Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5014

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
02-01-2013
Datum publicatie
21-03-2013
Zaaknummer
11/6206
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige informatiebeschikking op grond van artikel 52a van de AWR terecht is vastgesteld aangezien belanghebbende niet aan zijn informatieverplichting in de zin van artikel 47 en 49 van de AWR heeft voldaan. Het verzoek tot overleggen van de verzochte informatie is niet in strijd met het nemo tenetur beginsel in de zin van artikel 6 EVRM. Belanghebbende krijgt een termijn van zes weken om alsnog de verzochte informatie aan de inspecteur te overleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/755
V-N 2013/25.2.1
FutD 2013-0783 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 11/6206

Uitspraakdatum: 2 januari 2013

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor ‘s-Hertogenbosch,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 23 augustus 2011 een informatiebeschikking opgelegd als bedoeld in artikel 52a, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 november 2011 de beschikking gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 6 december 2011, ontvangen bij de rechtbank op 7 december 2011, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan partijen.

1.4. Het eerste onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 7 juni 2012. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende zijn gemachtigde [gemachtigde], vergezeld van [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigden] te Breda en namens de inspecteur [gemachtigde], tot bijstand vergezeld van [gemachtigden]. De rechtbank heeft de zaak geschorst in verband met het overleggen van nadere stukken door de inspecteur en heeft de zaak op de voet van artikel 8:10, tweede lid, van de Awb verwezen naar een meervoudige kamer. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift op 5 september 2012 aan partijen is verzonden.

1.5. De inspecteur heeft de verzochte stukken bij brief van 11 juni 2012, door de rechtbank ontvangen op 21 juni 2012, ingediend en deze stukken zijn in afschrift naar belanghebbende gestuurd. Daarna hebben partijen nog nadere stukken ingediend en hiervan zijn afschriften aan de wederpartij verstrekt.

1.6. Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 21 november te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende zijn gemachtigde [gemachtigde], vergezeld van [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigden] te Breda en namens de inspecteur [gemachtigde], tot bijstand vergezeld van [gemachtigden].

1.7. Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd. Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift tegelijkertijd met deze uitspraak zal worden verzonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Bij brief van 9 juni 2009 heeft de inspecteur aan belanghebbende verzocht informatie te verstrekken met betrekking tot zijn vermoedelijke betrokkenheid bij een Liechtensteinse Stiftung.

2.2. Belanghebbende heeft bij brief van 26 juni 2009 geantwoord dat hij slechts een beperkte herinnering heeft aan het als gerechtigde betrokken zijn bij een Liechtensteinse Stiftung. Hij heeft in het verleden wel te maken gehad met een stichting in Liechtenstein, maar hij weet niet hoe hij zijn juridische betrokkenheid zou moeten duiden. Daarnaast beschikt hij niet over enig van door de inspecteur opgevraagde documenten.

2.3. Naar aanleiding van de reactie van belanghebbende heeft de inspecteur met dagtekening 7 juli 2009 een vragenbrief gestuurd met het verzoek aan belanghebbende om binnen vier weken op grond van artikel 47 AWR op straffe van omkering van de bewijslast informatie te verstrekken over betrokkenheid bij een Liechtensteinse Stiftung en stukken toe te sturen, waaronder de akte, statuten, jaarlijkse overzichten van bezittingen en schulden, stortingen en onttrekkingen. Voorts heeft de inspecteur gevraagd of belanghebbende ooit aangifte heeft gedaan van enig inkomen ten aanzien van enig ander (buitenlands) doelvermogen.

2.4. Bij brief van 14 juli 2009 voert belanghebbende aan dat hij in het geheel niets meer weet omtrent zijn betrokkenheid bij een Liechtensteinse Stiftung en derhalve ook niet over de verzochte stukken beschikt.

2.5. Met dagtekening 20 juli 2009 heeft de inspecteur nogmaals een vragenbrief naar belanghebbende gestuurd, maar nu met het verzoek om de onverklaarbare vermogenstoename in de aangiften Inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: aangifte IB/PVV) over de jaren 1999, 2000 en 2002 van € 1.094.372, € 535.527 en € 446.245 nader toe te lichten. Tevens merkt de inspecteur op dat zijn eerdere verzoek om informatie blijft staan.

2.6. Belanghebbende antwoordt bij brief van 14 augustus 2009 dat de vermogenstoenamen in de aangiften IB/PVV over de jaren 1999 en 2000 voortvloeien uit de koerswinsten die hij heeft gemaakt op zijn beleggingsportefeuilles die hij aanhield bij diverse banken en welke in de aangiften IB/PVV stonden vermeld. Ter onderbouwing hiervan heeft belanghebbende de eindejaarsoverzichten van de ABN AMRO Bank over de 1998, 1999 en 2000 overgelegd. Over het jaar 2002 heeft er volgens belanghebbende geen toename van zijn banksaldi en van de waarde van de effecten plaatsgevonden.

2.7. Bij schrijven van 19 augustus 2009 antwoordt de inspecteur dat de toegestuurde bankoverzichten alleen het eindsaldo van de beleggingsportefeuilles weergeven, zodat hieruit niet geconcludeerd kan worden dat het eindsaldo alleen bestaat uit beleggingsresultaten of bijvoorbeeld uit stortingen of onttrekkingen. Voorts verzoekt de inspecteur om verklaring van de herkomst van stortingen bij Merill Lynch van fl. 297.408 in 1999, en van fl. 939.848, in 2000. Daarnaast wijst hij op een onverklaarbare vermogenstoename in 2001 en op schenkingen in 1999 van in totaal € 171.302. De inspecteur verzoekt belanghebbende de herkomst van deze bedragen te verklaren en hij verzoekt nogmaals om informatie met betrekking tot de Liechtensteinse Stiftung.

2.8. Bij brief van 14 september 2009 antwoordt belanghebbende dat de dagafschriften van de ABN AMRO nog geraadpleegd gaan worden in verband met eventuele stortingen en onttrekkingen. Volgens belanghebbende blijkt een deel van de herkomst van het vermogen in 1999 en 2000 uit de overlegde bankafschriften van Merrill Lynch Bank. De schenkingen bedragen volgens de aangifte IB/PVV 1999 fl. 108.890 en geen € 171.302. Voorts verzoekt belanghebbende om de stukken van Liechtensteinse Stiftung, waarover de inspecteur schijnt te beschikken.

2.9. Nadat belanghebbende niet de verzochte informatie heeft overgelegd, heeft de inspecteur bij de brieven van 22 september en 26 oktober 2009 aan belanghebbende aangekondigd dat hij voornemens is om over de jaren vanaf 1997 navorderingaanslagen op te leggen waarbij een vermogen ter zake de Liechtensteinse Stiftung in aanmerking zal worden genomen van € 5.000.000 en een jaarlijks bedrag van € 200.000 aan daaruit genoten renteinkomsten. Hij verzoekt belanghebbende alsnog om binnen vier weken de verzochte informatie te verstrekken.

2.10. De inspecteur heeft bij brief van 1 juni 2010 aan belanghebbende stukken toegestuurd, waaronder “By-laws”, waaruit blijkt dat belanghebbende betrokken is geweest bij de [Stiftung] te [plaats] in Liechtenstein, welke op [datum] 1986 is opgericht en op [datum] 2000 is opgeheven. Uit deze By-laws blijkt dat belanghebbende als eerste gerechtigde wordt aangemerkt van alle bezittingen en opbrengsten alsmede van een eventueel liquidatiesaldo van deze Stiftung gedurende zijn leven. Deze gerechtigheid kent geen enkele beperking en belanghebbende kan ieder moment zijn By-laws wijzigen. Na het overlijden van belanghebbende zal zijn echtgenote [echtgenote] volledig in de rechten van belanghebbende treden en na haar overlijden [persoon B]. De By-laws zijn ondertekend door de [A] en [B]

Naar aanleiding van deze gegevens verzoekt de inspecteur belanghebbende alsnog alle verzochte informatie met betrekking tot de Stiftung te overleggen. Belanghebbende kan deze informatie opvragen bij [representant] (hierna: [representant]) te [plaats], de representant van de Stiftung. Indien belanghebbende niet voldoet aan zijn wettelijke informatieplicht, zal de inspecteur overwegen via een civielrechtelijk kort geding belanghebbende ertoe te bewegen (desnoods onder druk van een dwangsom) aan zijn informatieplicht te voldoen. Voorts antwoordt de inspecteur op vragen van belanghebbende dat het bedrag van € 171.302 ziet op een 25-tal schenkingen die belanghebbende in 1999 heeft gedaan aan diverse begunstigden. De laatstvermelde gegevens zijn ontleend aan de interne systemen van het Registratie en Successierecht.

2.11. Bij brief van 11 juni 2010, gericht aan [representant] te Liechtenstein vraagt belanghebbende of [representant] informatie heeft met betrekking tot de “[Stiftung]”, welke op [datum] 1986 is opgericht en op [datum] 2000 is opgeheven en bij brief van 29 juni 2010 stuurt belanghebbende, op verzoek van [representant], zijn paspoort naar [representant].

2.12. Op 26 juli 2010 ontvangt belanghebbende een brief van [opvolger B], waarin staat dat zij de opvolger is van de [B] en dat belanghebbende de gegevens van [Stiftung] kan ontvangen tegen betaling van € 2.500.

2.13. Belanghebbende antwoordt bij brief van 16 augustus 2010 dat hij de € 2.500 zal betalen zodra hij een rekeningnummer heeft ontvangen van [opvolger B].

2.14. Bij brief van 19 augustus 2010 verstrekt [opvolger B] het bankrekeningnummer aan belanghebbende. Vervolgens geeft [opvolger B] bij brief van 1 september 2010 aan dat zij de verzochte gegevens niet aan belanghebbende kan verstrekken vanwege “confidentiality matters”.

2.15. Met dagtekening 10 december 2010, heeft de inspecteur navorderingsaanslagen IB/PVV en Vermogensbelasting (hierna: VB) over de jaren 1998 (inkomstenbelasting) en 1999 (vermogensbelasting) opgelegd, alsmede vergrijpboeten van 100%.

2.16. Bij het vonnis in kort geding van 5 april 2011, heeft de voorzieningenrechter belanghebbende bevolen om alle gegevens en inlichtingen te verstrekken ten aanzien van de [Stiftung], alsmede betreffende de aanwending van het betreffende vermogen na opheffing van [Stiftung]. Verder is belanghebbende veroordeeld tot betaling van een dwangsom van € 2.500 per dag dat hij in gebreke blijft, met een maximum van € 500.000. In de uitspraak in hoger beroep van 31 januari 2012 wordt het vonnis van de voorzieningenrechter onder verbetering van gronden, door het Hof bekrachtigd. Belanghebbende heeft cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Hof.

2.17. Bij de brieven van 10 mei 2011 heeft de inspecteur navorderingsaanslagen IB/PVV en VB en vergrijpboeten van 100% over de jaren 2000 tot en met 2005 aangekondigd.

2.18. Nadat belanghebbende ook na de civiele procedure niet de verzochte informatie heeft overgelegd, heeft de inspecteur vastgesteld dat belanghebbende niet aan zijn informatieverplichting in de van artikel 47 en 49 AWR heeft voldaan en heeft hij op 23 augustus 2011 de onderhavige informatiebeschikking in de zin van artikel 52a AWR voor de navorderingsaanslagen IB/PVV en VB over de jaren 1998 tot en met 2005 afgegeven.

3. Geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de opgelegde informatiebeschikking rechtmatig is.

3.2. Meer in het bijzonder is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

1. Heeft belanghebbende voldaan aan zijn informatieverplichting in de zin van artikel 47 en 49 AWR?

2. Is het nemo tenetur beginsel in de zin van artikel 6 EVRM geschonden?

3. Indien de voorgaande vragen ontkennend worden beantwoord: dient de informatiebeschikking voor zover deze betrekking heeft op gegevens betreffende de navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen van het jaar 1998 en de vermogensbelasting van het jaar 1999 te worden vernietigd?

4. Komt belanghebbende in aanmerking voor een immateriële schadevergoeding?

Belanghebbende beantwoordt bovenstaande vragen bevestigend en de inspecteur ontkennend.

3.3. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.4. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de beschikking en toekenning van een immateriële schadevergoeding. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep en volgens hem bestaat geen recht op een immateriële schadevergoeding.

4. Beoordeling van het geschil

4.1.1. Artikel 52a, eerste lid, van de AWR bepaalt, voor zover te dezen van belang, het volgende:

“1. Indien met betrekking tot een op te leggen aanslag, navorderingsaanslag of naheffingsaanslag of een te nemen beschikking niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 41, 47, 47a, 49, 52, (…), kan de inspecteur dit vaststellen bij voor bezwaar vatbare beschikking (informatiebeschikking). De inspecteur wijst in de informatiebeschikking op artikel 25, derde lid.”

4.1.2. Artikel 47, eerste lid, van de AWR luidt:

“Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur:

a. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn;

b. de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan – zulks ter keuze van de inspecteur – waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen.”

4.1.3. Artikel 49, eerste lid, van de AWR luidt:

“De gegevens en inlichtingen dienen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te worden verstrekt, mondeling, schriftelijk of op andere wijze — zulks ter keuze van de inspecteur — en binnen een door de inspecteur te stellen termijn.”

4.2. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 52a van de AWR de onderhavige informatiebeschikking terecht is vast gesteld indien belanghebbende niet aan zijn informatieverplichting in de zin van artikel 47 en 49 van de AWR heeft voldaan. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende door het niet overleggen van de verzochte stukken en informatie met betrekking de “[Stiftung]”, waarvan op basis van de overgelegde stukken, de zogenaamde By-laws, is gebleken dat hij als gerechtigde (oprichter) betrokken is geweest bij deze Stiftung, niet heeft voldaan aan zijn voormelde informatieverplichting. De verklaring van belanghebbende dat hij de gevraagde stukken en informatie met betrekking tot [Stiftung] niet meer kan achterhalen omdat [opvolger B] weigert deze te verstrekken, acht de rechtbank ongeloofwaardig. De rechtbank acht hierbij niet aannemelijk dat [opvolger B] op eigen initiatief de informatie van “[Stiftung]”niet meer wil overleggen, terwijl dit bij het eerste verzoek van belanghebbende om informatie wel nog het geval was.

4.3. De stelling van belanghebbende dat het overleggen van de verzochte informatie in strijd is met het nemo tenetur beginsel in de zin van artikel 6 EVRM, aangezien uit het recente arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 5 april 2012, nr. 11663/04 (Chambaz), aldus belanghebbende, volgt dat het verbod op gedwongen zelfincriminatie ook ziet op bewijsmateriaal waarvan het bestaan onafhankelijk is van de wil van betrokkene, wordt door de rechtbank verworpen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de Hoge Raad in onderdeel 4.8.3. van haar gewezen arrest van 16 november 2012, nr. 12/00967 (LJN: BY3272) ook na het arrest Chambaz heeft geoordeeld dat het verbod van gedwongen zelfincriminatie in de zin van artikel 6 EVRM alleen ziet op (bewijs)materiaal dat zijn bestaan dankt aan de wil van de beschuldigde. Nu de door de inspecteur gevraagde informatie niet ziet op dergelijk bewijsmateriaal is in casu het opvragen van de informatie niet in strijd met artikel 6 EVRM (vgl. HR 21 maart 2008, nr. 43050, LJN BA8179, BNB /159, onderdeel 3.3.2.). Beoordeling van mogelijke schending van de criteria van het arrest Chambaz kan bovendien eerst aan de orde komen bij de beantwoording van de vraag of en zo ja, de inspecteur mede op basis van door belanghebbende ten behoeve van een (navorderings)aanslag aangeleverd (bewijs)materiaal, dit (bewijs)materiaal al dan niet (deels) terecht gebruikt als grondslag voor het opleggen van een boete.

4.4. Nu de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen van het jaar 1998 en de vermogensbelasting van het jaar 1999 reeds op 10 december 2010 zijn vastgesteld, welke datum voor de inwerkingtreding van de artikel 52a AWR is gelegen (1 juli 2011), dient de informatiebeschikking voor zover deze betrekking heeft op te verstrekken bescheiden en inlichtingen voor de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen van het jaar 1998 en voor de vermogensbelasting van het jaar 1999 te worden vernietigd. De informatiebeschikking is gelet op het voorgaande voor de op te leggen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen van de jaren 1999 tot en met 2005 en de vermogensbelasting van het jaar 2000 wel terecht vast gesteld.

4.5. Gelet op het vorenstaande is het beroep tegen de vaststelling van de informatiebeschikking met betrekking tot de opgelegde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen van het jaar 1998 en vermogensbelasting van het jaar 1999 gegrond en met betrekking tot de op te leggen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekering van de jaren 1999 tot en met 2005 en de vermogensbelasting van het jaar 2000 ongegrond. Nu het beroep ongegrond is voor de navorderingaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen van het jaar 1999 tot en met 2005 en de vermogensbelasting van het jaar 2000, zal de rechtbank, ingevolge artikel 27e, eerste en tweede lid, van de AWR, belanghebbende een termijn geven van zes weken om alsnog de verzochte informatie met betrekking tot deze jaren te overleggen.

Immateriële schadevergoeding

4.6. De Hoge Raad heeft in het arrest van 10 juni 2011, nr. 09/02639, LJN BO5046, BNB 2011/232, geoordeeld dat voor de vraag of de redelijke termijn voor beslechting van het geschil is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die hij in zijn arrest van 22 april 2005, nr. 37984, LJN AO9006, BNB 2005/337, heeft neergelegd voor de duur van de redelijke termijn in fiscale boetezaken. Daarbij hanteert de Hoge Raad als uitgangspunt dat de redelijke termijn voor de behandeling in de bezwaarfase en de procedure in eerste aanleg (hierna: de rechtbankfase) tezamen niet meer dan twee jaar bedraagt.

4.7. De rechtbank wijst het verzoek van belanghebbende om een immateriële schadevergoeding af, nu in het onderhavige geval de rechtbank uitspraak doet binnen twee jaren na indiening van het bezwaarschrift en er dus van een overschrijding van de in 4.6. genoemde redelijke termijn geen sprake is.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.415, (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 235, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1,5 punten voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 1).

6. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond voor zover de informatiebeschikking ziet op de opgelegde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen van het jaar 1998 en de vermogensbelasting van het jaar 1999;

- verklaart het beroep ongegrond voor zover deze ziet op de op te leggen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen van de jaren 1999 tot en met 2005 en de op te leggen navorderingsaanslag vermogensbelasting van het jaar 2000;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar, alsmede de informatiebeschikking, voor zover de informatiebeschikking ziet op de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen van het jaar 1998 en vermogensbelasting van het jaar 1999;

- stelt belanghebbende een termijn van zes weken, gerekend vanaf de dag waarop deze uitspraak is verzonden, om alsnog aan de inspecteur de in de informatiebeschikking gevraagde informatie te verstrekken;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.415;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 2 januari 2013 door mr. drs. M.M. de Werd, voorzitter, mr. drs. J.W.J. Huige en mr. D. Hund, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.H. van Heel, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 16 januari 2012

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.