Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ4344

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
19-03-2013
Zaaknummer
81168 / HA ZA 11-418
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser vordert geld van gedaagde die dit geld van zijn rekening gehaald zou hebben door het gebruik van zijn, eisers, bankpas. Hij stelt geestelijk in de macht van gedaagde te zijn geweest en dat zij daar misbruik van heeft gemaakt.

Tussen hen gold een relatie van meester (gedaagde) en slaaf (eiser).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Zittingsplaats: Middelburg

zaaknummer / rolnummer: 81168 / HA ZA 11-418

Vonnis van 23 januari 2013

in de zaak van

[eiser],

wonende te Naaldwijk,

eiser,

advocaat mr. M. Verhoeff te Naaldwijk,

tegen

[gedaagde],

wonende te Biervliet,

gedaagde,

advocaat mr. F.J.I. van den Branden te Terneuzen.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 januari 2012

- het proces-verbaal van comparitie van 3 april 2012

- de conclusie van repliek tevens akte eisvermeerdering

- de conclusie van dupliek tevens houdende verweer tegen eisvermeerdering

- akte zijdens eiser houdende reactie op producties bij conclusie van dupliek zijdens gedaagde

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen hebben een relatie gehad tussen 2006/2007 en oktober 2011. [eiser] heeft de relatie beëindigd.

2.2. Partijen zijn niet gehuwd geweest, zijn geen geregistreerd partnerschap aangegaan en hebben nooit op hetzelfde adres in de basisadministratie van de gemeente ingeschreven gestaan. [eiser] heeft steeds in Naaldwijk gewoond, hij heeft daar ook een eigen bedrijf. [gedaagde] heeft aanvankelijk in Hoogvliet gewoond, later in Biervliet. Toen [gedaagde] in Hoogvliet woonde, was [eiser] nagenoeg alle avonden en weekeinden bij [gedaagde].

2.3. [gedaagde] is sinds 30 december 2010 eigenaar van een onroerende zaak met toebehoren aan het adres [adres] te Biervliet, gemeente Terneuzen (hierna: de woning). De koopprijs van de woning bedroeg € 195.000,--, kosten koper. Terzake verbouwingskosten is een bedrag van € 73.500,-- gereserveerd.

2.4. Partijen zijn met de Coöperatieve Rabobank Westland U.A. (hierna: de Rabobank) een geldleningovereenkomst met leningnummer [leningnummer] ten bedrage van €281.000,-- aangegaan (hierna: de geldleningovereenkomst). [gedaagde] heeft als zekerheid ten behoeve van de Rabobank een recht van hypotheek verleend op de woning. [eiser] heeft inmiddels op deze geldleningovereenkomst een bedrag van in totaal € 3.480,50 afgelost.

2.5. [gedaagde] heeft beschikt over de bankpas van [eiser] ten aanzien van zijn bankrekening met nummer [bankrekeningnummer] (hierna: de bankpas). Op 13 oktober 2011 is de bankpas door [eiser] geblokkeerd.

2.6. In een brief van 17 februari 2012 gericht aan de heer [A.], huisarts, heeft mevr. Drs. [B.], psycholoog, het volgende vermeld, naar aanleiding van een gesprek met [eiser] op 1 februari 2012:

(…)

“Conclusie en advies:

Cliënt rapporteert de volgende klachten: moeite met nee zeggen, laag zelfbeeld, moeite om voor zichzelf op te komen, moeite met de omgang met onbekende mensen. Deze klachten spelen al sinds jongs af aan. De klachten zijn versterkt en aan het licht gekomen doordat cliënt financieel is misbruikt door een vrouw. Deze vrouw heeft een huis op haar naam laten zetten en de hypotheek staat op naam van de cliënt. Hierover is een rechtszaak gaande, wat voor veel stress zorgt.

Diagnose volgens DSM-IV

As I : 300.23 Sociale angststoornis

(…)”.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat – na wijziging en vermeerdering van eis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

(i) te verklaren voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld, althans zichzelf ongerechtvaardigd heeft verrijkt, door hem geestelijk in haar macht te brengen, een afhankelijkheidsrelatie te creëren en te behouden, alsmede door hem zodoende zijn bankpas te laten afleveren, voorts met die bankpas in totaal € 162.307,06 aan betalingen te verrichten c.q. pinopnames te doen, althans te laten doen, vanaf zijn bankrekening met nummer [bankrekeningnummer] ten behoeve van [gedaagde];

(ii) te verklaren voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld, althans zichzelf ongerechtvaardigd heeft verrijkt, door hem geestelijk in haar macht te brengen, een afhankelijkheidsrelatie te creëren en te behouden, alsmede door hem zodoende de hoofdelijke geldlening met leningnummer [leningnummer] bij de Coöperatieve Rabobank Westland U.A. aan te laten gaan;

(iii) te verklaren voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is jegens [eiser] voor alle schade die hij als gevolg van dit onrechtmatig handelen heeft geleden en nog zal lijden, waaronder doch niet beperkt tot de kosten van psychologische hulp;

(iv) [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] een bedrag van € 162.307,06, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dagen waarop de pintransacties hebben plaatsgevonden in de periode van januari 2010 tot en met oktober 2011, althans te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 oktober 2011, althans vanaf de dag van dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede te vermeerderen met een bedrag aan buitengerechtelijke verhaalskosten ad € 2.842, conform het rapport Voor-Werk II, voorts te vermeerderen met € 686,99 aan beslagkosten, beide te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis;

Subsidiair:

(i) De schenkings- althans betalingshandelingen van [eiser] ten behoeve van [gedaagde] verricht vanaf bankrekening met nummer [leningnummer], alsmede de hypotheekaflossingen ten behoeve van de aankoop van de onroerende zaak aan de [adres] te Biervliet van [gedaagde] in de periode januari 2010 tot en met oktober 2011 ad €162.307,06 op grond van misbruik van omstandigheden te vernietigen;

(ii) [gedaagde] te veroordelen aan [eiser] te betalen € 162.307,06, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dagen waarop de (pin)transacties, overboekingen en/of betalingen hebben plaatsgevonden, althans vanaf 18 oktober 2011, althans vanaf de dag van dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede te vermeerderen met een bedrag aan buitengerechtelijke verhaalskosten ad € 2.842,-- conform het rapport Voor-Werk II, voorts te vermeerderen met € 686,99 aan beslagkosten, beiden te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis;

Primair en subsidiair:

(i) [gedaagde] te veroordelen om zich binnen twee weken na datum vonnis actief in te spannen en mee te werken aan ontheffing van [eiser] uit de door hem aangegane verplichtingen uit hoofde van de geldleningovereenkomst(en) met de Rabo hypotheekbank N.V., Coöperatieve Rabobank Westland U.A. en Coöperatieve Rabobank Terneuzen-Sas van Gent met betrekking tot de leningen/bankrekeningen met nummers

- [leningnummer]

-[leningnummer 2]

- [leningnummer 3];

(ii) met de bepaling dat [gedaagde] de voornoemde bedragen dient te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis in deze zaak, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf bedoelde termijn tot en met de datum van daadwerkelijke voldoening, alsmede met veroordeling van gedaagde in de nakosten met een bedrag van € 131,-- dan wel, indien betekening plaatsvindt, € 199,--;

en, na nadere eisvermeerdering, veroordeling van [gedaagde] om:

(i) binnen veertien dagen na het in dezen te wijzen vonnis een NVM-Makelaar een verkoopopdracht te geven conform tevens op te dragen taxatie ten aanzien van de onroerende zaak staande en gelegen aan het adres [adres] te ([postcode]) Biervliet, gemeente Terneuzen, kadastraal bekend gemeente Terneuzen, [sectienummer], groot 28a 40 ca, bij gebreke waarvan het voorblad en dictum van het in dezen te wijzen vonnis op grond van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats zullen treden voor zodanige verkoopopdracht en taxatieopdracht aan een NVM-makelaar;

(ii) na de gegeven verkoopopdracht [eiser] binnen een maand na het in deze te wijzen vonnis een taxatierapport van een NVM-makelaar te overhandigen waarin een geadviseerde verkoopprijs is opgenomen, op straffe van een dwangsom van € 5.000,-- ineens, te vermeerderen met € 100,-- per week dat overhandiging uitblijft;

(iii) de onder (i) bedoelde makelaar bij de te geven verkoopopdracht te volmachtigen tot informatieverstrekking aan [eiser] over iedere geïnteresseerde potentiële koper en over iedere bezichtiging en bieding, en verstrekking op eerste afroep van het taxatierapport bedoeld onder (i) en (ii), bij gebreke waarvan het voorblad en dictum van het in dezen te wijzen vonnis ex artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats zullen treden voor een zodanige volmacht;

(iv) ieder redelijk bod conform geadviseerde verkoopprijs zoals bepaald in het taxatierapport van de onder (i) vermelde makelaar althans de conform de onder (i) gevorderde aangewezen makelaar, te accepteren, bij gebreke waarvan het voorblad en dictum van het in dezen te wijzen vonnis in de plaats zullen treden voor die acceptatie;

(v) mee te werken aan ondertekening van de verkoopakte en de levering bij de notaris van de onder (i) vermelde woning, bij gebreke van welke medewerking het voorblad en dictum van het in dezen te wijzen vonnis conform artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats zullen treden van zodanige ondertekening en levering door [gedaagde].

3.2. [eiser] stelt primair dat [gedaagde] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld. [gedaagde] heeft [eiser] gedurende een periode van 2007 tot en met 2011 geestelijk in haar macht genomen. In het begin was sprake van massages, vervolgens van sadomasochistische seksuele momenten maar deze zijn meer en meer in het teken gaan staan van andere dan seksuele ervaringen. Op het laatst diende [eiser] volledig als slaaf van [gedaagde] en werd hij stelselmatig door haar misbruikt, onderdrukt en uitgebuit. [eiser] is gedurende vier jaar geestelijk en psychisch afgebroken, vernederd en geestelijk mishandeld en misbruikt. Dit duurde tot eind 2011. Toen heeft zijn vriend [C.] hem gewaarschuwd en hem geholpen om een nieuw bestaan op te bouwen, buiten de macht van [gedaagde]. [C.] heeft van [D.], een andere vriend van [eiser], gehoord hoe het er in de relatie aan toe ging. Op het moment van overdracht van de bankpas, eind december 2009, was de meester-slaaf-verhouding al volledig ingetreden. Hij was niet in staat om zijn wil daartoe op een juiste wijze te vormen. Er was sprake van een abnormale geestestoestand, extreme onderdanigheid en afhankelijkheid waarvan [gedaagde] grof misbruik heeft gemaakt en zodoende onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door van hem, op het moment dat hij in de positie van slaaf verkeerde, te verlangen dat hij zijn bankpas afstond en door dit voort te laten duren. Uit hoofde van haar professie van SM-meesteres en de daaruit voortvloeiende professionele zorgplicht wist, althans behoorde [gedaagde] te onderzoeken en te weten of, en dat, [eiser] onderdanig was, een laag zelfbeeld had en moeite heeft met nee zeggen. De psycholoog van [eiser] heeft vastgesteld dat [eiser] al sinds zijn jeugd last heeft van bovenvermelde stoornissen en dat bovenvermelde gebeurtenissen tegen zijn wil hebben plaatsgevonden. In aansluiting hierop stelt [eiser] dat [gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan ongerechtvaardigde verrijking door te handelen als hiervoor omschreven. [gedaagde] heeft zich verrijkt ten koste van [eiser] zonder dat daarvan voor [eiser] een voordeel tegenover stond. Subsidiair beroept [eiser] zich op grond van misbruik van omstandigheden op de vernietigbaarheid van de alsdan naar het oordeel van de rechtbank verrichte schenkings- of andersoortige rechtshandelingen ten behoeve van [gedaagde]. Derhalve vordert zij subsidiair vernietiging van de betalingen/overboekingen ten behoeve van [gedaagde] zoals vermeld in de dagvaarding vanaf bankrekening met nummer [bankrekeningnummer] met veroordeling van [gedaagde] tot terugbetaling. Daarnaast vordert [eiser], primair op grond van onrechtmatige daad dan wel ongerechtvaardigde verrijking en subsidiair misbruik van omstandigheden, te verklaren voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door [eiser] de geldleningovereenkomst te laten aangaan tegen behoeve van [gedaagde], met vergoeding van schade. Voorts vordert hij meewerking van [gedaagde] aan een bij de bank te bewerkstelligen ontheffing uit de geldleningovereenkomst. Zowel uit hoofde van de professionele zorgplicht van [gedaagde] als uit hoofde van het leerstuk van misbruik van omstandigheden dient sprake te zijn van een verzwaarde stelplicht en de bewijslast bij [gedaagde]. De schade wordt door [eiser] vooralsnog bepaald op € 162.307,06. Dit betreft een bedrag van € 88.089,78 aan opnames bij geldautomaten en aankopen met betaling via de pinautomaat met de bankpas door [gedaagde], een bedrag van € 70.736,31 aan onttrekkingen van de bankrekening door [gedaagde], en een bedrag van € 3.480,50 ter zake aflossingen van de geldleningovereenkomst. Tevens vordert hij alle gemaakte en nog te maken kosten in verband met zijn psychologische behandeling, nader op te maken bij staat, vergoeding van beslagkosten en rente. Voorts dreigt [eiser] verdere schade te lijden in het geval hij uit hoofde van de geldleningovereenkomst van [gedaagde] en hem mocht worden aangesproken tot betaling door de Rabobank. Hij vordert dan ook aanvullend een verklaring voor recht dat [gedaagde] alle schade dient te vergoeden die [eiser] zal lijden in verband met een eventuele aanspraak jegens hem van de Rabobank uit hoofde van aanspraken op grond van de geldlening(en) die hij is aangegaan, mede doch niet beperkt tot de geldleningovereenkomst. Aanvullend heeft [eiser] gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de woning te koop te zetten, te verkopen en mee te werken aan transport bij de notaris. Vast staat dat de geldleningovereenkomst voor een aanzienlijk deel op de geschatte jaarinkomsten van [eiser] was gebaseerd. Feitelijk woont [gedaagde] dan ook thans boven haar stand, waardoor zij mogelijk in betalingsmoeilijkheden zal geraken. Dit zou het onaanvaardbare gevolg kunnen hebben dat [eiser] direct wordt aangesproken uit hoofde van de hoofdelijke verbondenheid tot nakoming. Een eventuele restschuld na onderhandse verkoop voor beide partijen acht hij beter te overzien dan een schuld als gevolg van de executoriale verkoop van de woning.

3.3. [gedaagde] betwist uitdrukkelijk dat zij zich in de relatie dominant heeft opgesteld. Partijen hadden een gelijkwaardige, liefdevolle en stabiele relatie. Van (financiële) schade aan de zijde van [eiser] door invloed van [gedaagde] is geen enkele sprake. Van het ene op het andere moment heeft [eiser] niets meer van zich laten horen. De beslaglegging op de inboedel, woning en teruggaven van de Belastingdienst in oktober 2011 kwam voor [gedaagde] als een donderslag bij heldere hemel. Tekst en uitleg heeft zij nooit van [eiser] gekregen. Partijen zijn tijdens de relatie samen op zoek gegaan naar een koopwoning. Partijen besloten samen de woning aan te kopen. Partijen kozen voor eigendomsoverdracht aan [gedaagde], aangezien [eiser] zijn woning in Naaldwijk nog in eigendom had. Partijen verwachtten (fiscale) problemen indien [eiser] twee woningen in eigendom zou hebben. Van meet af aan was duidelijk dat [gedaagde] de woning met haar inkomen niet kon financieren. Zij kampte intussen met een steeds slechter wordende gezondheid en zij had daardoor als zelfstandig onderneemster steeds verder teruglopende inkomsten. Het was daarom vanzelfsprekend dat de financiering van de woning werd gebaseerd op het gezamenlijk inkomen van partijen. Partijen hadden bij aankoop van de woning het voornemen uiteindelijk de woning samen te gaan bewonen en de lasten van de woning gezamenlijk te gaan betalen. Partijen hebben nooit een gezamenlijke bankrekening gehad. [gedaagde] betwist uitdrukkelijk dat zij eind december 2009/begin januari 2010 van [eiser] zijn bankpas heeft ontvangen en dat zij daardoor de vrije beschikking kreeg over de gelden op de betaalrekening van [eiser]. [gedaagde] heeft nooit opnamen van de bankrekening van [eiser] heeft gedaan zonder medeweten en toestemming van [eiser]. De bankpas is ook nooit uitsluitend in gebruik geweest bij [gedaagde]. Na levering van woning in december 2010 liet [eiser] de bankpas doordeweeks doorgaans achter bij [gedaagde]. [gedaagde] was net geopereerd, had geen arbeidsongeschiktheidsverzekering en had dus weinig tot geen inkomsten. [eiser] stelde zijn bankpas ter beschikking zodat [gedaagde] boodschappen kon doen en eventuele kosten van de verbouwing van de woning kon betalen. [eiser] was binnen de relatie van partijen altijd erg vrijgevig. Zij betwist gemotiveerd dat door haar bedragen van in totaal

€ 88.089,78 en € 70.736,31 ten gunste van haarzelf aan de bankrekening van [eiser] zijn onttrokken. Zij betwist dat zij ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [eiser]. Dat zij momenteel het genot en gebruik van de woning heeft, is geen eigen keuze. [eiser] heeft er zelf voor gekozen de relatie met [gedaagde] te verbreken. Zij betwist dat er sprake is van een schadevergoedingsplicht. Nu [eiser] ervoor heeft gekozen de relatie met [gedaagde] te beëindigen, kan [gedaagde] niet verplicht worden om hetgeen door [eiser] aan haar geschonken is terug te geven c.q. te betalen. Dat [eiser] tijdens de relatie van partijen mogelijk meer heeft bijgedragen aan de kosten van boodschappen, de woonlasten en de verbouwingskosten, wil niet zeggen dat [eiser] nu tot terugvordering kan overgaan. De betaling van alle kosten is steeds in onderling overleg en met wederzijds goedvinden gebeurd. Deze (impliciete) afspraak vormt een redelijke grond voor eventuele verrijkingen waarop een vordering van [eiser] op grond van ongerechtvaardigde verrijking moet afstuiten. Betaling door [eiser] van kosten en goederen ten behoeve van [gedaagde] zijn door hem voldaan uit hoofde van een natuurlijke verbintenis, op grond waarvan op [eiser] een dringende morele verplichting rustte tot verzorging van [gedaagde]. De huidige situatie van [gedaagde] is schrijnend. De maandelijkse hypotheeklasten kunnen door [gedaagde] te nauwer nood worden betaald. Het te koop aanbieden van de woning biedt echter geen soelaas, aangezien met de verkoopopbrengst van de woning de geldlening hoogstwaarschijnlijk niet volledig kan worden ingelost. Zij betwist dat zij tijdens de relatie met [eiser] misbruik heeft gemaakt van de situatie. Er is tijdens de relatie nooit sprake geweest van bijzondere omstandigheden waardoor [eiser] ten opzichte van [gedaagde] een zwakke positie innam. Deze omstandigheden zijn door [eiser] ook niet aangetoond. De overgelegde verklaring van de psycholoog is niet meer dan een verkorte weergave van de door de man zelf verwoorde klachten. Dat [gedaagde] werkte als professioneel SM-meesteres wordt betwist. De relatie van partijen heeft op geen enkel moment een sadomasochistisch karakter gekend. Voor omkering van de bewijslast bestaat onvoldoende reden. Dit brengt [gedaagde] in een uiterst onredelijke bewijspositie en is in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Zij betwist de gevorderde kosten psychologische bijstand. Enig causaal verband tussen het handelen van [gedaagde] en de betreffende kosten ontbreekt. De vordering tot meewerking van [gedaagde] aan het ontslag van [eiser] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid dient te worden afgewezen. [eiser] heeft ingestemd met hoofdelijke verbondenheid. Hieraan is inherent dat [eiser] aansprakelijk is indien de lasten niet worden voldaan. Het is ook niet aan [gedaagde] om [eiser] ontslag te verlenen. Bovendien is het onmogelijk nu het inkomen van [gedaagde] lager is dan € 60.000,--. De woning verkopen is ook geen reële optie. Uitgesloten is dat bij verkoop de geldlening volledig kan worden afgelost. Het is [gedaagde] ook niet duidelijk op welke grondslag deze vordering is gebaseerd.

4. De beoordeling

4.1. Ten aanzien van de primaire stelling van [eiser] dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door hem geestelijk in haar macht te brengen, een afhankelijkheids-relatie te creëren en te behouden alsmede door hem zodoende zijn bankpas te laten afleveren om met die bankpas betalingen en pinopnames te doen, overweegt de rechtbank het volgende. [eiser] heeft als concrete onderbouwing van het handelen van [gedaagde] het volgende aangevoerd: hij mocht zijn post niet meer openen buiten aanwezigheid van [gedaagde], hij moest foto’s sturen aan [gedaagde] van elke door hem te nuttigen maaltijd, hij moest zich op vaste tijden na contact met familie melden en hij mocht op het laatst geen verjaardagen van vrienden meer bijwonen. Verder werd van [eiser] verlangd dat hij na zijn werk direct naar [gedaagde] ging om allerhande klusjes op te knappen. Zo uit deze feiten en omstandigheden, indien bewezen, al kan worden afgeleid dat [gedaagde] [eiser] geestelijk in haar macht had, kan hieruit echter niet worden afgeleid wat [gedaagde] dan heeft gedaan om [eiser] in haar macht te brengen. Weliswaar heeft [eiser] gesteld dat [gedaagde] grof misbruik heeft gemaakt van de abnormale geestestoestand van [eiser], zijn extreme onderdanigheid en afhankelijkheid, maar ook deze stelling heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd. [gedaagde] heeft gemotiveerd weersproken dat er bij [eiser] gedurende de relatie tussen partijen sprake was van een dergelijke abnormale geestestoestand. In het midden kan echter blijven of hiervan bij [eiser] sprake was. Grof misbruik maken van een dergelijke abnormale geestestoestand, veronderstelt kennis over deze geestestoestand. [eiser] heeft hieromtrent alleen aangevoerd dat [gedaagde] uit hoofde van haar professie van SM-meesteres en de daaruit voortvloeiende professionele zorgplicht wist, althans behoorde te onderzoeken en te weten of, en dat, [eiser] onderdanig was, een laag zelfbeeld had en moeite heeft met nee zeggen. Zo [gedaagde] echter al als professioneel SM-meesteres in relatie tot [eiser] heeft gestaan – hetgeen [gedaagde] gemotiveerd heeft betwist –, dan nog kan niet zonder meer gezegd worden dat [gedaagde] enkel uit hoofde van haar professie wist of moest begrijpen dat er zijdens [eiser] sprake was van die abnormale geestestoestand. Gelet op het feit dat de relatie tussen partijen meerdere jaren heeft geduurd en zij elkaar in ieder geval in Hoogvliet nagenoeg dagelijks zagen, komt het de rechtbank overigens ook niet aannemelijk voor dat er tussen [gedaagde] en [eiser] (alleen) een professionele SM-relatie heeft bestaan. Uit de door [eiser] overgelegde verklaring van psycholoog [B.] kan ook niet worden afgeleid dat de abnormale geestestoestand van [eiser] dan voor [gedaagde] kenbaar moet zijn geweest. Uit deze verklaring kan niet meer worden afgeleid dan dat [eiser] zelf, bijna een jaar na het verbreken van de relatie met [gedaagde], in één gesprek heeft aangegeven dat hij al van jongs af aan klachten heeft. Kennelijk is vervolgens de diagnose sociale angststoornis gesteld. Gesteld noch gebleken is dat eerder een dergelijke diagnose is gesteld en dat [eiser] hiervoor ook onder behandeling is geweest, laat staan dat [gedaagde] hiervan dan op de hoogte was of had kunnen zijn.

4.2. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, had [gedaagde] de abnormale geestestoestand dan eventueel alleen kunnen afleiden uit het gedrag van [eiser]. [eiser] heeft gesteld dat [gedaagde] van hem verlangde dat hij, op het moment dat hij in de positie van slaaf verkeerde, zijn bankpas afstond en dat zij deze situatie ook heeft laten voortduren. [gedaagde] had volgens [eiser] kennelijk, zo begrijpt de rechtbank, uit de afgifte van de bankpas door [eiser], moeten afleiden dat van bovenbedoelde geestestoestand sprake was. [eiser] heeft echter zelf ter comparitie verklaard dat [gedaagde] hem niet direct om de bankpas heeft gevraagd maar dat hij de bankpas zelf heeft afgegeven. Ook staat tussen partijen vast dat [eiser] de bankpas ook regelmatig zelf in zijn bezit had. Bovendien heeft [gedaagde] zelf steeds gemotiveerd gesteld dat er tussen partijen sprake was van een gelijkwaardige, affectieve relatie. Zij heeft hiertoe ook verklaringen van haar buurvrouw [E.] en een vriend, [F.], overgelegd. In deze verklaringen wordt de stelling van [gedaagde] bevestigd. [eiser] heeft daartegenover, behalve zijn eigen weergave van de feiten en de verklaring van de psycholoog, alleen overgelegd de verklaring van [D.]. Deze verklaring van [D.] is echter alleen een weergave van hetgeen [eiser] op 5 oktober 2011, derhalve nadat de relatie met [gedaagde] reeds een aantal jaren had geduurd, zelf aan [D.] heeft verteld. Over de periode ervoor heeft [eiser] aan [D.] kennelijk alleen maar verteld dat hij een goede vriendin kende die wat problemen had en die hij zo nu en dan hielp en dat er sprake zou zijn van een gekocht huis samen met zijn vriendin. [D.] heeft dus niets verklaard uit eigen wetenschap waaruit de geestestoestand van [eiser] tijdens de relatie van partijen kan worden afgeleid, noch in hoeverre deze geestestoestand dan voor [gedaagde] bekend zou moeten zijn. Nu onvoldoende gesteld is om aannemelijk te maken dat [gedaagde] grof misbruik heeft gemaakt van de abnormale geestestoestand van [eiser], wordt het bewijsaanbod gepasseerd. Daarmee is niet komen vast te staan dat [gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatig handelen ten opzichte van [eiser].

4.3. [eiser] beroept zich primair voorts op ongerechtvaardigde verrijking door [gedaagde]. [eiser] stelt dat [gedaagde] het genot en gebruik van de woning heeft, alsmede profijt van de aan zijn bankrekening onttrokken bedragen. Hiertegenover zou geen voordeel staan voor [eiser]. Een verrijking is ongerechtvaardigd indien daarvoor geen enkele grond bestaat. Op grond van het hierboven overwogene, gaat de rechtbank er van uit dat bij partijen een affectieve relatie hebben gehad. In het kader van een affectieve relatie is het niet ongebruikelijk dat partners (over en weer) betalingen doen. Uitgangspunt is echter dat bij het einde van de affectieve relatie geen financiële afrekening plaatsvindt tenzij daarover afspraken zijn gemaakt. Van dergelijke afspraken is echter niet gebleken. Terzake investeringen van [eiser] in de woning van [gedaagde] zou mogelijk sprake kunnen zijn van ongerechtvaardigde verrijking indien [eiser] deze investeringen heeft gedaan met het oogmerk van gemeenschappelijk gebruik van de woning. De redelijke grond voor investering in de woning is dan komen te ontvallen. Uit de eigen stellingen van [eiser] volgt echter dat hij niet de intentie had om te verhuizen omdat hij een eigen woning en bedrijf had in de buurt van Naaldwijk. Derhalve kan niet anders worden geoordeeld dan dat er sprake was van vrijgevigheid van [eiser] in het kader van de affectieve relatie met [gedaagde]. Voor wat betreft de door [eiser] betaalde aflossingen van de hypothecaire geldlening geldt daarbij nog dat [eiser] ook zelf profijt heeft van deze aflossingen nu hij medeschuldenaar van deze geldlening is. Derhalve is niet gebleken van ongerechtvaardigde verrijking.

4.4. Subsidiair vordert [eiser] vernietiging van schenkings- althans betalingshandelingen alsmede de hypotheekaflossingen op grond van misbruik van omstandigheden. Misbruik van omstandigheden is aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen dan die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. Volgens [eiser] was er sprake van bijzondere omstandigheden, namelijk extreme afhankelijkheid, lichtzinnigheid, onervarenheid op het intieme en relationele vlak en een abnormale geestestoestand van [eiser]. Nu [eiser] in het kader van de gestelde misbruik van omstandigheden geen andere feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht dan die ten aanzien van de gestelde onrechtmatige daad, wordt ook de vordering in het kader van misbruik van omstandigheden afgewezen. Uit hetgeen hierboven terzake die zelfde feiten en omstandigheden reeds is overwogen, volgt dat die feiten en omstandigheden niet kunnen leiden tot de conclusie dat [gedaagde] wist of moest begrijpen dat van bijzondere omstandigheden zijdens [eiser] sprake was.

4.5. Op [eiser] rust in beginsel de bewijslast van zijn stellingen. Nu de door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden zijn stellingen niet dragen, ziet de rechtbank geen reden om hem in de gelegenheid te stellen bewijs te leveren van zijn stellingen. Er is geen reden voor het leggen van de bewijslast bij [gedaagde], ook niet ten aanzien van de schenkingen nu uit het bovenstaande volgt dat [eiser] niet of onvoldoende feiten heeft gesteld die het oordeel kunnen dragen dat de schenking onder invloed van misbruik van omstandigheden is gedaan. Er is ook geen sprake van een bijzondere zorgplicht van [gedaagde] op grond waarvan de bewijslast bij [gedaagde] zou moeten liggen. Zo [gedaagde] al als SM-meesteres in relatie tot [eiser] heeft gestaan, kan niet zonder meer gezegd worden dat die professie een bijzondere zorgplicht met zich brengt ten opzichte van [eiser] als klant.

4.6. Nu de gestelde onrechtmatige daad, ongerechtvaardigde verrijking en misbruik van omstandigheden niet zijn komen vast te staan, worden de primair onder (i), (ii) en (iii) gevorderde verklaringen voor recht afgewezen alsmede de onder subsidiair (i) gevorderde vernietiging. Tevens worden afgewezen de – met de vorderingen primair onder (i), (ii) en (iii) en subsidiair onder (i) samenhangende – vorderingen tot betaling van een geldsom, rente en kosten zoals geformuleerd primair onder (iv) en subsidiair onder (ii).

4.7. [eiser] vordert primair en subsidiair [gedaagde] te veroordelen om zich actief in te spannen en mee te werken aan ontheffing van [eiser] uit de door hem aangegane verplichtingen uit hoofde van de geldleningovereenkomst(en). Nu [gedaagde] heeft aangegeven dat zij wel wil meewerken aan het op haar naam zetten van de lening, kan deze vordering worden toegewezen. Of de bank hieraan zal meewerken is echter de vraag nu [gedaagde] zelf stelt een beperkte financiële ruimte te hebben. Dit staat echter aan toewijzing van de vordering niet in de weg.

4.8. De vorderingen strekkende tot verplichting van [gedaagde] tot medewerking aan de verkoop van de woning, worden afgewezen. [gedaagde] stelt terecht dat hiervoor geen juridische grondslag is gebleken. De omstandigheid dat [eiser] zich hoofdelijk verbonden heeft gesteld voor de aan de woning van [gedaagde] verbonden hypothecaire geldlening maakt dit niet anders. Op het moment dat [eiser] de hoofdelijke verbondenheid aanging, moet hem duidelijk zijn geweest dat de woning alleen op naam van [gedaagde] stond. Derhalve kan hij zich hierop nu niet meer beroepen. Wel mag van [gedaagde] worden verwacht dat zij zich, zoals onder 4.6. ook is overwogen, actief zal inspannen om ontheffing voor [eiser] uit de door hem aangegane geldleningovereenkomst.

4.9. Nu partijen een relatie hebben gehad, ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

veroordeelt [gedaagde], uitvoerbaar bij voorraad, om zich binnen twee weken na heden actief in te spannen en mee te werken aan ontheffing van [eiser] uit de door hem aangegane verplichtingen uit hoofde van de geldleningovereenkomst(en) met de Rabo hypotheekbank N.V., Coöperatieve Rabobank Westland U.A. en Coöperatieve Rabobank Terneuzen-Sas van Gent met betrekking tot de leningen/bankrekeningen met nummers

- [leningnummer]

-[leningnummer 2]

- [leningnummer 3];

compenseert de proceskosten zo dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. T. van de Poll en in het openbaar uitgesproken op

23 januari 2013.?