van een bron van inkomen die behoort tot box 1. De inspecteur is van mening dat belanghebbendes vorderingen behoren tot de rendementsgrondslag van box 3 en dat geen aanleiding bestaat om deze vorderingen per ultimo 2009 af te waarderen tot nihil. De inspecteur heeft derhalve de vorderingen per 1 januari 2009 en 31 december 2009 opgenomen in box 3 voor de nominale waarden van € 1.250.000 respectievelijk € 1.350.000.

2.6. Op 1 augustus 2004 heeft belanghebbende met [D BV] (hierna: [D BV]) een arbeidsovereenkomst gesloten. Bij het vonnis van de civiele kamer van de rechtbank Breda van 29 april 2009 is belanghebbende jegens [D BV] veroordeeld tot betaling van een boete van € 200.000 wegens schending van het in de arbeidsovereenkomst opgenomen non-concurrentiebeding (hierna: de boete). Belanghebbende heeft de boete in de aangifte opgenomen als schuld in box 3 op 1 januari 2009. Volgens de inspecteur was op 1 januari 2009 echter nog geen sprake van een schuld die kan worden gerekend tot de rendementsgrondslag van box 3. De inspecteur heeft de boete per peildatum 1 januari 2009 dan ook niet in aanmerking genomen.

2.7. Op 10 juli 2007 heeft de civiele kamer van de rechtbank Breda vonnis gewezen in het kort geding tussen belanghebbende en vier andere (ex)-werknemers van [D BV] enerzijds en [D BV] anderzijds (zaak-/rolnummer: 174737/KG ZA 07-262). In het daartegen ingestelde hoger beroep heeft de civiele kamer van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch in haar arrest van 28 oktober 2008 (zaaknummer: HD 103.005.334) onder meer overwogen dat belanghebbende betrokken is (geweest) bij de oprichting en verdere ontwikkeling van [B BV]. Het gerechtshof achtte aanwijzingen aanwezig die wijzen op een actieve, zoal niet stimulerende, inzet van belanghebbende bij de plannen om een met [D BV] concurrerend bedrijf op te zetten. Het gerechtshof heeft in dat verband onder meer verwezen naar belanghebbendes aanwezigheid op een stand van [B BV] bij een beurs in Bologna. Voorts heeft het gerechtshof geoordeeld dat belanghebbende bij een bezoek aan het Japanse bedrijf [E] namens [B BV] een koopovereenkomst heeft gesloten voor de aanschaf van machines en mallen ten bedrage van € 700.000.

2.8. In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

1) Vormen de vorderingen vermogensbestanddelen in het kader van resultaat uit overige werkzaamheden?

1a) Indien de voorgaande vraag ontkennend wordt beantwoord is in geschil of de vorderingen per 31 december 2009 mogen worden afgewaardeerd tot nihil.

2) Vormt de boete per 1 januari 2009 een schuld in box 3?

Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend, de inspecteur ontkennend. Bij ontkennende beantwoording van vraag 1 is niet in geschil dat de vorderingen moeten worden gerekend tot de rendementsgrondslag van box 3.

1) Vormen de vorderingen vermogensbestanddelen in het kader van resultaat uit overige werkzaamheden?

2.9. Ingevolge artikel 3.90 van de Wet IB 2001 is het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden het gezamenlijke bedrag van het resultaat uit een of meer werkzaamheden die geen belastbare winst of belastbaar loon genereren. Van een resultaat uit overige werkzaamheden kan eerst sprake zijn indien daar een bron van inkomen aan ten grondslag ligt. Volgens vaste jurisprudentie (vgl. Hoge Raad 3 maart 1954, nr. 11 683, LJN: AY2826, BNB 1954/125 en Hoge Raad 1 februari 2002, nr. 36 238, LJN: AD8763, BNB 2002/128) worden aan een bron van inkomen de volgende drie cumulatieve voorwaarden gesteld:

(1) deelname aan het economische verkeer, (2) het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen, en (3) de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs kan worden behaald.

2.10. Vast staat dat de leningen niet zijn verstrekt aan met belanghebbende verbonden personen in de zin van artikel 3.91, eerste lid, aanhef, onderdeel a en b, van de Wet IB 2001. In geschil is derhalve of sprake is van een werkzaamheid in de zin van artikel 3.91, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet IB 2001. Deze bepaling luidt, - voor zover te dezen van belang - :

“ Onder werkzaamheid wordt mede verstaan: het rendabel maken van vermogen op een wijze die normaal, actief vermogensbeheer te buiten gaat, zoals bij het uitponden van onroerende zaken (…) of het aanwenden door de belastingplichtige van voorkennis of daarmee vergelijkbare bijzondere vormen van kennis.”

2.11. Nu belanghebbende ter zake van de door hem gestelde werkzaamheid een verlies claimt van € 1.333.750, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast naar het oordeel van de rechtbank mee dat op belanghebbende de last rust om feiten en omstandigheden aannemelijk te maken ter ondersteuning van de stelling dat sprake is van een werkzaamheid zoals hiervoor bedoeld.

2.12. Belanghebbende stelt dat onder meer uit de onderstaande werkzaamheden blijkt dat hij méér heeft gedaan dan het enkel verstrekken van geldleningen en aldus sprake is van resultaat uit overige werkzaamheden:

- belanghebbende is door de rechtbank Breda veroordeeld voor de contractueel overeengekomen boete ten gunste van [D BV];

- belanghebbende heeft de domeinnaam ‘[B.nl]’ geregistreerd;

- belanghebbende heeft een bezoek gebracht aan het Japanse bedrijf [E] en heeft daarbij een order voor de aanschaf van een machine ten behoeve van [B BV] geplaatst;

- belanghebbende was namens [B BV] aanwezig op een beurs in Bologna;

- belanghebbende heeft potentiële klanten en relaties benaderd;

- belanghebbende zorgde voor de inning van debiteuren en de afwikkeling van crediteuren.

Het gerechtshof heeft in haar arrest van 28 oktober 2008 (zie hiervoor, rechtsoverweging 2.7) het merendeel van de voormelde activiteiten bevestigd en ook de inspecteur heeft de verrichting van voormelde activiteiten door belanghebbende niet bestreden. Gelet hierop acht de rechtbank aannemelijk dat deze activiteiten door belanghebbende zijn verricht. De rechtbank is, gelet op de aard en omvang van de activiteiten, van oordeel dat belanghebbende redelijkerwijs meer heeft gedaan dan het enkel verstrekken van geldleningen. Met deze enkele vaststelling is echter nog geen sprake resultaat uit overige werkzaamheden.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

2.13. Voor de aanwezigheid van een bron van inkomen in box 1 en dus ook van een werkzaamheid in de zin van artikel 3.91, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet IB 2001, is tevens vereist dat sprake is van een objectieve verwachting dat met de werkzaamheden een rendement zal worden behaald dat normaal actief vermogensbeheer te boven gaat en dat een dergelijk voordeel ook redelijkerwijs te verwachten is. De rechtbank is van oordeel dat hiervan geen sprake is. Uit de overeenkomst van geldlening van 15 januari 2008 met [A BV] blijkt immers dat belanghebbende als onbezoldigd adviseur zal optreden en ter zake van de geldleningen een vast rentepercentage is overeengekomen. Ook anderszins is niet aannemelijk geworden dat belanghebbende voor zijn werkzaamheden een beloning heeft ontvangen of zou ontvangen die afhankelijk was van het resultaat van de door hem verrichte werkzaamheden. Belanghebbendes stelling dat de beloning was verdisconteerd in de overeengekomen rentepercentages, acht de rechtbank niet aannemelijk nu deze rentepercentages naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig hoog zijn dat daarin meer dan een normale beloning voor het ter beschikking stellen van gelden, in de gegeven omstandigheden zal zijn begrepen. De hoogte van de overeengekomen rentepercentages zijn, naar het oordeel van de rechtbank veeleer het gevolg van het feit dat twee leningen achtergesteld zijn en er weinig tot geen zekerheden zijn gesteld.

2.14. Gelet op het vorenstaande is belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast om aannemelijk te maken dat met de verstrekking van de geldleningen en de overige activiteiten die belanghebbende heeft verricht, sprake is van een bron van inkomen in box 1. De vorderingen die belanghebbende uit hoofde van de drie geldleningen heeft, kwalificeren derhalve niet als vermogensbestanddelen in het kader van resultaat uit overige werkzaamheden. De eerste geschilvraag moet ontkennend worden beantwoord.

1a) Waarde van de vorderingen per 31 december 2009 in de rendementsgrondslag van box 3.

2.15. Nu de eerste geschilvraag ontkennend is beantwoord, is in geschil of de vorderingen per 31 december 2009 moeten worden afgewaardeerd tot nihil. De ondernemingen waaraan belanghebbende de geldleningen heeft verstrekt, te weten [B BV] en [A BV], zijn op [datum] 2010 respectievelijk [datum] 2010 failliet verklaard. De rechtbank is van oordeel dat er voor afwaardering van de vorderingen per 31 december 2009 geen plaats is en overweegt daartoe als volgt. Allereerst zijn beide faillissementen uitgesproken ná de peildatum van 31 december 2009. Feiten die zich na de peildatum hebben voorgedaan kunnen niet van invloed zijn op de waarde van de vorderingen per peildatum maar ze kunnen wel een licht werpen op die waarde. Het ligt op de weg van belanghebbende om feiten en omstandigheden aan te dragen waaruit blijkt dat de beide debiteuren, [A BV] en [B BV], al op 31 december 2009 minder solvabel waren. Hierin is belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Belanghebbende heeft geen cijfers overgelegd waaruit blijkt dat [B BV] en [A BV] op de peildatum in financiële nood verkeerden. Voorts heeft de gemachtigde ter zitting verklaard dat tot twee maanden voor het faillissement van [B BV] er nog geen tekenen waren dat deze onderneming in financiële problemen verkeerde. Ten slotte is niet gesteld dan wel aannemelijk gemaakt dat belanghebbende eind 2009 [B BV] en/of [A BV] heeft aangemaand tot betaling van de rente(achterstand). Naar het oordeel van de rechtbank is belanghebbende niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast om aannemelijk te maken dat op 31 december 2009 de vorderingen op een lager bedrag moeten worden gewaardeerd dan de nominale waarde.

2.16. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel belanghebbende ten onrechte stelt dat de vorderingen reeds per 31 december 2009 oninbaar waren en daarom moeten worden afgewaardeerd tot nihil. De vorderingen zijn derhalve terecht gewaardeerd naar de nominale waarde per 31 december 2009. Voorts is niet gesteld dan wel gebleken dat de inspecteur deze nominale waarde op onjuiste bedragen heeft vastgesteld. Vraag 1a moet derhalve ontkennend worden beantwoord.

2) Vormt de boete per 1 januari 2009 een schuld in box 3?

2.17. Partijen hebben ter zitting bij wijze van compromis overeenstemming bereikt en wel in die zin dat de boete tot een bedrag van € 100.000 per 1 januari 2009 wordt geacht als schuld te behoren tot de rendementsgrondslag van artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). Dientengevolge dient het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen als volgt te worden verminderd:

Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen aanslag H.96: € 199.627

Meer schulden op 1 januari 2009: € 100.000

Afname gemiddelde rendementsgrondslag (€ 100.000 / 2 ) = € 50.000

Minder voordeel uit sparen en beleggen (4% van € 50.000) € 2.000 -

Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen: € 197.627

2.18. Gelet op het vorenstaande dient de tweede geschilvraag bevestigend te worden beantwoord, in zoverre dat het bedrag van de boete wordt gesteld op € 100.000, en is het beroep om deze reden gegrond verklaard.

3. Proceskostenveroordeling

3.1. Nu het beroep gegrond is verklaard, vindt de rechtbank aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) en het Besluit van 20 december 2012 tot wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met indexering van de bedragen en toevoeging van enkele proceshandelingen (Staatsblad 2012-683 en 2012-684) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 944 (punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 1). Op grond van artikel 7:15, van de Awb komen de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar niet voor vergoeding in aanmerking aangezien niet gesteld dan wel gebleken is dat belanghebbende daar in de bezwaarfase om heeft verzocht.

3.2. Voorts dient de inspecteur, gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Awb, aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 31 januari 2013 door mr.drs. M.M. de Werd, voorzitter,

mr. D. Hund en mr.dr. N.C.G. Gubbels, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van, mr. M.C.W. Hermus, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 12 februari 2013

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.