Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ4984

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-03-2013
Datum publicatie
21-03-2013
Zaaknummer
C-02-230663 - HA ZA 11-238
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2014:45, Overig
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2016:3085, Overig
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:1668
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:702
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

/

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2013/793
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/230663 / HA ZA 11-238

Vonnis van 20 maart 2013

in de zaak van

de rechtspersoon naar Belgisch recht RENDERS N.V.,

gevestigd te Beerse, België,

eiseres,

advocaat mr. D.J.A. van den Berg te ‘s-Gravenhage,

tegen

1. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats gedaagde 2],

3. de stichting STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR VAN SEUMEREN CONCERN,

gevestigd te Kaatsheuvel,

4. de stichting STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR VAN SEUMEREN CONCERN II,

gevestigd te Kaatsheuvel,

gedaagden,

advocaat mr. L.Y. Pawlikowski te Waalwijk.

Eiseres zal hierna Renders worden genoemd. Gedaagden worden afzonderlijk [gedaagde 1], [gedaagde 2], Stichting Administratiekantoor Concern en Stichting Administratiekantoor Concern II genoemd en gezamenlijk de administratiekantoren (gedaagden sub 3 en 4) en [gedaagden] (gedaagden sub 1 t/m 4).

1. De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 juli 2011 en de daarin genoemde stukken,

- de conclusie van antwoord, met producties 1 t/m 8,

- de conclusie van repliek tevens houdende akte wijziging eis, met producties 17 t/m 24,

- de conclusie van dupliek, met producties 9 t/m 12,

- de antwoordakte tevens akte overlegging producties, met producties 25 t/m 27,

- de op 11 januari 2013 gehouden pleidooien en de ter gelegenheid daarvan door

mr. Van den Berg overgelegde pleitnota.

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil

2.1 Renders vordert, na wijziging eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, kort gezegd:

I. een verklaring voor recht dat Renders de vordering op [gedaagde 2] van

EURO 340.200,00 uit hoofde van borgstelling kan verhalen op de ten opzichte van haar geldende gemeenschap van goederen van het echtpaar [gedaagde 1 + 2];

II. primair:

een verklaring voor recht dat [gedaagde 1] onrechtmatig jegens Renders heeft gehandeld en haar te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding

ad EURO 340.200,00, danwel een schadevergoeding op te maken bij staat;

subsidiair:

een verklaring voor recht dat Renders op grond van de pauliana het samenstel van rechtshandelingen heeft vernietigd op grond waarvan het vermogen van [gedaagde 2] c.q. de vruchten van zijn (geestelijke) arbeid is/zijn gaan behoren tot het vermogen van [gedaagde 1];

III. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot voldoening van het bedrag van EURO 340.200,00 waarvoor het beslag is gelegd;

IV. een verklaring voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onrechtmatig jegens Renders hebben gehandeld door te voorkomen dat het beslag in het certificaathouderregister werd aangetekend en hen hoofdelijk te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding op te maken bij staat;

V. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot het verschaffen van een aantal schriftelijke bescheiden;

VI. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, de beslagkosten en nakosten daaronder begrepen.

2.2 [gedaagden] weerspreken de vorderingen. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3. De beoordeling.

3.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de onbetwiste inhoud van de producties, staat tussen partijen het volgende vast:

- [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn onder huwelijkse voorwaarden met elkaar getrouwd.

- [gedaagde 1] houdt indirect – via Stichting Administratiekantoor Concern en de besloten vennootschap Rolande Beheer B.V. – alle aandelen in het aandelenkapitaal van de besloten vennootschap Rolande Materieel B.V., van welke vennootschap [gedaagde 1] en [gedaagde 2] beiden indirect bestuurder zijn.

- Daarnaast houdt [gedaagde 1] indirect – via Stichting Administratiekantoor Concern II en de besloten vennootschap AWA Trading B.V. – een deel van de aandelen in het aandelenkapitaal van de besloten vennootschap Rolande LNG B.V.

- Renders heeft op 10 juni 2008 12 tankchassis verkocht aan Rolande Materieel B.V.

- Daarvoor heeft zij op 1 juli 2008 12 facturen gestuurd voor een bedrag van

(12 x EURO 28.350,00 =) EURO 340.200,00.

- De facturen dienden te worden voldaan voorafgaande aan de levering. [gedaagde 2] heeft Renders echter verzocht te mogen betalen na levering van de voertuigen. Renders is hiermee akkoord gegaan, onder voorwaarde dat een aantal zekerheden zou worden verleend.

- Op 26 september 2008 heeft Rolande Materieel B.V. een door ING België N.V. uitgegeven wisselbrief getekend met als vervaldatum 30 november 2008. Deze wisselbrief is door [gedaagde 2] in privé voor aval getekend. Daarnaast is op de facturen aangegeven dat [gedaagde 2] ‘zowel persoonlijk als familiaal’ garant staat voor de betaling van deze facturen.

- Bij e-mailbericht van 17 december 2008 heeft [gedaagde 2] Renders verzocht om verlenging van de vervaldag van de wisselbrief met een termijn van twee maanden. Renders is hiermee akkoord gegaan.

- Op 2 februari 2009 is Rolande Materieel B.V. in staat van faillissement verklaard.

- Renders heeft zich op het standpunt gesteld dat [gedaagde 2] op grond van de door hem verleende borg- en garantstelling gehouden is het bedrag van

EURO 340.200,00 te voldoen en heeft [gedaagde 2] om die reden in rechte betrokken.

- Hangende de procedure tegen [gedaagde 2] heeft [gedaagde 1] bij brief van 23 november 2009 een beroep gedaan op art. 1:88 BW en de vernietiging van het aval en de bijkomende betalingsgaranties ingeroepen.

- De rechtbank heeft bij vonnis van 10 maart 2010 het beroep op de vernietiging gehonoreerd en de vordering van Renders afgewezen. Renders heeft bij dagvaarding van 4 juni 2010 tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

- Op 8 november 2010 heeft Renders – na daartoe op 29 oktober 2010 verkregen verlof – zowel ten laste van [gedaagde 2] als ten laste van [gedaagde 1] conservatoir beslag laten leggen op alle door van [gedaagde 1] gehouden certificaten van aandelen uitgegeven door de beide administratiekantoren. Renders heeft ter verkrijging van dit verlof aangevoerd een vordering te hebben op [gedaagde 2], welke vordering zij kan verhalen op de gemeenschap van goederen van het echtpaar [gedaagde 1], die tegenover Renders geacht moet worden te bestaan.

- Bij vonnis van 26 november 2010 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda het beslag opgeheven, met uitzondering van het beslag op de certificaten van aandelen uitgegeven door de Stichting Administratiekantoor Van Seumeren Concern, daar dit – per abuis – niet was gevorderd.

- Vervolgens heeft Renders – na daartoe op 25 november 2010 verkregen verlof – op 26 november 2010 wederom ten laste van [gedaagde 1] conservatoir beslag laten leggen op alle door van [gedaagde 1] gehouden certificaten van aandelen. Ter verkrijging van dit verlof heeft Renders aangevoerd dat zij hangende de procedure tegen [gedaagde 2] heeft ontdekt dat [gedaagde 2] geen verhaal biedt voor de vordering van Renders en dat Renders ook een vordering op [gedaagde 1] heeft op grond van de pauliana danwel onrechtmatige daad.

- [gedaagde 1] heeft in kort geding opheffing van dit beslag gevorderd en van het op 8 november 2010 gelegde beslag, voor zover dat niet was opgeheven. In reconventie heeft Renders gevorderd [gedaagde 1] te veroordelen om de gelegde conservatoire beslagen aan te tekenen in de registers van certificaathouders van de administratiekantoren.

- Bij vonnis van 29 december 2010 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda overwogen dat het beroep op de pauliana onvoldoende is onderbouwd, maar dat van de ondeugdelijkheid van de vordering voor zover gebaseerd op onrechtmatige daad summierlijk niet is gebleken, zodat de op 26 november 2010 gelegde beslagen worden gehandhaafd. In conventie is het op 8 november 2010 gelegde beslag opgeheven en in reconventie is [gedaagde 1] onder verbeurte van een dwangsom veroordeeld om mee te werken aan het plaatsen van aantekeningen als bedoeld in art. 717 juncto 715 lid 1 juncto 474c Rv in de registers van certificaathouders van de administratiekantoren, waaruit blijkt dat en op welke certificaten op 26 november 2010 conservatoir beslag is gelegd.

- Vervolgens heeft Renders zowel [gedaagde 2] als [gedaagde 1] en de beide administratiekantoren in rechte betrokken.

3.2 De rechtbank stelt allereerst vast dat zij op grond van art. 2 van de EEX-Verordening bevoegd is van dit geschil kennis te nemen. Partijen leggen aan hun stellingen Nederlands recht ten grondslag. Gelet daarop gaat de rechtbank uit van een rechtskeuze door partijen voor Nederlands recht, zodat de rechtbank hiervan in het navolgende zal uitgaan.

3.3 Renders baseert haar vorderingen – kort gezegd – op de stelling dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hun huwelijkse voorwaarden niet aan haar kunnen tegenwerpen, zodat Renders haar vordering op [gedaagde 2] uit hoofde van de borg- en garantstelling kan verhalen op de gemeenschap van goederen van het echtpaar [gedaagde 1]. Daarnaast stelt Renders ook een zelfstandige vordering op [gedaagde 1] te hebben, gebaseerd op onrechtmatige daad. De stellingen komen er in de kern op neer dat wanneer [gedaagde 2] niet op grond van de door hem verleende borg- en garantstelling kan worden aangesproken, dan wel daarvoor geen verhaal biedt, [gedaagde 1] op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de schade die Renders daardoor lijdt. Renders is van mening dat [gedaagde 1] onrechtmatig heeft gehandeld door met een beroep op art. 1:88 BW de borg- en garantstelling te vernietigen. Daarnaast is zij van mening dat [gedaagde 1] als bestuurder van Rolande Materieel persoonlijk aansprakelijk is voor het feit dat Rolande Materieel contractuele verplichtingen is aangegaan die zij niet kan nakomen. Subsidiair doet Renders nog een beroep op vernietiging van het samenstel van rechtshandeling waarmee volgens haar vermogensbestanddelen van [gedaagde 2] zijn overgeheveld naar [gedaagde 1] en tot slot is zij van mening dat de administratiekantoren op grond van art. 474c lid 7 jo 444b Rv gehouden zijn het bedrag te voldoen waarvoor beslag is gelegd, nu de conservatoire beslagen niet (tijdig) zijn ingeschreven in de registers van certificaathouders. Voor de voldoening van dit bedrag zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op grond van onrechtmatige daad hoofdelijk aansprakelijk, aldus Renders.

3.4 [gedaagden] betwisten dat er sprake is van een gemeenschap van goederen waarop Renders zich kan verhalen en dat zij op de aangevoerde gronden aansprakelijk zijn voor de door Renders gestelde schade.

3.5 De rechtbank overweegt met betrekking tot de onderwerpen van geschil het volgende.

De huwelijkse voorwaarden

3.6 Renders stelt de vordering onder I. te hebben ingesteld voor het geval zij van [gedaagde 2] nakoming kan vorderen van de borg- en garantstelling. Renders is van mening dat zij in dat geval haar vordering kan verhalen op het gemeenschapsvermogen van het echtpaar [gedaagde 1], aangezien zij hun huwelijkse voorwaarden niet aan Renders kunnen tegenwerpen. De huwelijkse voorwaarden staan ingeschreven bij de rechtbank ’s-Hertogenbosch en niet bij de rechtbank Breda. Aangezien Waalwijk, waar [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in 1983 met elkaar zijn getrouwd, valt binnen het rechtsgebied van de rechtbank Breda, staan de huwelijkse voorwaarden niet overeenkomstig art. 1:116 BW ingeschreven.

3.7 De rechtbank is met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van oordeel dat weldegelijk aan de vereisten van art. 1:116 BW is voldaan. Waalwijk viel ten tijde van het huwelijk in 1983 in het rechtsgebied van de rechtbank ’s-Hertogenbosch. De huwelijkse voorwaarden zijn ingeschreven in het register, gehouden ter griffie van deze rechtbank. Daarmee is voldaan aan de in art. 1:116 BW opgenomen bepaling dat de huwelijkse voorwaarden moeten zijn ingeschreven in het openbaar huwelijksgoederenregister, gehouden ter griffie van de rechtbank binnen welker rechtsgebied het huwelijk is voltrokken. Deze kunnen dan ook aan Renders worden tegengeworpen. Het feit dat Waalwijk door wijziging van de arrondissementsgrens ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst tussen Renders en [gedaagde 2] in het rechtsgebied van de rechtbank Breda viel, doet daar, anders dan Renders stelt, niet aan af. Dat betekent dat de vordering wordt afgewezen.

Onrechtmatige daad

3.8 Renders heeft bij dagvaarding aan haar primaire vordering onder II. de stelling ten grondslag gelegd dat [gedaagde 1] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld doordat zij een stromanconstructie heeft opgezet waarin haar echtgenoot als vertegenwoordiger van Rolande Materieel B.V. naar voren is geschoven terwijl hij geen enkel verhaal biedt voor zijn schuldeisers, en door bovendien de huwelijkse voorwaarden aan Renders tegen te werpen. Renders stelt dat [gedaagde 2] zich tegenover haar heeft voorgedaan als ‘eigenaar’ van Rolande Materieel en aan haar heeft doen voorkomen zeer vermogend te zijn, terwijl zijn complete vermogen blijkt te zijn ondergebracht in een vennootschapsrechtelijke structuur die is opgezet door [gedaagde 1], althans waarvan zij de uiteindelijk gerechtigde is. [gedaagde 1] is dan ook gehouden de daardoor ontstane schade aan Renders te vergoeden.

3.9 [gedaagde 1] heeft bij conclusie van antwoord betwist een stromanconstructie te hebben opgezet. Zij stelt samen met haar echtgenoot bestuurder te zijn van Rolande Materieel. Renders heeft met deze vennootschap een koopovereenkomst gesloten. Ervan uitgaande dat [gedaagde 2] de door Renders gestelde borgstelling in privé heeft verstrekt, hetgeen [gedaagde 1] ten aanzien van de betalingsgaranties betwist, dan heeft [gedaagde 2] dat in privé gedaan. Het lag op de weg van Renders om na te gaan of aan de vereisten van art. 1:88 BW was voldaan. Nu daaraan niet is voldaan, was [gedaagde 1] gerechtigd de nietigheid van de verleende borg- en garantstelling in te roepen. Tevens was zij gerechtigd een beroep te doen op de huwelijkse voorwaarden. Daarmee heeft zij niet onrechtmatig jegens Renders gehandeld, aldus [gedaagde 1].

3.10 Naar aanleiding van een overweging van de voorzieningenrechter in het vonnis van 29 december 2010, heeft Renders bij conclusie van repliek de grondslag van haar primaire vordering aangevuld. Deze overweging komt er kort gezegd op neer dat er onder omstandigheden sprake zou kunnen zijn van aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad in de vorm van bestuurdersaansprakelijkheid.

3.11 Renders stelt dat [gedaagde 1] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door met een beroep op art. 1:88 BW de door haar echtgenoot verleende borg- en garantstelling te vernietigen. Renders voert daartoe aan dat [gedaagde 1] als bestuurder wist of behoorde te weten dat Renders normaliter slechts na volledige betaling leverde. Bij levering diende contant te worden betaald. Uit het handelsregister blijkt dat het vennootschappelijk doel van Rolande Materieel het in- en verkopen van rollend materiaal was, waaronder begrepen tankwagens en opleggers. De gemaakte betaalafspraak behoorde dan ook tot de kerntaken van het bestuur, zodat [gedaagde 1] als (indirect) bestuurder daarvan op de hoogte behoorde te zijn. In zijn algemeenheid geldt immers dat onder de bestuursbevoegdheid alle handelingen vallen die al dan niet met gebruikmaking van de financiële middelen van de vennootschap zijn gericht op de verwezenlijking van het vennootschappelijk doel. Een belangrijk onderdeel van de betaalafspraak was de borgstelling van [gedaagde 2] in privé. [gedaagde 1] was daarvan op de hoogte, althans behoorde daarvan op de hoogte te zijn. De borgstellingen zijn echter na het faillissement van Rolande Materieel waardeloos gebleken, nu [gedaagde 1] de borgstellingen heeft vernietigd. Dit heeft ertoe geleid dat Renders haar vordering van

EURO 340.000,00 niet op [gedaagde 2] kan verhalen. Renders is van mening dat [gedaagde 1] de schade die Renders daardoor lijdt aan haar dient te vergoeden.

3.12 Daarnaast beroept Renders zich op de persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde 1] als (indirect) bestuurder van Rolande Materieel. Onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad inzake Beklamel (6 oktober 1989, NJ 1990, 286), Ontvanger/Roelofsen (8 december 2006, NJ 2006, 659) en Kloosterbrink/Eurocommerce (26 juni 2009, NJ 2009, 418) stelt Renders dat [gedaagde 1] als bestuurder op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is voor het onbetaald laten en onverhaalbaar blijken van de vordering van Renders op Rolande Materieel. Niet alleen heeft [gedaagde 1] als (indirect) bestuurder bewerkstelligd dan wel toegelaten dat de vennootschap contractuele verplichtingen is aangegaan (het afgeven van een wisselbrief) terwijl zij wist of redelijkerwijze moest begrijpen dat de vennootschap aan die verplichtingen niet kon voldoen en nagelaten in te grijpen daar waar zij dat uit maatschappelijke zorgvuldigheid had behoren te doen, maar [gedaagde 1] heeft ook onrechtmatig gehandeld doordat zij Renders ertoe heeft gebracht een groter risico op zich te nemen (de chassis te leveren terwijl de gemaakte betalingsafspraken waardeloos waren) dan zij wist of kon begrijpen.

3.13 [gedaagde 1] bewist als bestuurder op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk te zijn voor de door Renders gestelde schade. Haar verweer komt er in de kern op neer dat zij zich binnen Rolande Materieel niet bezig heeft gehouden met transacties zoals tussen Renders en Rolande Materieel heeft plaatsgevonden en dat zij niet op de hoogte was, noch behoorde te zijn, van de door [gedaagde 2] met Renders gemaakte betalingsafspraak en de door [gedaagde 2] verleende borgstellingen.

3.14 Voor wat betreft de door Renders gestelde stromanconstructie is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] een constructie hebben opgezet met als doel Renders te benadelen. Daarvoor heeft Renders onvoldoende gesteld. Het is op zich niet ongebruikelijk dat een bestuurder niet tevens aandeelhouder is van een vennootschap en evenmin dat de (certificaten van) aandelen van een dergelijke vennootschap in handen zijn van de echtgenote van de bestuurder en deze echtgenote tevens bestuurder is van de vennootschap. Bij raadpleging van het handelsregister had Renders dit kunnen weten. Evenmin is ongebruikelijk dat een echtpaar onder huwelijkse voorwaarden met elkaar is getrouwd, zodat Renders daarop bedacht had kunnen zijn. [gedaagde 1] stelt dan ook terecht dat Renders, voordat zij akkoord ging met de door [gedaagde 2] voorgestelde betalingsafspraak en de daaraan verbonden zekerheden, had moeten nagaan of aan de vereisten van art. 1:88 BW was voldaan. Bovendien had Renders kunnen onderzoeken of [gedaagde 2] verhaal bood voor de door hem verleende borg- en garantstelling. Dat Renders dat heeft nagelaten, kan [gedaagde 1] niet worden verweten en komt dan ook voor rekening en risico van Renders.

3.15 Vervolgens is de vraag of [gedaagde 1] als bestuurder van Rolande Materieel onrechtmatig jegens Renders heeft gehandeld door met een beroep op de haar als echtgenote van [gedaagde 2] toekomende bevoegdheid de vernietiging in te roepen van het door haar echtgenoot verleende aval en de door hem afgegeven bijkomende betalingsgaranties.

3.16 Bij de beoordeling van deze vraag gaat de rechtbank er veronderstellenderwijze vanuit dat [gedaagde 2] genoemde zekerheden in privé heeft verleend en [gedaagde 1] op grond van art. 1:88 BW bevoegd was de vernietiging daarvan in te roepen. [gedaagde 1] stelt daarmee slechts een haar als echtgenote toekomende bevoegdheid te hebben uitgeoefend. Dat moge zo zijn, maar daarmee is naar het oordeel van de rechtbank nog niet gezegd dat zij, bezien vanuit haar positie van bestuurder van Rolande Materieel, niet onrechtmatig jegens Renders kan hebben gehandeld.

3.17 [gedaagde 1] is als bestuurder van Rolande Materieel B.V. gehouden tot een behoorlijke uitoefening van haar taak. De rechtbank is van oordeel dat zij, gelet op deze verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening, onrechtmatig jegens Renders heeft gehandeld door met een beroep op een haar als echtgenote van [gedaagde 2] toekomende bevoegdheid de door haar echtgenoot afgegeven zekerheden te vernietigen, aangezien deze zekerheden zijn afgegeven in het belang van de vennootschap. Als onweersproken staat immers vast dat Rolande Materieel niet in staat was om de gekochte tankchassis voor aflevering te betalen en belang had bij een uitstel van betaling. Eveneens staat als onweersproken vast dat Renders alleen bereid was deze uitstel van betaling te verlenen wanneer Rolande Materieel een wisselbrief zou afgeven en [gedaagde 2] deze in privé voor aval zou tekenen. [gedaagde 2], die evenals [gedaagde 1] als bestuurder gehouden is tot een behoorlijke taakuitoefening, heeft deze betalingsafspraak als bestuurder van Rolande Materieel met Renders gemaakt. Daarbij heeft hij geen voorbehoud gemaakt ten aanzien van de rechtsgeldigheid van het door hem verleende aval en de door hem afgegeven betalingsgaranties. Door onder deze omstandigheden een beroep te doen op een haar als echtgenote toekomende bevoegdheid terwijl zij als bestuurder van de vennootschap niet alleen belang had bij de totstandkoming van deze betalingsafspraak maar ook medeverantwoordelijk was voor het door haar echtgenoot als bestuurder gevoerde beleid, heeft [gedaagde 1] naar het oordeel van de rechtbank als bestuurder van Rolande Materieel onrechtmatig jegens Renders gehandeld. Dit geldt te meer nu gesteld noch gebleken is dat [gedaagde 1] als echtgenote van [gedaagde 2] belang had bij het inroepen van de bescherming van art. 1:88 BW. De regeling beoogt de echtgenoten, in het belang van het gezin, tegen elkaar te beschermen tegen het verrichten van rechtshandelingen die gezien het voorwerp van de rechtshandeling of de aard daarvan benadelend zijn of een groot financieel risico meebrengen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn echter onder huwelijkse voorwaarden met elkaar getrouwd en [gedaagde 2] heeft – volgens Renders – geen vermogen, althans geen vermogensbestanddelen waarop Renders zich kan verhalen. [gedaagde 1] heeft niet gesteld, noch is anderszins gebleken, dat zij een dermate zwaarwegend belang had bij het inroepen van de bescherming van art. 1:88 BW dat zij, ondanks haar verplichting als bestuurder van Rolande Materieel om in het kader van een behoorlijke taakuitoefening rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van haar schuldeisers, het inroepen van deze bevoegdheid kon laten prevaleren. [gedaagde 1] heeft wel nog aangevoerd dat zij zich niet bezighield met transacties zoals tussen Rolande Materieel en Renders heeft plaatsgevonden en niet op de hoogte was van de door haar echtgenoot verleende borg- en garantstelling, maar dit beroep op onwetendheid kan haar als bestuurder van Rolande Materieel niet baten. Gezien de aard van de activiteiten van de onderneming mag van [gedaagde 1] als voldoende nauwgezet (mede)bestuurder worden verwacht dat zij op de hoogte is van de transacties van de onderneming en de in het kader daarvan gemaakte (betalings)afspraken.

3.18 De vraag is echter of Renders door dit onrechtmatig handelen schade heeft geleden. Aangezien Renders zich op het standpunt stelt dat zij schade heeft geleden doordat [gedaagde 1] de verleende borg- en garantstellingen heeft vernietigd, had het op haar weg gelegen nader te onderbouwen waaruit deze schade bestaat. Zij stelt echter alleen dat [gedaagde 2] geen enkel verhaal biedt. Dat betekent dat Renders ook bij een rechtsgeldige zekerheidsstelling geen voldoening van haar vordering had kunnen krijgen. Nu Renders verder niet heeft onderbouwd waarom zij desondanks schade heeft geleden, wordt de vordering afgewezen.

3.19 Vervolgens ligt ter beoordeling voor de vraag of [gedaagde 1] als bestuurder van Rolande Materieel persoonlijk aansprakelijk is voor de schade die Renders lijdt doordat de vennootschap haar verplichtingen niet kan nakomen. Renders verwijst in dit verband naar een aantal arresten van de Hoge Raad, die de rechtbank hieronder kort zal bespreken.

3.20 Uit het Beklamel-arrest volgt dat een bestuurder persoonlijk aansprakelijk kan zijn wanneer een bestuurder namens de vennootschap verplichtingen is aangegaan terwijl hij wist, althans redelijkerwijs behoorde te begrijpen, dat de vennootschap niet of niet binnen een redelijke termijn in staat zou zijn haar verplichtingen na te komen en de vennootschap evenmin verhaal zou bieden voor de ten gevolge van die wanprestatie door de wederpartij te lijden schade. Uit het arrest New Holland Belgium/Oosterhof (Hoge Raad 18 februari 2000, NJ 2000, 295) volgt dat een bestuurder persoonlijk aansprakelijk kan zijn wanneer hij heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de door hem bestuurde vennootschap een eerder door haar aangegane overeenkomst niet nakomt en daardoor aan de wederpartij van de vennootschap schade berokkent. Tot slot volgt uit het arrest Ontvanger/Roelofsen – waarin wordt bevestigd dat naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zal zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (1) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (2) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt – dat in beide gevallen in het algemeen alleen dan mag worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.

3.21 In het onderhavige geval zijn de verplichtingen die de vennootschap, Rolande Materieel B.V., volgens Renders is aangegaan de verplichtingen voortvloeiende uit de wisselbrief. Voor zover al geoordeeld zou moeten worden dat Renders voldoende heeft gesteld dat de bestuurder ten tijde van het aangaan van deze verplichting wist, althans redelijkerwijs behoorde te begrijpen, dat de vennootschap niet of niet binnen een redelijke termijn in staat zou zijn haar verplichtingen na te komen en de vennootschap evenmin verhaal zou bieden voor de ten gevolge van die wanprestatie door de wederpartij te lijden schade, geldt dat [gedaagde 2] deze verplichting namens de vennootschap is aangegaan en niet [gedaagde 1]. Voor zover Renders met haar stelling dat [gedaagde 1] heeft bewerkstelligd dan wel toegelaten dat de door haar bestuurde vennootschap deze contractuele verplichting is aangegaan heeft willen betogen dat [gedaagde 1] als bestuurder medeverantwoordelijk is voor de door haar medebestuurder namens de vennootschap verrichte rechtshandeling, faalt dit betoog. Het bestuur is weliswaar collegiaal verantwoordelijk voor de vervulling van de bestuurstaak, maar om een bestuurder op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk te stellen moet hem persoonlijk een ernstig verwijt kunnen worden gemaakt. Dat [gedaagde 1] ter zake het aangaan van deze verplichting door haar medebestuurder een persoonlijk ernstig verwijt treft, heeft Renders niet ,althans voldoende, gesteld. Evenmin heeft Renders gesteld dat [gedaagde 1] heeft bewerkstelligd of toegelaten dat Rolande Materieel de door haar aangegane verplichtingen niet is nagekomen. De niet nakoming door Rolande Materieel van de door haar aangegane verplichtingen kan dan ook niet tot persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde 1] als bestuurder van Rolande Materieel leiden.

3.22 Vervolgens is de vraag of aansprakelijkheid van [gedaagde 1] kan voortvloeien uit het arrest Kloosterbrink/Eurocommerce. Renders stelt dat uit dit arrest volgt dat een bestuurder van een vennootschap aansprakelijk kan zijn tegenover een derde wanneer deze bestuurder de derde ertoe heeft gebracht een risico voor aansprakelijkheid tegenover een derde op zich te nemen dat wezenlijk groter is dan de derde wist of kon begrijpen, ook wat betreft de eventuele mogelijkheid van regres. In casu heeft, zo stelt Renders, [gedaagde 1] als bestuurder van Rolande Materieel onrechtmatig gehandeld doordat zij Renders ertoe heeft gebracht een groter risico op zich te nemen dan Renders wist of kon begrijpen. Ter toelichting daarop stelt Renders dat zij normaliter slechts bij volledige betaling leverde en dat Rolande Materieel haar ertoe heeft gebracht akkoord te gaan met het betalen bij oplevering, door een wisselbrief in privé voor aval te tekenen. Deze zekerheden bleken echter waardeloos te zijn, onder meer door eigen handelen van [gedaagde 1]. Door Renders ertoe te brengen de chassis te leveren terwijl de gemaakte betalingsafspraken waardeloos waren, heeft [gedaagde 1] Renders ertoe gebracht een risico op zich te nemen dat wezenlijk groter was dan Renders wist of kon begrijpen. Dit handelen is onrechtmatig en kan [gedaagde 1] worden toegerekend, aldus Renders.

3.23 De rechtbank is van oordeel dat de uitleg van Renders berust op een verkeerde lezing van het arrest. In dit arrest ging het om een geschil tussen twee aandeelhouders (de besloten vennootschappen Eurocommerce III B.V. en Kloosterbink B.V.) van de besloten vennootschap Vista Office Solution B.V. Beide aandeelhouders hadden op verzoek van de financier van Vista, Fortis Bank N.V., een zogenaamde ‘kapitaalinstandhoudingsverklaring’ (KIV) getekend. Kloosterbrink kon niet aan haar verplichtingen uit deze KIV voldoen, zodat Eurocommerce als enige tot nakoming werd aangesproken. Volgens de Hoge Raad had het Hof terecht geoordeeld dat – kort gezegd – Kloosterbrink jegens Eurocommerce had gehandeld in strijd met hetgeen naar ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamde door een ongeclausuleerde KIV aan Fortis Bank af te geven zonder Eurocommerce te waarschuwen dat zij voor de nakoming van deze KIV afhankelijk was van een externe financier, die slechts onder specifieke voorwaarden tot verdere financiering bereid was. Kloosterbrink wist, of behoorde naar objectieve maatstaven te begrijpen, dat zij door deze nalatigheid Eurocommerce blootstelde aan het voor deze niet kenbare risico dat het gehele bedrag van de KIV door Fortis Bank op Eurocommerce zou worden verhaald zonder mogelijkheid van regres op Kloosterbrink in het geval dat Kloosterbrink niet aan haar verplichtingen jegens Fortis Bank zou kunnen voldoen. Met betrekking tot de persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van Kloosterbrink werd overwogen dat als uitgangspunt geldt dat een bestuurder van een vennootschap onrechtmatig handelt jegens een schuldeiser van die vennootschap en aldus persoonlijk aansprakelijk is jegens die schuldeiser, indien hij namens de vennootschap verplichtingen is aangegaan terwijl hij wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat de vennootschap niet, of niet binnen een redelijke termijn, aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de schade die de wederpartij ten gevolge van die wanprestatie zou lijden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem persoonlijk ter zake van de benadeling niet een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Volgens de Hoge Raad had het Hof terecht deze maatstaf toegepast in het onderhavige geval, waarin de bestuurder weliswaar niet de door hem bestuurde vennootschap onrechtmatig schulden had laten maken tegenover Eurocommerce, maar Eurocommerce er wel toe had gebracht een risico voor aansprakelijkheid op zich te nemen tegenover een derde (Fortis Bank) dat wezenlijk groter was dan Eurocommerce wist of kon begrijpen, ook wat betreft de eventuele mogelijkheid van regres op Kloosterbrink. De bestuurder van Kloosterbrink wist voorts, of moest redelijkerwijze begrijpen, dat Kloosterbrink niet of niet binnen een redelijke termijn aan haar verplichtingen tegenover Fortis Bank zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de schade die Eurocommerce daardoor zou lijden.

3.24 Uit dit arrest volgt dat wanneer een vennootschap toerekenbaar te kort schiet in de nakoming van haar verplichtingen jegens haar contractuele wederpartij, de vennootschap op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk kan zijn voor de schade die een derde daardoor lijdt. Voor die schade, die de vennootschap dient te vergoeden, kan bovendien de bestuurder van die vennootschap onder bijzondere omstandigheden persoonlijk aansprakelijk worden gehouden, te meer wanneer die bestuurder de contractuele verplichtingen namens de vennootschap is aangegaan terwijl hij wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat de vennootschap niet, of niet binnen een redelijke termijn, aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de schade die de wederpartij ten gevolge van die wanprestatie zou lijden. Een dergelijke situatie doet zich in het onderhavige geval niet voor. In het onderhavige geval gaat het om een betalingsafspraak die de vennootschap, Rolande Materieel, met Renders heeft gemaakt en waaraan volgens Renders een haar niet kenbaar risico kleefde, namelijk het risico dat de verleende zekerheden waardeloos zouden blijken te zijn. Nu dat risico zich heeft verwezenlijkt, is Renders van mening dat [gedaagde 1] als bestuurder van Rolande Materieel persoonlijk aansprakelijk is voor de door haar geleden schade. Deze casus vertoont eerder verwantschap met de onder 3.12 genoemde arresten dan met Kloosterbrink/Eurocommerce. Waarom [gedaagde 1] als bestuurder van Rolande Materieel op grond van laatstgenoemd arrest persoonlijk aansprakelijk zou zijn voor de schade die Renders lijdt nu het risico van niet betaling zich heeft verwezenlijkt, is de rechtbank zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet duidelijk. De vordering kan op deze grondslag dan ook niet slagen.

Pauliana

3.25 Renders heeft bij dagvaarding aan haar subsidiaire vordering onder II. de stelling ten grondslag gelegd dat voor het geval de rechtbank van oordeel mocht zijn dat het echtpaar [gedaagde 1] hun huwelijkse voorwaarden aan Renders kan tegenwerpen en het handelen van [gedaagde 1] niet onrechtmatig is, zij hierbij op grond van de pauliana het samenstel van rechtshandelingen betreffende de overdacht van vermogensbestanddelen van [gedaagde 2], waaronder vennootschappen, aan [gedaagde 1] vernietigt.

3.26 [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben bij conclusie van antwoord als verweer aangevoerd dat het inroepen van de vernietiging ‘van het samenstel van rechtshandelingen betreffende de overdracht van vermogensbestanddelen van [gedaagde 2], waaronder vennootschappen, aan [gedaagde 1]’ dermate vaag en onvoldoende onderbouwd is, dat reeds daarop de vordering dient te worden afgewezen. Overigens betwisten zij dat er vermogen van [gedaagde 2] naar [gedaagde 1] is overgeheveld.

3.27 In reactie op dit verweer heeft Renders bij conclusie van repliek aangevoerd dat [gedaagde 1] op 11 juli 2001 een vennootschap heeft verkregen die later is omgedoopt in Rolande Beheer B.V. In deze vennootschap is een aan [gedaagde 2] toebehorende onderneming ingebracht. De zakelijke activiteiten van [gedaagde 2] zijn vervolgens tot 12 mei 2005 in deze vennootschap ondergebracht, waarna deze gedeeltelijk zijn ‘doorgezakt’ naar de opgerichte dochters Rolande Materieel en Rolande Milieutechniek B.V. Later zijn meerdere vennootschappen onder Rolande Beheer gehangen, waaronder Rolande LNG B.V. Uit de oprichtingsakte van Rolande Materieel blijkt dat de geplaatste aandelen zijn volgestort middels de inbreng van een onderneming. Door deze onderneming geheel onverplicht en zonder dat daarvoor een tegenprestatie is voldaan in te brengen in Rolande Beheer B.V. en vervolgens in Rolande Materieel, heeft de onderneming het vermogen van [gedaagde 2] verlaten zonder dat een (adequate) tegenprestatie is voldaan. Nu [gedaagde 2] geen verhaal lijkt te bieden voor de vordering van Renders, wordt Renders door deze rechtshandeling benadeeld. Renders vernietigt deze rechtshandeling(en) dan ook.

3.28 [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten hetgeen Renders ter onderbouwing van haar vordering nog naar voren heeft gebracht. Zij verwijzen daarbij onder meer naar de door hen in het geding gebrachte oprichtingsaktes (producties 10, 11 en 12), waaruit volgens hen blijkt dat de volstorting heeft plaatsgevonden door inbreng van een vordering van Rolande Beheer danwel inbreng in geld. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten voorts dat er sprake is van benadeling, gelet op het moment waarop de vermeende inbreng van de onderneming in Rolande Beheer heeft plaatsgevonden.

3.29 Ingevolge art. 3:45 BW is een rechtshandeling vernietigbaar, wanneer de schuldenaar bij het verrichten van een onverplichte rechtshandeling wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden het gevolg zou zijn.

3.30 Het verwijt dat Renders [gedaagde 2] en [gedaagde 1] in het kader van het beroep op de pauliana maakt, komt er in de kern op neer dat de onderneming van [gedaagde 2] uit zijn vermogen is gehaald en in het vermogen van zijn echtgenote is ondergebracht, zonder dat daar een (redelijke) vergoeding tegenover staat. Aangezien [gedaagde 2] en [gedaagde 1] onder huwelijkse voorwaarden met elkaar zijn getrouwd, is Renders daardoor in haar verhaalsmogelijkheden benadeeld. Het aan deze overheveling ten grondslag liggende samenstel van rechtshandelingen wordt met een beroep op de pauliana vernietigd.

3.31 In het onderhavige geval is [gedaagde 2] de schuldenaar als bedoeld in art. 3:45 BW. De rechtshandelingen, die Renders met een beroep op deze bepaling wil vernietigen, moeten dan ook rechtshandelingen zijn die door [gedaagde 2] zijn verricht. Renders heeft niet aangegeven uit welke concrete rechtshandelingen het samenstel van rechtshandelingen bestaat dat Renders met een beroep op de pauliana wil vernietigen. Zij heeft bij pleidooi slechts aangevoerd dat uit de door haar bij conclusie van repliek overgelegde producties blijkt dat [gedaagde 2] het bedrijf van zijn vader heeft overgenomen, dat hij dit bedrijf vervolgens – direct of indirect – heeft ingebracht in de lege vennootschap van zijn vrouw en dat dit het samenstel van – voor Renders nog deels aan het zicht onttrokken – rechtshandelingen is dat Renders met een beroep op de pauliana heeft vernietigd, althans wenst te vernietigen. De rechtbank acht deze onderbouwing onvoldoende, te meer omdat daardoor ook niet kan worden vastgesteld wie degene is met wie [gedaagde 2] de paulianeuze rechtshandeling zou hebben verricht. Voor een beroep op art. 3:45 BW is bovendien vereist dat er ook sprake is van wetenschap van benadeling, zowel bij [gedaagde 2] als bij degene met wie hij de rechtshandeling heeft verricht. Wetenschap van benadeling moet aanwezig zijn op het moment waarop de rechtshandeling wordt verricht. Volgens Renders is de onderneming van [gedaagde 2] in 2001 ondergebracht in een aan [gedaagde 1] toebehorende vennootschap. Renders heeft niet gesteld, noch is anderszins gebleken, dat [gedaagde 2] en degene met wie hij de rechtshandeling heeft verricht op dat moment wisten dan wel behoorden te weten dat dit tot benadeling van schuldeiser zou leiden. Renders heeft dan ook onvoldoende gesteld dat aan de vereisten van art. 3:45 BW is voldaan. De vordering wordt om die reden afgewezen.

Conservatoire beslagen

3.32 Renders legt aan haar vordering onder III. de stelling ten grondslag dat de administratiekantoren op grond van art. 474c lid 7 jo 444b Rv gehouden zijn het bedrag te voldoen waarvoor het beslag is gelegd, aangezien zij na de beslagleggingen op 8 en 26 november 2010 niet hebben voldaan aan hun verplichting ex art. 717 jo 715 jo 474c lid 4 Rv om medewerking te verlenen aan het terstond (laten) plaatsen van aantekening daarvan in het certificaathouderregister. Daarnaast zijn ook [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gehouden dit bedrag te voldoen, en wel op grond van onrechtmatige daad. Renders voert daartoe aan dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als bestuurders van de administratiekantoren alles in het werk hebben gesteld om te beletten dat deze aantekeningen in de certificaathouderregisters werden geplaatst en om dat doel te bereiken hun positie als bestuurder van de administratiekantoren hebben gebruikt om een privédoel te dienen. In verband hiermee vordert Renders onder IV. een verklaring voor recht en schadevergoeding op te maken bij staat.[gedaagden] voeren als verweer aan dat [gedaagde 1] meteen na de beslaglegging op 8 november 2010 in kort geding opheffing heeft gevraagd. Deze vordering is toegewezen en de vordering in reconventie om mee te werken aan het laten aantekenen van de beslagen in de certificaathouderregisters is afgewezen. Ook na de beslaglegging op 26 november 2010 heeft [gedaagde 1] in kort geding opheffing van de beslagen gevraagd. Nadat bij vonnis van 29 december 2010 deze vordering was afgewezen en [gedaagde 1] in reconventie was veroordeeld om mee te werken aan het laten aantekenen van de beslagen in de certificaathouderregisters, zijn de beslagen op 3 januari 2011 aangetekend in de certificaathouders registers. [gedaagden] zijn dan ook van mening dat de administratiekantoren weldegelijk hebben voldaan aan art. 474c lid 4 Rv, zodat er geen grond is voor de sanctie van art. 444b Rv, en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ten onrechte wordt verweten onrechtmatig te hebben gehandeld. Voorts betwisten zij dat Renders schade heeft geleden, aangezien er in de periode tussen de beslaglegging en de aantekening daarvan in de registers geen wijziging heeft plaatsgevonden met betrekking tot de certificaten.

3.34 Dit verweer slaagt. De enkele stelling van Renders bij conclusie van repliek, dat de verplichting om de beslagen te laten aantekenen in de certificaathouderregisters rechtstreeks uit de wet voortvloeit en niet pas ontstaat na daartoe door een rechter te zijn veroordeeld, maakt dit niet anders. Een beslagene heeft immers het recht de beslaglegging, en daarmee ook de daaruit voortvloeiende wettelijke verplichtingen, door een rechter te laten toetsen door in kort geding van het beslag opheffing te vragen. Wanneer een beslag wordt opgeheven, zoals in het onderhavige geval in eerste instantie ook is gebeurd, vervalt daarmee ook de verplichting ex art. 474c lid 4 en 5 Rv. Nu de beslagen terstond na het vonnis in kort geding, waarbij de vordering tot opheffing van de beslagen is afgewezen, zijn aangetekend in de daarvoor bedoelde registers, zijn de administratiekantoren niet gehouden het bedrag te voldoen waarvoor beslag is gelegd. Evenmin zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daartoe gehouden. Renders heeft onvoldoende gesteld op grond waarvan de rechtbank tot het oordeel zou kunnen komen dat zij onrechtmatig hebben gehandeld. De vordering wordt dan ook afgewezen.

Vordering ex art. 843a Rv

3.35 Renders legt aan deze vordering de stelling ten grondslag dat zij belang heeft bij afgifte van (kopieën) van bepaalde in de dagvaarding genoemde bescheiden die [gedaagden] ter beschikking of onder hun berusting hebben. Door middel van deze stukken kan worden bewezen dat [gedaagde 1] onrechtmatig jegens Renders heeft gehandeld, althans dat er vermogensverschuivingen vanuit het vermogen van [gedaagde 2] in de richting van [gedaagde 1] hebben plaatsgevonden.

3.36 [gedaagden] hebben tegen deze vordering bij conclusie van antwoord in het incident verweer gevoerd. De rechtbank heeft bij incidenteel vonnis van 20 juli 2011 de vordering van Renders heeft toegewezen. [gedaagden] stellen bij conclusie van antwoord aan deze veroordeling te hebben voldaan. Renders heeft bij conclusie van repliek tevens houdende akte wijziging eis deze vordering opnieuw in het petitum opgenomen. Renders heeft niet toegelicht waarom zij nog belang heeft bij een vordering waarop de rechtbank al heeft beslist. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat deze vordering op een vergissing berust.

Conclusie

3.37 Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat de vorderingen worden afgewezen. Renders zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure als na te melden, de kosten van het incident daaronder begrepen.

4. De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen af,

veroordeelt eiseres in de proceskosten, aan de zijde van gedaagden gevallen en tot op heden begroot op EURO 15.414,00,

veroordeelt eiseres in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op EURO 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en de veroordeelde niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van EURO 68,00 aan salaris advocaat en explootkosten van betekening van de uitspraak,

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Hermans, mr. Scheffers en mr. Kramer en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2013.