Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ1872

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-01-2013
Datum publicatie
21-02-2013
Zaaknummer
12/848
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser ontvangt een WGA-vervolguitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Na een medische en arbeidskundige beoordeling heeft verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser bij het primaire besluit ongewijzigd vastgesteld op 35 tot 45%.

Rb.: Ten aanzien van het te verwachten verzuimpercentage van eiser heeft de verzekeringsarts B&B naar het oordeel van de Rb. voldoende gemotiveerd waarom een ziekteverzuim van 15-20% te verwachten zal zijn. Dit verwachte verzuimpercentage komt overeen met de informatie die de neurologen daarover hebben verschaft.

Namens eiser is gesteld dat eiser in 2011 in totaal 71 dagen heeft verzuimd wegens migraine en daarnaast 13,5 dag heeft moeten verzuimen vanwege bezoek aan behandelaars. In totaal heeft eiser in 2011 dus 84,5 dagen verzuimd.

De Rb. constateert dat - indien de gemachtigde van eiser hierin zou worden gevolgd -omgerekend naar 365 dagen sprake is van een verzuim van 23,15%. Dit komt ongeveer overeen met het verzuim dat de verzekeringsarts B&B aanneemt.

Namens eiser is vervolgens gesteld dat het aantal verzuimdagen van 84,5 nog dient te worden vermeerderd met 62,5 dagen vanwege herstel van migraine. De Rb. volgt de gemachtigde hierin niet. Aangezien eerder is gesteld dat eiser in totaal 71 dagen moest verzuimen vanwege migraine, valt niet in te zien waarom nog eens 62,5 dag extra moest worden verzuimd vanwege het herstel van migraine. Naar het oordeel van de Rb. dient het verzuim ten gevolge van migraine redelijkerwijs tevens het herstel daarvan te omvatten. (…)

De Rb. is er voorts voldoende van overtuigd dat de belastbaarheid van eiser in de geduide functies niet wordt overschreden. De geduide functies zijn dus in medisch opzicht geschikt. Voorts is de Rb. van oordeel dat, ook bij een te verwachten ziekteverzuim van 15-20%, van een werkgever in redelijkheid mag worden verlangd eiser in (een van) die functies te werk te stellen. In dit verband wijst de Rb. op de uitspraken van de CRvB van 30 mei 2000 (LJN: AE8622, USZ 2000, 163) en 17 december 2008 (LJN: BG8399). Daarom zal de Rb. ervan uitgaan dat de hiervoor genoemde functies aan de schatting ten grondslag mochten worden gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/848 WIA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 januari 2013 in de zaak tussen

[eiser], te ‘s-Gravenmoer, eiser,

gemachtigde: [gemachtigde],

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2011 (primair besluit) heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd is vastgesteld op 35 tot 80%. Hierdoor wijzigt zijn WGA-vervolguitkering niet.

Bij besluit van 9 januari 2012 (bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting van de rechtbank Breda heeft plaatsgevonden op 15 mei 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote en zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [woordvoerder gemachtigde].

De rechtbank Breda heeft het onderzoek ter zitting geschorst, omdat zij nog niet over alle informatie beschikte die nodig was om het onderzoek op de zitting te kunnen afronden.

Op 5 juni 2012 en 20 juni 2012 heeft verweerder aanvullende rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts B&B) en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige B&B) ingebracht.

Op 11 september 2012 heeft de gemachtigde van eiser hierop gereageerd.

Vervolgens heeft verweerder op 23 oktober 2012 opnieuw aanvullende rapportages van de verzekeringsarts B&B en de arbeidsdeskundige B&B ingebracht.

Daarna hebben partijen de rechtbank toestemming gegeven uitspraak te doen zonder nadere zitting.

Overwegingen

1. Eiser is laatstelijk werkzaam geweest als afwerker in de bouw. Voor dat werk is hij uitgevallen vanwege knieklachten. Verweerder heeft aan eiser een loongerelateerde WGA-uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toegekend met ingang van 9 april 2007.

Op 8 februari 2011 heeft eiser zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld vanwege prostaatklachten, psychische klachten, diabetes, hoge bloeddruk en migraine. Eiser heeft last van vergeetachtigheid en slapeloosheid. Hierdoor voelt hij zich erg gespannen, moe en prikkelbaar.

Vanaf 9 april 2011 ontvangt eiser een WGA-vervolguitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Na een medische en arbeidskundige beoordeling heeft verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser bij het primaire besluit ongewijzigd vastgesteld op 35 tot 45%. Het bezwaar dat eiser hiertegen maakte, werd bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat er ten onrechte niet meer beperkingen zijn opgenomen in de functionele mogelijkhedenlijst (FML). De klachten beperken eiser dusdanig dat hij niet in staat is een reële arbeidsprestatie te verrichten. Er is sprake van excessief ziekteverzuim (> 30%) en dus een structureel verzuimrisico. Bij een dergelijk structureel verzuim kan niet meer in redelijkheid van een werkgever worden verlangd eiser te werk te stellen. Voorts wordt er ten onrechte geen urenbeperking aangenomen terwijl eiser regelmatig moet verzuimen voor fysiotherapie, dan wel een bezoek aan de huisarts, diëtiste, orthopeed (voor zijn rugklachten) en neuroloog (voor zijn migraine). Eiser heeft verzocht om een proceskostenveroordeling en schadevergoeding.

In het aanvullend beroepschrift heeft eiser nadere gronden aangevoerd ten aanzien van het ziekteverzuim, de geheugenklachten, de pijn- en vermoeidheidsklachten, de psychische klachten en de knieklachten. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser informatie overgelegd van klinisch psycholoog J.P.M. Lockefeer, psycholoog J.J. Sluis en huisarts Bremer.

3. Ingevolge artikel 5 van de WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat pas recht op uitkering bestaat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer.

Onder maatmaninkomen moet worden verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan gewoonlijk met arbeid verdienen (artikel 1 van de WIA).

Van belang is dan ook:

- of eiser medische beperkingen heeft en

- of hij daardoor geheel of gedeeltelijk niet meer in staat is met arbeid inkomsten te verwerven.

Op grond van artikel 60, eerste lid, van de WIA bestaat de WGA-uitkering, indien de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering is verstreken, uit (a) een loonaanvullingsuitkering; of (b) een vervolguitkering.

Op grond van artikel 62, eerste lid, eerste volzin, van de WIA bedraagt de vervolguitkering van de WGA-uitkering per kalendermaand: G X H, waarbij:

G staat voor het uitkeringspercentage, bedoeld in artikel 61, zesde lid; en

H staat voor het minimumloon per maand of het maandloon in het geval het minimumloon per maand hoger is dan het maandloon.

Op grond van artikel 61, zesde lid, aanhef en onder b, van de WIA bedraagt het uitkeringspercentage bij een arbeidsongeschiktheid van 35-45%: 28%.

4. Eiser heeft in bezwaar noch in beroep gronden aangevoerd tegen de door verweerder gehanteerde beoordelingsdatum van 9 april 2011. De rechtbank ziet zich daarom gesteld voor de vraag of verweerder terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 9 april 2011 ongewijzigd heeft vastgesteld op 35 tot 45%.

5. De medische grondslag van het bestreden besluit is gebaseerd op rapportages van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts B&B.

De verzekeringsarts heeft eiser gezien op het spreekuur en zijn dossier bestudeerd. Voorts heeft de verzekeringsarts informatie opgevraagd bij de behandelend sector. De verzekeringsarts heeft aangegeven dat met betrekking tot de reeds bekende klachten van eiser (knie, rug) na eigen onderzoek en informatie van de huisarts gesteld kan worden dat daarin geen significante verandering is opgetreden. De verzekeringsarts stelt dat de ernst van de migraine moeilijk is in te schatten. Het is volgens de verzekeringsarts wel aannemelijk dat eiser als gevolg van deze klachten een iets hoger verzuim zal vertonen. De verzekeringsarts heeft de beperkingen en de belastbaarheid van eiser neergelegd in de FML van 6 mei 2011. Op het aspect 6.4 heeft de verzekeringsarts bij overige beperkingen ten aanzien van werktijden de volgende toelichting opgenomen: vanwege migraine een licht hoger verzuim te verwachten.

De verzekeringsarts B&B heeft de beschikbare medische gegevens, waaronder de door eiser in bezwaar ingebrachte informatie van huisarts Bremer en de neurologen Stroy en Vlam, bestudeerd. Tevens heeft deze verzekeringsarts eiser gezien op de hoorzitting.

De verzekeringsarts B&B stelt dat uit de informatie van de neurologen blijkt dat sprake is van meer dan een iets hoger verzuim. Rond de datum in geding (9 april 2011) zou het verzuim door hoofdpijn rond de 15-20% hebben gelegen. Volgens de verzekeringsarts B&B is deze problematiek met een urenbeperking niet op te lossen, aangezien de migraine aanvallen ook optreden als eiser niet werkt. Verzuim door migraine is onregelmatig. De migraine leidt buiten de aanvallen niet tot (energetische) beperkingen. Verminderde beschikbaarheid vanwege ziekenhuisbezoek is niet zodanig dat daarvoor een urenbeperking moet worden aangenomen. Preventieve aspecten zijn evenmin aan de orde.

De FML wordt op 29 december 2011 aangepast op punt 6.4: vanwege neurologische problematiek is een verzuim van 15-20% te verwachten op onregelmatige tijden.

Naar aanleiding van de in beroep ingebrachte nieuwe medische informatie heeft de verzekeringsarts B&B aanvullend gerapporteerd op 25 mei 2012. De verzekeringsarts B&B ziet in de rapportage van klinisch psycholoog Lockefeer naar aanleiding van het neuropsychologisch onderzoek van 7 november 2011 grond om de FML aan te passen op de punten verdelen van de aandacht en herinneren. Ook is eiser aangewezen op werk dat een vaste en bekende werkwijze heeft (routineafhankelijk), zonder veelvuldige deadlines of productiepieken en zonder hoog handelingstempo. De FML is aangepast op 29 mei 2012.

Met betrekking tot het verzuim stelt de verzekeringsarts B&B dat weliswaar sprake is van een verhoogd verzuim, maar niet van excessief verzuim. Dat de gemachtigde van eiser bij de berekeningen op een hoger verzuimpercentage uitkomt, komt volgens de verzekeringsarts B&B met name omdat de gemachtigde alleen uitgaat van werkdagen en zo op een jaar van 261 dagen komt. Migraine treedt echter niet alleen op werkdagen op maar ook in het weekend of vakantie. Er moet daarom uitgegaan worden van een jaar van 365 dagen, aldus de verzekeringsarts B&B.

Naar aanleiding van aanvullende gronden van eiser heeft de verzekeringsarts B&B nader gerapporteerd op 5 oktober 2012. Daarbij heeft de verzekeringsarts B&B aangegeven waarom de door eiser gestelde evenwichtsklachten in haar optiek niet leiden tot beperkingen in de FML. Voorts heeft de verzekeringsarts B&B nogmaals gereageerd op het verwachte verzuimpercentage. Ten slotte heeft de verzekeringsarts B&B aangegeven waarom zij geen aanleiding ziet om verdergaande beperkingen aan te nemen op persoonlijk en sociaal functioneren, dan wel op het fysieke vlak.

6. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Op grond van de beschikbare gegevens moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de verzekeringsartsen bij eiser niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Met name blijkt uit de rapportages van de verzekeringsartsen dat zij eiser hebben gezien en op de hoogte waren van de door hem gestelde klachten, waaronder de migraine en de knie- en rugklachten. Voorts hebben de verzekeringsartsen informatie van de behandelaars van eiser betrokken bij de beoordeling.

Ten aanzien van het te verwachten verzuimpercentage van eiser heeft de verzekeringsarts B&B naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom een ziekteverzuim van 15-20% te verwachten zal zijn. Dit verwachte verzuimpercentage komt overeen met de informatie die de neurologen Stroy en Vlam daarover hebben verschaft.

De gemachtigde van eiser heeft in het aanvullend beroepschrift van 3 mei 2012 gesteld dat eiser in 2011 in totaal 71 dagen heeft verzuimd wegens migraine en daarnaast 13,5 dag heeft moeten verzuimen vanwege bezoek aan behandelaars. In totaal heeft eiser in 2011 dus 84,5 dagen verzuimd, zo stelt zijn gemachtigde.

De rechtbank constateert dat - indien de gemachtigde van eiser hierin zou worden gevolgd -omgerekend naar 365 dagen sprake is van een verzuim van 23,15%. Dit komt ongeveer overeen met het verzuim dat de verzekeringsarts B&B aanneemt.

In de brief van 11 september 2012 heeft de gemachtigde van eiser vervolgens gesteld dat het aantal verzuimdagen van 84,5 nog dient te worden vermeerderd met 62,5 dagen vanwege herstel van migraine. De rechtbank volgt de gemachtigde hierin niet. Aangezien eerder is gesteld dat eiser in totaal 71 dagen moest verzuimen vanwege migraine, valt niet in te zien waarom nog eens 62,5 dag extra moest worden verzuimd vanwege het herstel van migraine.

Naar het oordeel van de rechtbank dient het verzuim ten gevolge van migraine redelijkerwijs tevens het herstel daarvan te omvatten.

Nu de rechtbank geen aanleiding heeft te twijfelen aan de belastbaarheid die de verzekeringsartsen hebben aangenomen, gaat de rechtbank voor de verdere beoordeling uit van de belastbaarheid die is neergelegd in de FML van 29 mei 2012.

7. De arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is gebaseerd op rapportages van een arbeidsdeskundige en een arbeidsdeskundige B&B.

De arbeidsdeskundige heeft een arbeidsmogelijkhedenlijst opgesteld met voor eiser geschikte functies. De arbeidsdeskundige B&B acht eiser in ieder geval geschikt voor de functies van productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180), productiemedewerker metaal en elektro-industrie (Sbc-code 111171), en wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (Sbc-code 267050). De arbeidsdeskundige B&B heeft geconcludeerd dat de geduide functies geen van allen persoonsgebonden zijn. Een verzuim van 15-20% is daarom volgens de arbeidsdeskundige acceptabel, temeer daar de kosten van het verzuim voor de werkgever op grond van artikel 29b van de Ziektewet beperkt zijn.

De rechtbank heeft de belasting van de geduide functies vergeleken met de FML en heeft daarbij de toelichting betrokken die de arbeidsdeskundigen hebben gegeven bij de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid. De rechtbank is er voldoende van overtuigd dat de belastbaarheid van eiser in deze functies niet wordt overschreden. De geduide functies zijn dus in medisch opzicht geschikt. Voorts is de rechtbank van oordeel dat, ook bij een te verwachten ziekteverzuim van 15-20%, van een werkgever in redelijkheid mag worden verlangd eiser in (een van) die functies te werk te stellen. In dit verband wijst de rechtbank op de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 30 mei 2000 (LJN: AE8622) en

17 december 2008 (LJN: BG8399). Daarom zal de rechtbank ervan uitgaan dat de hiervoor genoemde functies aan de schatting ten grondslag mochten worden gelegd.

Op basis van de inkomsten die eiser hiermee zou kunnen verwerven, heeft verweerder een berekening gemaakt die leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 41%. Dit valt in de categorie 35 tot 45%. Nu eiser hiertegen geen arbeidskundige gronden naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding het arbeidsongeschiktheidspercentage en daarmee de indeling in de categorie van 35 tot 45% voor onjuist te houden.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 31 januari 2013

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.