Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ1739

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-02-2013
Datum publicatie
20-02-2013
Zaaknummer
993010-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Niet ontvankelijk verklaring OM. De rechtbank is van oordeel dat het voeren van de administratie niet op een correcte wijze is geschied en dat het feit daarom kon worden vervolgd op grond van artikel 68 lid 1 onder d AWR en strafbaar gesteld in artikel 69, lid 1 AWR. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank op grond van artikel 69 lid 4 AWR, vervolging op grond van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht uitgesloten".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/113
FutD 2013-0694
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 993010-09

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 20 februari 2013

in de strafzaak tegen

[naam BV] B.V.

gevestigd te [adres]

raadsman mr. Castelijn, advocaat te Breda

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 6 februari 2013, waarbij de officier van justitie, mr. Huisman, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

al dan niet samen met een ander of anderen de bedrijfsadministratie valselijk heeft opgemaakt, doen opmaken of vervalsen, door hierin valse facturen op te nemen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

3.1 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1.1 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter zitting verzocht de officier van justitie niet ontvankelijk te verklaren in de vervolging. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat op grond van artikel 69, vierde lid Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna telkens: AWR) strafvervolging op grond van artikel 225, tweede lid, Wetboek van Strafrecht, is uitgesloten indien het feit ook valt onder het bereik van artikel 69, eerste of tweede lid AWR. Hetgeen aan verdachte thans ten laste is gelegd ziet, zo heeft de raadsman aangevoerd, op het opnemen van vermeende valse facturen in de bedrijfsadministratie. De raadsman heeft, onder verwijzing naar een arrest van het Hof Den Bosch van 12 september 2006 (LJN AY8252) en een vonnis van de rechtbank Haarlem van 27 maart 2009 (LJN BH9174) gesteld dat het opnemen van valse facturen in

de administratie ook valt onder de bepaling van artikel 68, eerste lid onder d AWR en strafbaar is gesteld in artikel 69, eerste lid AWR. De officier van justitie heeft, door een tenlastelegging te verkiezen ex artikel 225, eerste lid Wetboek van Strafrecht, de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid AWR omzeild en heeft daarmee volgens de raadsman gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde en strafvervolging.

3.1.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft inhoudelijk niet gereageerd op het door de verdediging gevoerde verweer.

3.1.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de verdenking hierin bestaat dat door [naam BV] B.V. in haar bedrijfsadministratie (valse) facturen werden opgenomen, waarop was vermeld dat werd gefactureerd ten behoeve van een Poolse zelfstandige (ZZP’er).

Los van de vraag of het hier ging om valse facturen, dient naar het oordeel van de rechtbank eerst de vraag te worden beantwoord of in het onderhavige geval de vervolging van verdachte op grond van artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, op gespannen voet staat met artikel 69 AWR.

Voorop staat dat in art 69, vierde lid, AWR een vervolgingsuitsluitingsgrond is opgenomen ten aanzien van artikel 225 lid 2 Sr. In onderhavige zaak heeft het openbaar ministerie de tenlastelegging toegesneden op artikel 225 lid 1 sr. In beginsel staat genoemde vervolgingsuitsluitingsgrond aan een vervolging terzake artikel 225 lid 1 Sr niet in de weg.

De rechtbank ziet evenwel aanleiding te onderzoeken of in het onderhavige geval de vervolging van verdachte op grond van artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, op gespannen voet staat met artikel 69 AWR.

Uit de geldende jurisprudentie (en literatuur) volgt dat bij de beantwoording van de vraag of art 69, vierde lid, AWR aan een vervolging terzake van artikel 225 lid 2, Sr. in de weg staat, niet uitsluitend kan worden gelet op de tekst van de tenlastelegging. Anders immers zou de officier van justitie door de wijze waarop hij de tenlastelegging inkleedt, artikel 69 lid 4 AWR kunnen omzeilen. Beslissend is daarom of het feit zoals dat in werkelijkheid is gepleegd, onder de bepalingen van artikel 69 AWR kan worden gebracht .

Ten laste is gelegd dat verdachte de bedrijfsadministratie heeft vervalst door daarin valse facturen op te nemen. Op deze facturen was vermeld dat werd gefactureerd ten behoeve van een Poolse zelfstandige (ZZP’er), terwijl volgens het openbaar ministerie feitelijk telkens sprake was van (fictieve) dienstbetrekkingen. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt voorts dat het openbaar ministerie de mening is toegedaan dat het vervalsen van de bedrijfsadministratie er uiteindelijk toe heeft geleid dat verdachte de Nederlandse Staat heeft benadeeld, doordat ten onrechte geen loonheffingen en sociale lasten zijn afgedragen.

De rechtbank is van oordeel dat wanneer degene die een bedrijfsadministratie voert deze vals maakt door het toevoegen van valse facturen, zulks er automatisch toe leidt dat betrokkene een valse bedrijfsadministratie voorhanden heeft. De rechtbank hecht voorts belang aan het speciale karakter van een bedrijfsadministratie in het kader van de belastingheffing Een dergelijke administratie dient er ingevolge artikel 52 van de AWR immers toe te allen tijde duidelijkheid te verschaffen over de rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens. Uit het vorenstaande volgt dat de kern van het verwijt dat verdachte wordt gemaakt, zoals dit uit het dossier naar voren komt, is gelegen in het feit dat deze duidelijkheid niet is verschaft, hetgeen tot benadeling heeft geleid.

Uit voormeld arrest van het Hof Den Bosch volgt dat het voorhanden hebben van valse geschriften in de zin van artikel 225 tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht de facto overeenkomt met het voeren van een administratie als bedoeld in artikel 68 lid 1 onder d AWR. De rechtbank is van oordeel dat daarvan in onderhavige zaak sprake is. Omdat daarmee het voeren van de administratie niet op een correcte wijze is geschied, kan dit feit worden vervolgd op grond van artikel 68 lid 1 onder d AWR en strafbaar gesteld in artikel 69, lid 1 AWR. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank op grond van artikel 69 lid 4 AWR, vervolging op grond van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht uitgesloten.

Bovenstaande laat onverlet dat zich situaties kunnen voordoen waarbij valse facturen worden opgenomen in de bedrijfsadministratie, maar waarbij geen sprake is van het voeren van een administratie als bedoeld in artikel 68 lid 1 onder d AWR. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan de situatie waarin een accountant ter completering van de bedrijfs¬administratie van een bedrijf daarin valse facturen opneemt. In dergelijke situaties is een tenlastelegging, toegesneden op artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, wel mogelijk.

Gelet op bovenvermelde omstandigheden dient de officier van justitie in haar vordering niet ontvankelijk te worden verklaard.

4 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Dit vonnis is gewezen door mr. Kooijman, voorzitter, mr. Peeters en mr. Van der Linden, rechters, in tegenwoordigheid van Nouws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 20 februari 2013.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2006

tot 1 februari 2008 te Rijen in de gemeente Gilze en Rijen en/of elders in

Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) de

(bedrijfs)administratie van haar, verdachte, zijnde die

(bedrijfs)administratie een (samenstel van) geschrift(en), bestemd om tot

bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken

en/of vervalst en/of doen vervalsen,

door (telkens) tezamen en in vereniging met haar medeverdachte(n), althans

alleen, (telkens) de hierna onder 1. tot en met 15. genoemde facturen, althans

een of meer van die genoemde factu(u)r(en), waarop (telkens) valselijk en/of

in strijd met de waarheid was vermeld (zakelijk weergegeven) dat werd

gefactureerd ten behoeve van een Poolse zelfstandige (ZZP'er) in verband met

door hem verrichte werkzaamheden voor haar, verdachte, terwijl er in

werkelijkheid sprake was van een (fictief) dienstverband tussen hem en haar,

verdachte, in die bedrijfsadministratie te boeken en/of te doen boeken en/of

op te nemen en/of te doen opnemen:

1. factuurnummer GAWA/0001, d.d. 31.01.2006, (D-013) en/of

2. factuurnummer GAWA/0010, d.d. 31.08.2006, (D-020) en/of

3. factuurnummer GAWA/0026, d.d. 29.11.2007, (D-029) en/of

4. factuurnummer BASE/0002, d.d. 28.02.2006, (D-031) en/of

5. factuurnummer BASE/0006, d.d. 31.05.2006, (D-034) en/of

6. factuurnummer SEDL/0013, d.d. 31.10.2006, (D-052) en/of

7. factuurnummer KLAW/0001, d.d. 31.05.2007, (D-061) en/of

8. factuurnummer BARA/0011, d.d. 31.12.2007, (D-067) en/of

9. factuurnummer BARY/8001, d.d. 31.01.2008, (D-073) en/of

10.factuurnummer BISK/0003, d.d. 30.04.2007, (D-082) en/of

11.factuurnummer BIST/0028, d.d. 31.08.2007, (D-109) en/of

12.factuurnummer BLAD/8001, d.d. 31.01.2008, (D-122) en/of

13.factuurnummer HALT/0012, d.d. 30.09.2007, (D-128) en/of

14.factuurnummer HALM/0002, d.d. 30.04.2007, (D-133) en/of

15.factuurnummer PATE/0001, d.d. 31.07.2007, (D-136)

zulks (telkens) met het oogmerk om die (bedrijfs)administratie voornoemd, als

echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht