Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ3441

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-01-2013
Datum publicatie
06-03-2013
Zaaknummer
C12/78802/ HA ZA 11-258
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over vraag of inbreuk op portefeuille recht is gemaakt. Gedaagden hebben in een vacuüm klanten geholpen en in later stadium hebben deze klanten gedaagden benaderd om het beheer van de verzekerings portefeuille over te nemen. Vordering afgewezen omdat niet van onrechtmatig handelen is gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Zittingsplaats: Middelburg

zaaknummer / rolnummer: 78802 / HA ZA 11-258

Vonnis van 16 januari 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VLASBLOM VISSER ASSURANTIËN B.V.,

gevestigd te Rhoon,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. P.J. de Waal te Rotterdam,

tegen

1. de vennootschap onder firma HET FINANCIËLE HUIS V.O.F.,

wonende te Terneuzen,

2. [gedaagde sub 2 in conventie, eiser sub 2 in reconventie],

wonende te Terneuzen,

3. [gedaagde sub 3 in conventie, eiser sub 3 in reconventie],

wonende te Sluiskil,

4. [gedaagde sub 4 in conventie, eiser sub 4 in reconventie],

wonende te Terneuzen,

5. [gedaagde sub 5 in conventie, eiser sub 5 in reconventie],

wonende te Terneuzen,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. R.M.A. Lensen te Terneuzen.

Partijen zullen hierna Vlasblom Visser en gedaagden, dan wel respectievelijk Het Financiële Huis, [gedaagde sub 2 in conventie, eiser sub 2 in reconventie], [gedaagde sub 3 in conventie, eiser sub 3 in reconventie], [gedaagde sub 4 in conventie, eiser sub 4 in reconventie] en [gedaagde sub 5 in conventie, eiser sub 5 in reconventie] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de akte houdende overlegging producties zijdens Vlasblom Visser

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie

- de conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie

- de conclusie van dupliek in conventie, tevens houdende repliek reconventie

- de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties in conventie

- de antwoordakte producties zijdens gedaagden

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

in conventie en in reconventie

2.1. Vlasblom Visser is een onderneming die zich als intermediair onder meer bezig houdt met het aanbieden van financiële diensten en verzekeringsoplossingen op het gebied van pensioenen, verzekeringen en hypotheken. Zij levert haar diensten aan zowel particulieren als ondernemingen.

2.2. Het Financiële Huis houdt zich eveneens bezig met financiële dienstverlening aan bedrijven en particulieren. [gedaagde sub 2 in conventie, eiser sub 2 in reconventie] en [gedaagde sub 3 in conventie, eiser sub 3 in reconventie] zijn vennoten van het Financiële Huis. [gedaagde sub 4 in conventie, eiser sub 4 in reconventie] is werkzaam voor Het Financiële Huis. Het Financiële Huis is sinds 22 november 2010 actief op de markt.

2.3. [gedaagde sub 2 in conventie, eiser sub 2 in reconventie], [gedaagde sub 3 in conventie, eiser sub 3 in reconventie], [gedaagde sub 4 in conventie, eiser sub 4 in reconventie] en [gedaagde sub 5 in conventie, eiser sub 5 in reconventie] waren voorheen werkzaam voor Carming Groep B.V. (hierna: Carming Groep), voorheen genaamd de Coppejans Groep B.V. Elke arbeidsovereenkomst bevat een geheimhoudingsbeding welke zowel tijdens als na afloop van het dienstverband van toepassing is. Daarnaast bevat de arbeidsovereenkomst van [gedaagde sub 2 in conventie, eiser sub 2 in reconventie] en [gedaagde sub 3 in conventie, eiser sub 3 in reconventie] een relatiebeding en de arbeidsovereenkomst van [gedaagde sub 4 in conventie, eiser sub 4 in reconventie] een concurrentiebeding.

2.4. Als productie 7 bij de akte houdende overlegging producties zijdens Vlasblom Visser is een ongedateerde “overeenkomst inzake overdracht assurantieportefeuille” (hierna: de overeenkomst) overgelegd. Deze overeenkomst is gesloten tussen Vlasblom Visser en Carming Groep. Carming Groep is bij de overeenkomst vertegenwoordigd door Carming Beheer B.V. (voorheen Flushing Beheer BV) en vertegenwoordigd door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar het recht van Luxemburg, Mastodon S.A., welke weer is vertegenwoordigd door [A].

2.5. In de overeenkomst is opgenomen dat Carming Groep aan Vlasblom Visser een assurantieportefeuille (hierna: de assurantieportefeuille) verkoopt. In deze overeenkomst wordt in artikel 1 lid 2 de assurantieportefeuille omschreven als de rechten uit de gehele schadeverzekeringsportefeuille, levensverzekering- en pensioenportefeuille en hypothekenportefeuille, met betrekking tot de doorlopende- en incassoprovisie. In artikel 2 lid 1. tot en met 5. is een formule voor de berekening van de koopprijs vermeld. Verder is in de overeenkomst onder meer opgenomen:

“Artikel 1

1. Zowel de juridische- als de economische datum van levering van de onder lid 2. genoemde assurantieportefeuille is 1 oktober 2010”.

(…)

Artikel 3

Verkoper staat er voorts jegens koper voor in:

(…)

5. dat (ex) werknemers van verkoper geen inbreuk kunnen en zullen maken op de alsdan verkregen portefeuillerechten van koper. Artikel 5 lid 3. e.v. van de onderhavige overeenkomst wordt door partijen tevens nadrukkelijk en onverkort van toepassing geacht op (ex) werknemers.

(…)

Artikel 5

(…)

3. Voorts verbindt verkoper zich, jegens koper en diens rechtsopvolgers, om zich er voor onbepaalde tijd van te onthouden personen en/of instellingen die thans of in de toekomst verzekeringen hebben lopen via koper, dan wel in de ruimste zin des woords relaties met koper onderhouden (in welke hoedanigheid ook), actief en/of passief te benaderen, te bewerken of te doen bewerken inzake het afsluiten, verhogen of wijzigen van verzekeringen en aan verzekeringen gerelateerde producten en of diensten dan wel eraan mee te werken dat verzekeringen en aan verzekeringen gerelateerde producten en of diensten van bedoelde personen en instellingen worden ondergebracht in een ander agentschap dan dat van koper en diens rechtsopvolgers.

(..)

Artikel 6

Deze overeenkomst wordt aangegaan onder de ontbindende voorwaarde dat op de portefeuille betrokken (verzekerings)maatschappijen hun medewerking ex artikel 17 lid 5 oud Wet Assurantiebemiddelingsbedrijf (oud), dan wel ingevolge de inmiddels in werking getreden Wet Financiële Dienstverlening, tussen assurantiepersoon en verzekeraar onderling gemaakte afspraken, aan de onderhavige portefeuilleoverdracht geven”.

2.6. Op 5 oktober 2010 is Carming Groep failliet verklaard. Tot curator is benoemd mr. J.A. de Waard (hierna: de curator). Bij brief van 23 november 2010 heeft de curator naar aanleiding van de overeenkomst aan Vlasblom Visser het volgende bericht:

“Graag verneem ik van u binnen twee dagen na dagtekening van deze brief of u de gesloten overeenkomst wenst na te komen. Ik wijs u er daarbij op dat wel van belang is dat ik de (ex)werknemers, voordat ik kennis nam van de overeenkomst, reeds heb meegedeeld dat ik ontheffing verleen van het concurrentiebeding waarbij ik wel de kanttekening heb gemaakt dat er wel sprake is van een relatiebeding zolang er geen duidelijkheid bestaat over de assurantieportefeuille.”

2.7. De curator heeft op 16 december 2010 per e-mail aangegeven te kunnen instemmen met het in stand houden van de overeenkomst tussen Vlasblom Visser en Carming Groep onder de aanvullende voorwaarde dat Vlasblom Visser een extra betaling ineens van

€ 2.000,-- aan de boedel voldoet.

2.8. Een deel van de verzekerden behorende tot de door Vlasblom Visser overgenomen assurantieportefeuille, is overgestapt naar Het Financiële Huis.

2.9. Op 21 maart 2011 is door de voorzieningenrechter van deze rechtbank verlof verleend aan Vlasblom Visser om conservatoir beslag te leggen onder gedaagden, onder de voorwaarde dat Vlasblom Visser binnen 28 dagen na de eerste beslaglegging de eis in de hoofdzaak instelt. De beslagen zijn op 22 maart 2011 gelegd. Op 19 april 2011 is op verzoek van Vlasblom Visser de onder 2.9 bedoelde termijn door de voorzieningenrechter verlengd met 28 dagen.

3. Het geschil

in conventie

3.1. Vlasblom Visser vordert samengevat -:

- te verklaren voor recht dat gedaagden ieder voor zich en gezamenlijk onrechtmatig jegens Vlasblom Visser hebben gehandeld en uit dien hoofde schadeplichtig zijn;

- hoofdelijk veroordeling van gedaagden om aan Vlasblom Visser te betalen een bedrag van € 11.149,72, vermeerderd met de wettelijke rente;

- hoofdelijke veroordeling van gedaagden om aan Vlasblom Visser te betalen een bedrag nader op te maken bij staat voor de schade die Vlasblom Visser lijdt vanwege (i) de nog mis te lopen provisie, (ii) de schade die Vlasblom Visser misloopt vanwege het feit dat Vlasblom Visser niet meer de mogelijkheid heeft om te bemiddelen bij het sluiten van nieuwe verzekeringen van tot voor kort tot de assurantieportefeuille van Vlasblom Visser behorende klanten en (iii) en het verlies aan marktwaarde van de assurantieportefeuille;

- gedaagden, ieder afzonderlijk en gezamenlijk, primair tot 1 januari 2014, subsidiair voor een in goede justitie te bepalen periode, te verbieden om tot de assurantieportefeuille behorende verzekeringen over te zetten naar Het Financiële Huis althans naar enige andere (rechts)perso(o)n(en) welke direct dan wel indirect op enigerlei wijze gebonden is aan (een van de) gedaagden, zulks onder laste van een dwangsom van € 20.000,--, voor het oversluiten van elke aan Vlasblom Visser toebehorende verzekering die onderdeel uitmaakt van de assurantieportefeuille;

- hoofdelijke veroordeling van gedaagden om aan Vlasblom Visser te voldoen een bedrag aan buitengerechtelijke kosten van € 1.672,45, vermeerderd met de wettelijke rente;

- hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding, waaronder de kosten van beslaglegging, vermeerderd met de wettelijke rente en de nakosten.

3.2. Vlasblom Visser stelt hiertoe dat gedaagden met hun handelen inbreuk maken op een Vlasblom Visser toekomend portefeuillerecht. Op het moment van dagvaarden, 17 mei 2011, hadden reeds 191 verzekerden (202 verzekerden op het moment van indienen van de conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie) hun intermediair Vlasblom Visser ingeruild tegen Het Financiële Huis. Nu Het Financiële Huis pas sinds 22 november 2010 actief is op de markt, hebben uitsluitend de vertrouwelijke kennis en de gegevens die [gedaagde sub 2 in conventie, eiser sub 2 in reconventie], [gedaagde sub 3 in conventie, eiser sub 3 in reconventie], [gedaagde sub 4 in conventie, eiser sub 4 in reconventie] en [gedaagde sub 5 in conventie, eiser sub 5 in reconventie] hebben verkregen bij Coppejans Groep (Carming Groep) hen in staat gesteld om de intermediairwijziging op een dergelijke schaal door te voeren. Het kan niet anders dan dat zij de verzekerden stelselmatig hebben benaderd om hen ertoe te brengen van intermediair te wijzigen. De intermediairwijzigingen hebben van meet af aan een groot volume en de meeste intermediairwijzigingen hebben zich kort na de oprichting van Het Financiële Huis voorgedaan. Vlasblom Visser verwijst voorts naar producties waaruit blijkt dat de verzekerden [B] en [C] benaderd zijn door gedaagden. Daarnaast hebben [gedaagde sub 3 in conventie, eiser sub 3 in reconventie] en [gedaagde sub 2 in conventie, eiser sub 2 in reconventie] zelf ook belangstelling getoond voor het kopen van de assurantieportefeuille voordat Vlasblom Visser deze portefeuille kocht. Hierdoor waren zij zich er steeds ten volle van bewust dat het verwerven van de portefeuille voor de bedrijfsvoering van de te starten onderneming onontbeerlijk is en de assurantieportefeuille een overdraagbaar vermogensrecht vormt dat een financiële waarde vertegenwoordigt, zodat zij zich evenzeer bewust zijn geweest van het feit dat een inbreuk op een dergelijk recht onrechtmatig is. Deze feiten en omstandigheden rechtvaardigen op de voet van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het vermoeden dat [gedaagde sub 2 in conventie, eiser sub 2 in reconventie], [gedaagde sub 3 in conventie, eiser sub 3 in reconventie], [gedaagde sub 4 in conventie, eiser sub 4 in reconventie] en [gedaagde sub 5 in conventie, eiser sub 5 in reconventie] uitsluitend op basis van de vertrouwelijke kennis en informatie op zulke grote schaal intermediairwijzigingen hebben kunnen doorvoeren. Het structureel weglokken van klanten en oversluiten van verzekeringen was zonder kennis vanuit het voormalig dienstverband niet mogelijk en is onrechtmatig op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek. Door het onrechtmatig handelen mist Vlasblom Visser tot op heden € 11.149,72 aan provisie. Door de gemiddelde looptijd van drie jaar van verzekeringen wordt de totaal misgelopen provisie begroot op € 45.000,--. Door verlies aan klanten worden ook de kansen beperkt om met bestaande klanten nieuwe verzekeringen overeen te komen. Deze laatstgenoemde schade dient nader te worden bepaald. Voorts wordt ook de marktwaarde van de assurantieportefeuille beïnvloed. Ook deze schade zal dienen te worden opgemaakt bij staat. Het Financiële Huis, [gedaagde sub 2 in conventie, eiser sub 2 in reconventie], [gedaagde sub 3 in conventie, eiser sub 3 in reconventie], [gedaagde sub 4 in conventie, eiser sub 4 in reconventie] en [gedaagde sub 5 in conventie, eiser sub 5 in reconventie] zijn ieder afzonderlijk aansprakelijk voor het geheel van de schade die Vlasblom Visser ten gevolge van het onrechtmatig handelen van de hiervoor genoemden lijdt.

3.3. Gedaagden voeren verweer. Zij betwisten dat voldaan is aan de vereisten voor aansprakelijkheid uit hoofde van onrechtmatige daad. Er is geen aan Vlasblom Visser toekomend portefeuillerecht. Gedaagden betwisten dat de overeenkomst als bedoeld in 2.5. rechtsgeldig tot stand is gekomen. Gedaagden stellen dat er geen sprake is van structureel weglokken van klanten en oversluiten van verzekeringen, maar van het in eerste instantie belangeloos en zonder beloning vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid en fatsoen handelen van gedaagden. Vanaf de datum van verkoop door Coppejans tot 16 december 2010 hebben vele klanten op eigen initiatief aan gedaagden verzocht om het beheer voor hen (blijvend) te gaan voeren. Daarin is toegestemd, omdat er steeds vanuit is gegaan, en vanuit mocht worden gegaan dat de portefeuille niet was verkocht, en daarmee in de boedel viel. De curator heeft uiteindelijk pas op 16 december 2010 per mail bevestigd dat althans volgens hem de portefeuille vlak voor datum faillissement zou zijn verkocht. De curator gaf echter niet aan aan wie de portefeuille zou zijn verkocht en ook niet om welke klanten dan wel polissen het daarbij zou zijn gegaan. De klanten werden ook niet geïnformeerd door Vlasblom Visser. Omdat gedaagden al vele maanden het feitelijke beheer voerden, en omdat klanten gedaagden hadden verzocht dit te blijven doen, op basis van hun ook door Vlasblom Visser te respecteren vrije keuze, zijn de intermediairwijzigingen vervolgens meteen na 7 februari 2011, de datum waarop Het Financiële Huis haar AFM-vergunning ontving, doorgevoerd. In de periode van 16 december 2010 tot eind februari 2011 hebben gedaagden klanten die hen benaderden, niet onmiddellijk toegezegd het beheer over te zullen nemen omdat zij eerst wilden uitzoeken wie de koper van de portefeuille was. Toen dit eenmaal duidelijk was, hebben zij ook een aantal klanten met beheervragen doorverwezen naar Vlasblom Visser. Enkele doorverwezen klanten meldden zich kort nadien echter weer terug omdat zij ontevreden waren. Vanaf eind februari 2011 duurde de onduidelijkheid voort omdat Vlasblom Visser weigerde vragen te beantwoorden van gedaagden over de overeenkomst, over welke klanten en over welke maatschappijen het daarbij dan zou gaan. De informatieverzoeken van klanten en beheervragen bleven bij gedaagden binnenkomen. Als de klanten zich, al dan niet na doorverwijzing van gedaagden, bij Vlasblom Visser melden, wordt niet gereageerd op dringende kwesties en blijven zaken ongeregeld, waardoor de betreffende klanten zich opnieuw tot gedaagden wenden, met het verzoek het beheer van de verzekeringen van Vlasblom Visser over te nemen. Gedaagden hebben steeds te goeder trouw en op uitdrukkelijk initiatief van de klanten gehandeld, zonder enige bedoeling om wie dan ook te benadelen. Daarbij heeft [gedaagde sub 5 in conventie, eiser sub 5 in reconventie] slechts incidenteel administratief ondersteund. Pas bij brief van 31 mei 2011 meldde Vlasblom Visser zich bij de particuliere klanten. Er is ook op geen enkele wijze gebruik gemaakt van vertrouwelijke kennis en gegevens die van Carming Groep zouden zijn verkregen. Het ging om bestaande relaties, van voor het dienstverband, welke relaties bovendien op eigen initiatief tot het benaderen van gedaagden zijn gekomen. Zij leggen een dertigtal verklaringen over van relaties, waarin deze aangeven zich op eigen initiatief tot [gedaagde sub 4 in conventie, eiser sub 4 in reconventie] te hebben gewend. Bovendien gaat het in totaal om 76 verzekerden, en niet 191, met ieder een aantal polissen. Ook klopt de door Vlasblom Visser overgelegde lijst niet. Gedaagden betwisten de gestelde schade. De schade wordt op geen enkele manier onderbouwd. Voorts betwisten zij het causaal verband. Het is uitsluitend als gevolg van de inactieve houding van Vlasblom Visser met betrekking tot de gestelde overeenkomst, en haar onzorgvuldig optreden als intermediair, dat klanten daadwerkelijk zijn overgegaan naar een andere tussenpersoon, niet alleen naar gedaagden maar ook naar derden. Tenslotte betwisten gedaagden de buitengerechtelijke kosten, de beslagkosten en de wettelijke rente.

in reconventie

3.4. Gedaagden vorderen samengevat - veroordeling van Vlasblom Visser tot vergoeding van de door ieder van hen geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, wegens de door Vlasblom Visser jegens ieder van gedaagden gepleegde onrechtmatige daden, met onmiddellijke opheffing van alle door Vlasblom Visser ten laste van gedaagden in reconventie gelegde beslagen, voor zover niet reeds vervallen door het niet tijdig ingesteld zijn van de eis in de hoofdzaak, vermeerderd met rente en kosten.

3.5. Gedaagden voeren daartoe onder meer aan dat Vlasblom Visser geen vordering heeft zoals in conventie is toegelicht, terwijl niettemin conservatoir verhaalsbeslag is gelegd. Daarnaast is bij het verzoek aan de voorzieningenrechter van de rechtbank te Middelburg gevraagd om een termijnverlenging voor het indienen van de eis in de hoofdzaak in verband met schikkingsonderhandelingen, welke verlenging ook is verkregen. Nu deze verlengingsgrond valselijk is opgegeven, bestond geen toereikend verlof tot conservatoir verhaalsbeslag (meer), zodat de beslagen zijn vervallen bij gebreke van het tijdig instellen van de eis in de hoofdzaak. Subsidiair vorderen gedaagden de beslagen onmiddellijk op te heffen op basis van het vorenstaande. Daarnaast vorderen zij schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad, wegens het door Vlasblom Visser zonder rechtsgronden doen leggen van conservatoire verhaalsbeslagen en het handhaven daarvan. Bovendien heeft de deurwaarder in strijd met het verleende verlof, beslag gelegd op hetgeen uit een ten tijde van de beslaglegging bestaande rechtsverhouding in de toekomst zal worden verkregen. Voorts stellen zij dat er sprake is geweest van een onrechtmatige verkorting van de rechten van [gedaagde sub 2 in conventie, eiser sub 2 in reconventie], [gedaagde sub 3 in conventie, eiser sub 3 in reconventie], [gedaagde sub 4 in conventie, eiser sub 4 in reconventie] en [gedaagde sub 5 in conventie, eiser sub 5 in reconventie] in het faillissement van Carming Groep door het zaken doen met Wagemans, die zich bezig hield met faillissementsfraude, in de vorm van het aangaan van een overeenkomst die naar Vlasblom Visser wist geen enkele positieve bijdrage aan het vermogen van Carming Groep zou leveren, maar wel mogelijk waardevolle provisieaanspraken aan het vermogen zou onttrekken. Ten slotte voeren zij aan dat er sprake is geweest van onrechtmatige dreigingen en handelsbelemmeringen zijdens Vlasblom Visser.

3.6. Vlasblom Visser voert verweer. Los van de vraag of het beslag daadwerkelijk op oneigenlijke gronden is verlengd, geldt dat de rechtmatigheid van de grondslag van het beslag als een onaantastbaar rechtsfeit wordt beschouwd nu gedaagden hebben nagelaten bij de voorzieningenrechter te vorderen het beslag op te heffen. Er is ook geen sprake van schade nu zo goed als zeker is dat de voorzieningenrechter de termijn ook op andere gronden had verlengd. Hetgeen is gesteld omtrent de omvang van het verlof is onjuist en de stelling dat Vlasblom Visser in een driehoek met Coppejans en Wagemans actief en welbewust heeft meegewerkt aan een benadeling van de belangen van de collectieve schuldeisers is volledig uit de lucht gegrepen, incorrect en aanmatigend. De stelling dat Vlasblom Visser zich schuldig heeft gemaakt aan handelsbelemmeringen is onbegrijpelijk nu gedaagden al sinds augustus 2010 klanten op eigen initiatief en eigen naam bedienden, terwijl zij zelfs nog in dienst waren van Carming Groep.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. Vlasblom Visser legt aan haar vordering ten grondslag dat gedaagden onrechtmatig handelen in de zin van artikel 6:162 BW doordat zij inbreuk zouden maken op een aan Vlasblom Visser toekomend portefeuillerecht. Nu gedaagden dit portefeuillerecht betwisten, zal de rechtbank allereerst beoordelen of er sprake is van een portefeuillerecht van Vlasblom Visser.

4.2. Vlasblom Visser baseert het door haar gestelde portefeuillerecht op de onder 2.4. genoemde overeenkomst. Gedaagden betwisten de rechtsgeldigheid van deze overeenkomst op diverse gronden. Deze gronden zullen hierna puntsgewijs worden besproken.

4.3. Gedaagden stellen dat de overeenkomst vals is, en eerst is opgemaakt na het faillissement, nu het stuk geen dagtekening kent en de e-mails overgelegd door Vlasblom Visser over conceptversies uit september 2010 niet zijn voorzien van de bijlagen. Bovendien wordt betwist dat deze e-mails inderdaad in september 2010 verzonden zijn. De rechtbank gaat voorbij aan deze door Vlasblom Visser gemotiveerd weersproken stellingen van gedaagden. Weliswaar is de overeenkomst ongedateerd, maar uit de overgelegde

e-mails gedateerd 24, 27 en 30 september 2010 (productie 19 conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie) kan worden afgeleid dat de overeenkomst vóór 1 oktober 2010 is getekend. Het enkele feit dat de bijlagen niet zijn bijgevoegd is onvoldoende om aan te nemen dat de verzenddatum van deze e-mails is vervalst. Gedaagden hebben hun stelling dat deze e-mails niet in september 2010 zouden zijn verzonden, verder niet onderbouwd. Bovendien sluit de datum van ondertekening vóór 1 oktober 2010 ook aan bij de datum van levering overeenkomstig artikel 1 lid 1 van de overeenkomst, zijnde 1 oktober 2010. Voor zover gedaagden bedoelen te stellen dat er paulianeus is gehandeld, wordt deze stelling verworpen nu niet gebleken is van benadeling van de schuldeisers.

4.4. Gedaagden betwisten voorts dat de overeenkomst is ondertekend door Wagemans. Wagemans rooft vennootschappen leeg na overname aandelen, en verkoopt binnen zijn uit de pers en de strafzaken blijkende modus operandi geen activa, maanden na de aandelenverwerving. Ook aan deze – door Vlasblom Visser betwiste – stelling gaat de rechtbank voorbij. Gedaagden hebben hun stelling dat Wagemans de overeenkomst feitelijk niet heeft getekend, niet onderbouwd. Hetgeen gedaagden gesteld hebben over de persoon Wagemans is hierbij niet rechtens relevant. Zo echter al juist zou zijn wat gedaagden stellen over Wagemans, zou dit overigens eerder wijzen op ondertekening van de overeenkomst door Wagemans.

4.5. Gedaagden stellen dat Mastodon SA (zie 2.5.) niet bestaat en niet vertegenwoordigend kan zijn opgetreden, met als handelende persoon Wagemans. Ook dit wordt door Vlasblom Visser weersproken. Wat er ook zij van de bevoegdheid van Mastodon SA om Carming Groep te vertegenwoordigen, nu er door geen van de partijen bij de overeenkomst een beroep op onbevoegdheid is gedaan, gaat de rechtbank uit van de rechtsgeldigheid van de overeenkomst.

4.6. Voorts stellen gedaagden dat er geen sprake is van een koopovereenkomst bij gebreke van een werkelijke koopprijs. Ook deze stelling wordt, mede gelet op de betwisting hiervan door Vlasblom Visser, als onvoldoende onderbouwd verworpen. Artikel 2 van de overeenkomst betreft de koopprijs. Weliswaar is geen concreet bedrag genoemd, maar een formule voor de berekening van de koopprijs, gebaseerd op de per 1 januari 2013 vast te stellen omvang van de portefeuille. Door Vlasblom Visser is onweersproken gesteld dat het hanteren van een dergelijke formule als koopprijs, gebruikelijk is in de branche. Hier komt bij dat op aandringen van de curator aanvullend een bedrag van € 2.000,-- door Vlasblom Visser is betaald.

4.7. De rechtbank begrijpt de stelling van gedaagden dat de overeenkomst nietig is op grond van artikel 3:40 BW aldus dat partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst nadrukkelijk zouden hebben geweten dat de koopsom in werkelijkheid nooit tot een betalingsverplichting voor Vlasblom Visser zou kunnen leiden. Dit is volgens gedaagden in strijd met de goede zeden en/of de openbare orde. Door Vlasblom Visser is daarop gemotiveerd betwist dat de koopprijs nihil zal zijn. De rechtbank verwijst naar haar rechtsoverweging 4.6. Voorts wordt daarbij overwogen dat nu de koopprijs wordt gebaseerd op de omvang van de portefeuille per 1 januari 2013, niet op voorhand kan worden gezegd dat de koopprijs nihil zal zijn. Bovendien geldt ook hier dat de curator een aanvullende koopprijs heeft bedongen van € 2.000,--. Ook deze stelling van gedaagden wordt derhalve gepasseerd.

4.8. Naar de mening van gedaagden is de overeenkomst ontbonden nu de in artikel 6 van de overeenkomst geformuleerde voorwaarde niet is vervuld. Vlasblom Visser stelt terecht dat op deze ontbindende voorwaarde alleen een beroep kan worden gedaan door de partijen bij de overeenkomst en gesteld noch gebleken is dat dit is gebeurd. Ook aan deze stelling van gedaagden wordt derhalve voorbijgegaan.

4.9. Uit hetgeen hierboven is overwogen volgt dat uitgegaan wordt van de rechtsgeldigheid van de overeenkomst. Vlasblom Visser heeft derhalve het portefeuillerecht ten aanzien van de assurantieportefeuille verworven. Hier komt nog bij dat uit de onder 2.6. genoemde e-mail van de curator blijkt dat hij op 16 december 2010 de overeenkomst na overleg met de rechter-commissaris heeft erkend. Hetgeen gedaagden (blijkens de pleitnotitie kennelijk) subsidiair nog hebben aangevoerd ten aanzien van de overeenkomst, kan in het licht van hetgeen hierboven is overwogen, onbesproken blijven: dit kan niet leiden tot een ander oordeel.

4.10. Thans moet worden beoordeeld of gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld jegens Vlasblom Visser door inbreuk te maken op het portefeuillerecht van Vlasblom Visser. Dit portefeuillerecht geeft Vlasblom Visser als tussenpersoon recht op het beheer van de assurantieportefeuille en bestaat onder meer uit het recht op provisie. Gedaagden stellen terecht dat het portefeuillerecht als zodanig in beginsel slechts een beperkte reikwijdte heeft, en slechts betrekking heeft op de relatie tussen verzekeraar en tussenpersoon. Gedaagden zijn gelet hierop gerechtigd om zich in vrije concurrentie met Vlasblom Visser op het terrein van de verzekeringsbemiddeling te begeven, maar daarbij moet wel de in het maatschappelijk verkeer in acht te nemen zorgvuldigheid in acht worden genomen. Uit de vrijheid van handel en bedrijf volgt dat de enkele benadering van klanten van de concurrent in beginsel niet onrechtmatig is. Het stelselmatig actief benaderen van klanten van Vlasblom Visser met het oogmerk hen te bewegen de relatie met Vlasblom Visser te beëindigen en voortaan zaken te doen met gedaagden kan onder omstandigheden wel onrechtmatig jegens Vlasblom Visser zijn. Hierbij is van belang of er, zoals Vlasblom Visser stelt, doelbewust gebruik is gemaakt van kennis en gegevens die gedaagden hadden uit hoofde van hun functie bij Coppejans Groep (thans Carming Groep). Hierbij kan overigens in het midden blijven of er tussen Carming Groep enerzijds en [gedaagde sub 2 in conventie, eiser sub 2 in reconventie], [gedaagde sub 3 in conventie, eiser sub 3 in reconventie], [gedaagde sub 4 in conventie, eiser sub 4 in reconventie] en [gedaagde sub 5 in conventie, eiser sub 5 in reconventie] anderzijds geldige concurrentiebedingen of relatiebedingen zijn overeengekomen. Vlasblom Visser grondt haar vorderingen immers alleen op artikel 6:162 BW, niet op een (arbeids)overeenkomst met [gedaagde sub 2 in conventie, eiser sub 2 in reconventie], [gedaagde sub 3 in conventie, eiser sub 3 in reconventie], [gedaagde sub 4 in conventie, eiser sub 4 in reconventie] en [gedaagde sub 5 in conventie, eiser sub 5 in reconventie]. Voorzover Vlasblom Visser een beroep wenst te doen op artikel 3 lid 5, alsmede artikel 5 van de overeenkomst, overweegt de rechtbank dat deze artikelen alleen gelding hebben tussen de partijen bij de overeenkomst.

4.11. In casu is onvoldoende aannemelijk geworden dat, zoals Vlasblom Visser stelt, gedaagden klanten behorende tot de assurantieportefeuille stelselmatig actief hebben benaderd met het oogmerk hen te bewegen de relatie met Vlasblom Visser te beëindigen en voortaan zaken te doen met gedaagden. Vlasblom Visser heeft ter onderbouwing van haar stelling alleen aangevoerd dat het niet anders kan dan dat [gedaagde sub 3 in conventie, eiser sub 3 in reconventie], [gedaagde sub 2 in conventie, eiser sub 2 in reconventie], [gedaagde sub 4 in conventie, eiser sub 4 in reconventie] en [gedaagde sub 5 in conventie, eiser sub 5 in reconventie] namens het Financiële Huis, de uit hun dienstverband met Coppejans Groep bekende verzekerden stelselmatig hebben benaderd om hen ertoe te brengen van intermediair te wijzigen omdat de intermediairwijzigingen van meet af aan een groot volume hadden en de meeste intermediairwijzigingen zich kort na de oprichting van het Financiële Huis hebben voorgedaan. In het licht van de gemotiveerde ontkenning van gedaagden, heeft Vlasblom Visser haar stelling dat er sprake is geweest van het stelselmatig actief klanten benaderen door gedaagden onvoldoende onderbouwd. Verder heeft Vlasblom Visser door overlegging van de producties 30 en 33 bij de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties in conventie, alleen aangevoerd dat de verzekerden [B] en [C] niet op eigen initiatief hebben opgezegd bij Vlasblom Visser. Uit twee incidenten kan echter geen stelselmatig actief benaderen van klanten worden afgeleid, waarbij overigens Heeringa zelf nog aan Vlasblom Visser heeft aangegeven dat hij wel verzekerd wenst te zijn bij [gedaagde sub 4 in conventie, eiser sub 4 in reconventie]. Daartegenover staan bovendien de door gedaagden als productie 12 bij de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie, overgelegde dertig verklaringen. Uit deze verklaringen volgt dat deze klanten zelf het initiatief hebben genomen om hun verzekeringen door [gedaagde sub 4 in conventie, eiser sub 4 in reconventie] te laten beheren. Deze verklaringen zijn door Vlasblom Visser niet inhoudelijk betwist. Vlasblom Visser heeft weliswaar aangevoerd dat deze verklaringen geheel gelijkluidend zijn en een jaar na dato zijn opgesteld, maar zij heeft niet gesteld welke rechtsgevolgen de rechtbank hieraan zou moeten verbinden. De stelling van Vlasblom Visser dat deze verklaringen slechts bevestigen dat [gedaagde sub 2 in conventie, eiser sub 2 in reconventie], [gedaagde sub 3 in conventie, eiser sub 3 in reconventie], [gedaagde sub 4 in conventie, eiser sub 4 in reconventie] en [gedaagde sub 5 in conventie, eiser sub 5 in reconventie] al tijdens hun dienstverband ten detrimente van hun werkgever klanten voor eigen gewin aan het bewerken waren, wordt als onvoldoende onderbouwd gepasseerd. Uit de eigen stellingen van Vlasblom Visser blijkt dat zij heeft gewacht tot de bevestiging door de curator van de overeenkomst op 16 december 2010 en dat zij pas daarna in overleg is getreden met de verzekeraars en gegevens heeft opgevraagd. Vervolgens heeft zij naar eigen zeggen eerst in de loop van februari 2011 (volgens gedaagden was dit pas 31 mei 2011) de mogelijkheid gehad om met de van de verzekeraars verkregen informatie de eerste klanten aan te schrijven. Dit ondersteunt de stelling van gedaagden dat zij al vele maanden het feitelijke beheer voerden voor klanten, omdat de situatie voor de klanten onduidelijk was, en zij niet wisten naar wie zij de klanten moesten doorverwijzen. Gelet hierop zijn ook geen feiten en omstandigheden aanwezig die op de voet van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het vermoeden rechtvaardigen dat [gedaagde sub 2 in conventie, eiser sub 2 in reconventie], [gedaagde sub 3 in conventie, eiser sub 3 in reconventie], [gedaagde sub 4 in conventie, eiser sub 4 in reconventie] en [gedaagde sub 5 in conventie, eiser sub 5 in reconventie] uitsluitend op basis van de vertrouwelijke kennis en informatie op zulke grote schaal intermediairwijzigingen hebben kunnen doorvoeren. Het door Vlasblom Visser gedane aanbod om (aanvullend) bewijs te leveren door het horen van getuigen over:

- de totstandkoming van de overeenkomst tot verkoop van de assurantieportefeuille;

- de kennis en kunde van [gedaagde sub 3 in conventie, eiser sub 3 in reconventie], [gedaagde sub 2 in conventie, eiser sub 2 in reconventie], [gedaagde sub 4 in conventie, eiser sub 4 in reconventie] en [gedaagde sub 5 in conventie, eiser sub 5 in reconventie];

- de voorgenomen koop van de assurantieportefeuille in mei/juni 2010;

- de tweede poging van [gedaagde sub 2 in conventie, eiser sub 2 in reconventie], [gedaagde sub 3 in conventie, eiser sub 3 in reconventie], [gedaagde sub 4 in conventie, eiser sub 4 in reconventie] en [gedaagde sub 5 in conventie, eiser sub 5 in reconventie] om de assurantieportefeuille via de curator te bemachtigen,

wordt als niet ter zake doende gepasseerd. Zo hiervan al bewijs wordt geleverd, staat daarmee immers nog niet vast hetgeen rechtens relevant is, namelijk dat gedaagden klanten behorende tot de assurantieportefeuille stelselmatig actief hebben benaderd met het oogmerk hen te bewegen de relatie met Vlasblom Visser te beëindigen en voortaan zaken te doen met gedaagden. Het aanbod van Vlasblom Visser om bewijs te leveren door het horen van getuigen over de inbreuk op het portefeuillerecht, toebehorende aan Vlasblom Visser, wordt als onvoldoende concreet gepasseerd. Vlasblom Visser heeft op geen enkele wijze onderbouwd over welke feiten en omstandigheden de voorgestelde getuigen in dit verband kunnen verklaren.

4.12. Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen in conventie moeten worden afgewezen. Aan bespreking van de overige stellingen van partijen komt de rechtbank niet toe. Vlasblom Visser wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten gevallen aan de zijde van gedaagden. De kosten aan de zijde van gedaagden worden begroot op:

- griffierecht € 588,--

- salaris advocaat € 1.808,-- (4,0 punten × tarief II € 452,--)

Totaal € 2.396,--

in reconventie

4.13. Ten aanzien van de stellingen omtrent het door Vlasblom Visser gelegde beslag wordt het volgende overwogen. In conventie is geoordeeld dat de vorderingen van Vlasblom Visser worden afgewezen. Dat maakt reeds dat er zonder rechtsgrond conservatoir beslag is gelegd. Gedaagden hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van de beslaglegging schade hebben geleden. De vordering tot verwijzen naar de schadestaatprocedure wordt dan ook toegewezen.

4.14. In beginsel vervalt door afwijzing van de vorderingen in conventie het conservatoire beslag van rechtswege zodra het vonnis in conventie in kracht van gewijsde is gegaan. Gedaagden hebben echter onmiddellijke opheffing van alle door Vlasblom Visser ten laste van hen gelegde beslagen gevorderd. Gedaagden hebben hiertoe onder meer gesteld dat Vlasblom Visser bij het verzoek tot termijnverlenging aan de voorzieningenrechter in strijd met de waarheid heeft vermeld dat zij poogt om met de wederpartijen tot een vergelijk te komen. Nu dit door Vlasblom Visser niet is weersproken, staat daarmee vast dat als gevolg van het verstrekken van onjuiste gegevens door Vlasblom Visser, een termijnverlenging is verleend. De rechtbank ziet hierin voldoende reden om de vordering tot onmiddellijke opheffing, toe te wijzen.

4.15. De vordering tot schadevergoeding omdat de deurwaarder in strijd met het verleende verlof, beslag heeft gelegd op hetgeen uit een ten tijde van de beslaglegging bestaande rechtsverhouding in de toekomst zal worden verkregen, wordt afgewezen. Verlof is verleend om conservatoir derdenbeslag te leggen op al hetgeen verschuldigd is en/of zal worden aan [gedaagde sub 4 in conventie, eiser sub 4 in reconventie]. De deurwaarder heeft vervolgens niet anders gedaan dan het hanteren van de tekst van de wet ten aanzien van het derdenbeslag (artikel 720 juncto 475 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

4.16. De vordering van gedaagden tot vergoeding van schade in verband met onrechtmatig handelen zijdens Vlasblom Visser door verkorting van de rechten van [gedaagde sub 2 in conventie, eiser sub 2 in reconventie], [gedaagde sub 3 in conventie, eiser sub 3 in reconventie], [gedaagde sub 4 in conventie, eiser sub 4 in reconventie] en [gedaagde sub 5 in conventie, eiser sub 5 in reconventie] in het faillissement van Carming Groep, wordt eveneens afgewezen. Voor de motivering hiervan wordt verwezen naar hetgeen in conventie reeds is overwogen ten aanzien van de overeenkomst en de persoon van Wagemans.

4.17. Aan de stelling van gedaagden dat er zijdens Vlasblom Visser sprake is geweest van onrechtmatige dreigingen en handelsbelemmeringen gaat de rechtbank voorbij, nu deze stelling niet is onderbouwd.

4.18. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot het oordeel dat de vorderingen in reconventie grotendeels worden toegewezen. Vlasblom Visser wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten gevallen aan de zijde van gedaagden. De kosten aan de zijde van gedaagden worden begroot op salaris advocaat

€ 904,-- (2,0 punten × tarief II € 452,--).

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie:

- wijst de vorderingen van Vlasblom Visser af;

- veroordeelt Vlasblom Visser, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten, aan de zijde van gedaagden tot op heden begroot op € 2.396,--;

in reconventie:

- veroordeelt Vlasblom Visser jegens ieder van eisers in reconventie (respectievelijk Het Financiële Huis, [gedaagde sub 2 in conventie, eiser sub 2 in reconventie], [gedaagde sub 3 in conventie, eiser sub 3 in reconventie], [gedaagde sub 4 in conventie, eiser sub 4 in reconventie] en [gedaagde sub 5 in conventie, eiser sub 5 in reconventie]) tot vergoeding van de door ieder van hen geleden schade als gevolg van de beslaglegging door Vlasblom Visser, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met onmiddellijke opheffing van alle door Vlasblom Visser ten laste van gedaagden gelegde beslagen;

veroordeelt Vlasblom Visser, in de proceskosten, aan de zijde van gedaagden tot op heden begroot op € 904,--, met bepaling dat zij over dit bedrag de wettelijke rente verschuldigd zal worden met ingang van de 15e dag na betekening van dit vonnis, gerekend tot de dag der algehele voldoening daarvan, en met bepaling voorts dat die proceskosten mede omvatten een bedrag wegens nakosten ad € 131,--, zonder betekening en € 205,-- met betekening;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers, mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en mr. T. van de Poll en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2013.?