Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5089

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
28-01-2013
Datum publicatie
21-03-2013
Zaaknummer
parketnummer: 12/715315-12 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

diefstallen van pinpassen in vereniging gepleegd en medeplegen van opzetheling bewezen. Veroordeling tot 4 maanden gevangenisstraf. Vrijspraak van deelneming aan criminele orgnisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND – WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Middelburg

parketnummer: 12/715315-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 januari 2013

in de strafzaak tegen de ter terechtzitting verschenen

[verdachte],

geboren op [datum] 1973 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

raadsman mr. Stolk, advocaat te Rotterdam,

ter terechtzitting aanwezig.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is op 31 oktober 2012 ter terechtzitting van de politierechter te Middelburg verwezen naar de meervoudige strafkamer en is inhoudelijk behandeld op de zitting van 14 januari 2013, waarbij de officier van justitie mr. Van der Hofstede en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

1.

hij op één of meer tijdstippen gelegen in de periode van 15 juni 2012 tot en

met 3 juli 2012, in één of meer plaatsen in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

één of meer pinpassen, te weten op of omstreeks

- 15 juni 2012 in Goes, een pinpas toebehorende aan [benadeelde 1] en/of

- 29 juni 2012 in Zoetermeer, een pinpas toebehorende aan [benadeelde 2] en/of

- 30 juni 2012 in Roosendaal, een pinpas toebehorende aan [benadeelde 3] en/of

- 03 juli 2012 in Goes, een pinpas toebehorende aan [benadeelde 4],

althans (telkens) een pinpas geheel of ten dele toebehorende aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op één of meer tijdstippen gelegen in de periode van 15 juni 2012 tot en

met 3 juli 2012, in Goes en/of Vlissingen en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) 150 euro, althans enig geld heeft verworven en/of voorhanden heeft

gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het

voorhanden krijgen van dat geld (telkens) wist(en) of redelijkerwijs moest(en)

vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op één of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 15 juni

tot en met 3 juli 2012, op één of meer plaatsen in Nederland, tezamen en in

vereniging met één of meer anderen, althans alleen, heeft deelgenomen aan een

organisatie bestaande uit een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke

personen, te weten uit hem, verdachte, en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2]

en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of één of meer andere personen,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het plegen van diefstal (van pinpassen en/of van geld) en/of

- het plegen van heling (van pinpassen en/of van geld) en/of

- het witwassen (de opbrengsten uit diefstal en/of heling, althans uit enig

misdrijf);

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte van feit 1, twee diefstallen van pinpassen op 15 juni 2012 en 3 juli 2012 (1e en 4e streepje), en de feiten 2 en 3 heeft begaan. Ten aanzien van feit 1 acht hij de overige twee diefstallen (2e en 3e streepje) niet bewezen en vordert dat verdachte van dat deel zal worden vrijgesproken. Voor het in zijn visie bewezenverklaarde baseert de officier van justitie zich op de beide aangiften, de verklaring van verdachte, de processen-verbaal van bevindingen met de bijbehorende kopieën van de camerabeelden en de verklaring van [medeverdachte 1].

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is evenals de officier van justitie van mening dat van feit 1 twee diefstallen kunnen worden bewezen en dat verdachte voor het overige van feit 1 moet worden vrijgesproken. Van feit 2, opzetheling, dient verdachte eveneens te worden vrijgesproken. Verdachte heeft tweemaal geld ontvangen van een van de medeplegers voor zijn aandeel in de buit van de twee onder feit 1 tenlastegelegde en erkende diefstallen. Nu het voordeel betreft uit feiten die verdachte zelf heeft gepleegd valt dit niet onder (opzet)heling.

Ook van feit 3, deelname aan een criminele organisatie, dient verdachte te worden vrijgesproken. Hij heeft binnen een periode van 17 dagen slechts een kleine rol vervuld bij twee diefstallen van pinpassen. Deze periode is te kort geweest om van duurzaamheid te kunnen spreken en voorts is geen sprake van een gestructureerd samenwerkingsverband tussen verdachte en de overige deelnemers. Verdachte kende van hen alleen [medeverdachte 5].

Van overboekingen van geld naar Roemenië is verdachte niets bekend. De raadsman suggereert dat mogelijk buiten medeweten van verdachte gebruik gemaakt is van zijn identiteit.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank acht onvoldoende wettig bewijs aanwezig voor bewezenverklaring van de diefstallen in vereniging van pinpassen op 29 juni 2012 in Zoetermeer en 30 juni 2012 in Roosendaal (2e en 3e streepje) en zal verdachte daarvan vrijspreken.

Wel acht de rechtbank de onder feit 1 tenlastegelegde diefstallen in vereniging van pinpassen op 15 juni 2012 en 3 juli 2012 te Goes (1e en 4e streepje) wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting ;

- de processen-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] en [benadeelde 4];

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 juni 2012 ;

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 september 2012 ;

- het schriftelijk bescheid printjes camerabeelden [naam winkel] te Goes van 3 juli 2012 ;

- het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] d.d. 31 augustus 2012 .

Feit 2

De rechtbank acht het tenlastegelegde feit ter zake opzetheling eveneens wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft verklaard voor zijn aandeel in de diefstallen van pinpassen op 15 juni 2012 en 3 juli 2012 in Goes telkens een vergoeding te hebben gekregen die bestond uit geld, te weten € 150,-- in contanten en een vermindering van € 300,-- op zijn schuld aan [medeverdachte 5].

De rechtbank overweegt dat deze geldbedragen geen buit waren van de door verdachte gepleegde diefstallen als hiervoor genoemd, nu bij die diefstallen geen geld, maar pinpassen zijn gestolen. Het geld dat verdachte van [medeverdachte 5] heeft gekregen is afkomstig van pintransacties met gestolen passen , diefstallen met een valse sleutel. Deze feiten zijn echter niet door verdachte, maar door anderen gepleegd. Van enige betrokkenheid van verdachte bij deze feiten is niet gebleken.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Feit 3

De rechtbank heeft in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aangetroffen voor een bewezenverklaring van deelname aan een criminele organisatie.

De rechtbank oordeelt dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verschillende personen (in wisselende samenstellingen) in de periode november 2011 tot en met juli 2012 hebben samengewerkt in een gestructureerd en duurzaam verband en voorts dat dat samenwerkingsverband als oogmerk had het plegen van diefstallen van pinpassen en gelden. De rechtbank stelt vast dat in voornoemde periode sprake was van een criminele organisatie als bedoeld in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht. Van deelname aan deze criminele organisatie is sprake indien een betrokkene behoort tot het gestructureerde en duurzame samenwerkingsverband en daarin een aandeel heeft, danwel ondersteunt en zijn of haar gedragingen strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie In het dossier ontbreken echter voldoende aanwijzingen om tot bewijs te komen dat verdachte deel uitmaakte van deze criminele organisatie. Niet is komen vast te staan dat de samenwerking met verdachte van dien aard en duur is geweest dat met betrekking tot verdachte gesproken kan worden van een zekere gestructureerdheid en duurzaamheid. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet anders dan dat verdachte twee keer (op 15 juni en 3 juli 2012) heeft meegedaan aan een diefstal in vereniging, dat hij daarvoor geldelijke vergoedingen heeft gekregen en hierdoor is gebaat. Verdachte ontkent dat hij, met uitzondering van medeverdachte [medeverdachte 1] en de niet in de tenlastelegging genoemde [medeverdachte 5], andere in de tenlastelegging genoemde personen kent. Anderszins is hiervan ook niet gebleken.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Zij zal verdachte van dit feit vrijspreken.

5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

Op 15 juni 2012 en 3 juli 2012, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,

telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

pinpassen, te weten op

- 15 juni 2012 in Goes, een pinpas toebehorende aan [benadeelde 1] en

- 03 juli 2012 in Goes, een pinpas toebehorende aan [benadeelde 4].

2.

op tijdstippen gelegen in de periode van 15 juni 2012 tot en

met 3 juli 2012, in Goes tezamen en in vereniging met anderen, telkens enig geld heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat geld telkens wisten dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

6 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen hij bewezen acht aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van een jaar, met aftrek van voorarrest.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman bepleit een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, nu verdachte slechts een kleine rol heeft gehad die bestond uit behulpzaamheid bij twee diefstallen, waardoor anderen in staat waren te zakkenrollen. Verdachte is een first offender, heeft geen documentatie en is als chauffeur van auto’s naar Roemenië buiten zijn wil betrokken geraakt bij deze diefstallen.

Bij bewezenverklaring van deelname aan de criminele organisatie acht de raadsman een straf gelijk aan de tot op heden reeds ondergane voorlopige hechtenis voldoende.

Verdachte heeft in Roemenië een baan en een gezin dat op hem wacht.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan twee diefstallen van pinpassen en twee opzethelingen. De bij de gestolen passen behorende pincodes zijn op slinkse wijze achterhaald door zich in de buurt van hun slachtoffers, respectievelijk een 67 jarige vrouw en een 80 jarige vrouw die zich met een rollator voortbewoog, op te houden als zij hun boodschappen in de supermarkt, een drukke en onoverzichtelijke ruimte, betaalden met hun pinpas. Verdachte en zijn mededaders hadden de rollen hierbij verdeeld. Een van hen keek bij de pinbetalingtransactie de door het slachtoffer ingetoetste pincode af, terwijl een ander de aandacht van de caissière afleidde. Vervolgens volgden verdachte en zijn mededader hun slachtoffers naar buiten, spraken hen aan door het stellen van een vraag of een verzoek om hulp, waardoor de slachtoffers werden afgeleid en hun pinpas kon worden gestolen. De door verdachte vervulde rol (het aanspreken van de slachtoffers) was voor het kunnen plegen van de diefstallen essentieel. Door zijn aandeel heeft verdachte financieel voordeel genoten. De rechtbank rekent het verdachte in het bijzonder aan dat hij uit puur geldelijk gewin anderen, te weten (hoog)bejaarde mensen, op grove wijze heeft benadeeld. Naast de door hem aangerichte financiële schade en de daardoor veroorzaakte overlast brengt het bewezenverklaarde voor de benadeelden angst en gevoelens van onveiligheid teweeg.

De ernst van de bewezen verklaarde feiten rechtvaardigt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Daarbij overweegt de rechtbank dat gezien het grote maatschappelijke belang dat gemoeid is met het voorkomen van dit soort feiten, van de op te leggen straf een serieuze afschrikwekkende werking dient uit te gaan.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte van 18 december 2012 waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Ten voordele van verdachte heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat verdachte zich ter terechtzitting bereid heeft getoond de slachtoffers schadeloos te stellen. Door de vrijspraak van feit 3 zal de rechtbank een aanzienlijk lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist.

8 De benadeelde partijen

De navolgende benadeelde partijen vorderen elk schadevergoeding voor feit 1

- [benadeelde 5], € 2.089,90;

- [benadeelde 1], € 150,-- en

- [benadeelde 4], € 199,50.

8.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde 5] af te wijzen, dan wel haar niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering, omdat dit feit niet aan verdachte is tenlastegelegd.

Hij heeft voorts gevorderd de vorderingen van [benadeelde 1] en [benadeelde 4] hoofdelijk toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte is evenals de officier van justitie van mening dat de vordering van [benadeelde 5] dient te worden afgewezen, dan wel dat [benadeelde 5] niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, nu het feit niet voorkomt in de tenlastelegging.

De raadsman refereert zich voor de vorderingen van [benadeelde 1] en [benadeelde 4]

aan het oordeel van de rechtbank.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

Vordering [benadeelde 5]

De rechtbank stelt vast dat het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet aan verdachte is ten laste gelegd.

De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

Vorderingen [benadeelde 1] en [benadeelde 4]

De rechtbank is van oordeel dat de door benadeelde partijen geleden materiële schade een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vorderingen, hoofdelijk, zullen worden toegewezen. De rechtbank zal tevens de schademaatregel opleggen. De door de officier van justitie gevorderde wettelijke rente zal zij niet toewijzen nu deze niet door de benadeelde partijen is gevorderd.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 47, 57, 310, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van

het onder het 2e en 3e streepje tenlastegelegde van feit 1 en

het onder 3 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

feit 2: Medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde 5], [adres], [woonplaats],

niet-ontvankelijk in haar vordering;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de

de benadeelde partij [benadeelde 1], [adres], [woonplaats], van € 150,-- ter zake van materiële schade;

de benadeelde partij [benadeelde 4], [adres], [woonplaats], van

€ 199,50 ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partijen tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de hierna te noemen slachtoffers de daarbij vermelde bedragen te betalen, bij niet betaling te vervangen door het daarbij vermelde aantal dagen hechtenis:

- benadeelde partij [benadeelde 1], [adres], [woonplaats], € 150,--, 3 dagen hechtenis,

- benadeelde partij [benadeelde 4], [adres], [woonplaats], € 199,50, 4 dagen hechtenis,

met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover deze bedragen door één of meer mededaders zijn betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Vos, voorzitter, mr. Geelhoed en mr. Borm, rechters, in tegenwoordigheid van Heberlein-Guiran en mr. Evenhuis, griffiers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 28 januari 2013.