Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ1697

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-01-2013
Datum publicatie
20-02-2013
Zaaknummer
12/2313
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om terug te komen op in rechte onaantastbaar besluit inzake herziening en terugvordering WW. Toetsingscommissie ZZP. Bezwaaradviescommissie ZZP (Commissie Asscher-Vonk). Toets aan Handleiding als buitenwettelijk, begunstigend beleid.

Rechtbank mag vol toetsen. Artikel 4:6 Awb niet van toepassing. Geen melding gemaakt van werkzaamheden als zelfstandige en geen (directe of indirecte) uren als zelfstandige vermeld op de werkbriefjes. Gelet daarop kan het UWV niet verweten worden dat eiser niet of niet juist zou zijn ingelicht over de juiste wijze van invullen van gewerkte uren als zelfstandig ondernemer. Herzieningsverzoek terecht afgewezen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/2313 WW

uitspraak van 16 januari 2013 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], te Schijf, eiser,

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 18 april 2012 (bestreden besluit) van verweerder inzake de afwijzing van een verzoek om herziening van het besluit van 6 november 2008.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2012. Eiser is daarbij verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [woordvoerder verweerder].

De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd met zes weken.

Overwegingen

1. Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 26 augustus 2002 is aan eiser met ingang van 22 juli 2002 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Eiser heeft aangegeven vanaf 1 november 2004 volledig als zelfstandige werkzaam te zijn, om die reden is per 1 november 2004 de WW-uitkering beëindigd.

Bij besluit van 6 november 2008 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat uit onderzoek is gebleken dat eiser vanaf 1 januari 2003 volledig als zelfstandige werkzaam is geweest, reden waarom de uitkering over de periode van 30 december 2002 tot en met 31 oktober 2004 wordt herzien en een bedrag van € 55.932,32 aan onverschuldigd betaalde WW-uitkering van hem wordt teruggevorderd. Het bezwaar dat eiser hiertegen maakte, werd bij beslissing op bezwaar van 11 maart 2009 ongegrond verklaard.

In haar uitspraak van 9 december 2009 (procedurenummer 09/1776 WW) heeft de rechtbank Breda het beroep van eiser tegen het besluit van 11 maart 2009 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover dat zag op de invordering. De rechtbank heeft verweerder opgedragen in zoverre een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van eiser, hetgeen verweerder bij besluit van 18 januari 2010 heeft gedaan. Tegen de uitspraak van de rechtbank en het nieuwe invorderingsbesluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

Uit een onderzoek van de Nationale ombudsman naar de handhaving door het UWV in het project ‘Samenloop zelfstandigenaftrek en WW-uitkering’ is gebleken dat in een aantal gevallen de informatievoorziening aan zelfstandigen gebrekkig of onjuist is geweest. Op instigatie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is in maart 2010 het zogeheten project herbeoordeling ZZP-dossiers gestart. In dat kader is op 16 juli 2010 een handleiding opgesteld met een bijlage met toetsingscriteria die worden gehanteerd bij de herbeoordeling van eerder ten aanzien van ZZP-ers genomen besluiten tot herziening, terugvordering en invordering van WW-uitkering en tot het opleggen van een boete (bijlage bij Kamerstukken II, 32 500-XV, nr. 5, hierna: de Handleiding).

Op 28 maart 2010 heeft eiser uit eigen beweging een herzieningsverzoek ingediend.

Verweerder heeft het verzoek voorgelegd aan de Toetsingscommissie ZZP.

Bij primair besluit van 28 februari 2011 heeft verweerder besloten om niet terug te komen op de beslissing van 6 november 2008. Daartoe heeft verweerder, zakelijk weergegeven, overwogen dat uit onderzoek is gebleken dat eiser niet per 1 november 2004 maar per 1 januari 2003 als zelfstandig ondernemer werkzaam was en eiser geen melding heeft gemaakt van die werkzaamheden vanaf 1 januari 2003. Gelet daarop kan het verweerder niet worden verweten dat eiser niet of niet juist is ingelicht over de juiste wijze van het invullen van gewerkte uren als zelfstandig ondernemer.

Op 14 maart 2011 heeft eiser hiertegen bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft het bezwaar van eiser voorgelegd aan de Bezwaaradviescommissie ZZP (Commissie Asscher-Vonk). Op 17 februari 2012 heeft bij de commissie een hoorzitting plaatsgevonden.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser, conform het advies van de Bezwaaradviescommissie ZZP, ongegrond verklaard.

2. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij zich niet met het bestreden besluit kan verenigen, omdat sprake is van eenzijdige besluitvorming zonder economische visie op de ontstane situatie in de periode waarover hij een uitkering van verweerder heeft ontvangen. Eiser verzoekt de rechtbank te beslissen over de terugvordering van verweerder. Dat eiser door zijn eigen inzet, ondanks de administratieve geschillen en het gebrek aan ondersteuning door verweerder, zelfstandig een uitweg heeft gevonden om zichzelf te voorzien van inkomsten, wordt door verweerder niet meegewogen en niet gewaardeerd. Dit heeft geleid tot ondersteuning aan de overheid om geen uitkering meer nodig te hebben en vanaf dat moment als zelfstandige zowel loon- als zakelijke belastingen af te dragen, zo stelt eiser.

Ter zitting heeft eiser gesteld dat zijn beroep zich met name richt op de hoogte van het maandelijkse invorderingsbedrag en daarnaast een verzoek om (gedeeltelijke) kwijtschelding van de terugvordering behelst.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

De Handleiding bevat een aantal algemene regels op grond waarvan het UWV eerder in het kader van de WW genomen besluiten ten gunste van belanghebbenden corrigeert, ongeacht of die besluiten formele rechtskracht hebben gekregen. Welke groepen van personen voor herbeoordeling met toepassing van die regels in aanmerking komen is in de bijlage omschreven. Op grond van die regels vindt geen correctie plaats indien de belanghebbende op de werkbriefjes of anderszins geen melding heeft gemaakt van gewerkte uren als zelfstandige. Correctie vindt wel plaats indien de belanghebbende wel uren als zelfstandige aan het UWV heeft opgegeven en hij aan de wijze waarop het UWV informatie heeft gegeven over uren die hij moest opgeven, in redelijkheid het vertrouwen kon ontlenen dat hij kon volstaan met de opgave van de direct productieve uren. In geval van twijfel wordt dan het voordeel van de twijfel aan de belanghebbende gegeven. Dit uitgangspunt is onder 2.2 van de Handleiding verder uitgewerkt.

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft de Handleiding gekwalificeerd als buitenwettelijk, begunstigend beleid, dat jegens belanghebbenden op consistente wijze moet worden toegepast. Met dat beleid is in de daarvoor in aanmerking komende gevallen wijziging of herroeping van eerder genomen besluiten van het UWV uitdrukkelijk beoogd, ook indien die besluiten in rechte onaantastbaar zijn geworden, zoals in onderhavig geval het besluit van 6 november 2008 met betrekking tot de herziening en terugvordering van eisers WW-uitkering over de periode van 30 december 2002 tot en met 31 oktober 2004.

Aangezien eiser behoort tot één van de in de Handleiding omschreven groepen van personen die voor herbeoordeling volgens de in de Handleiding omschreven criteria in aanmerking komen, mag de rechtbank de besluitvorming van verweerder ter zake vol toetsen en hoeft zij zich niet te beperken tot de vraag of eiser nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aan zijn herzieningsverzoek ten grondslag heeft gelegd. In dit verband wijst de rechtbank op de uitspraken van de CRvB van 29 juni 2011 (LJN: BQ9997) en 31 oktober 2012 (LJN: BY1787).

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het herzieningsverzoek van eiser terecht heeft afgewezen. Op grond van 2.1 van de Handleiding dient het verzoek namelijk te worden afgewezen indien zich, onder andere, één van de volgende situaties voordoet:

- De klant heeft in het geheel geen melding gemaakt van zijn werkzaamheden als zelfstandige. Op de werkbriefjes zijn dus in het geheel geen uren vermeld en ook anderszins blijkt niet van enige melding van de klant;

- De klant heeft wel eens aangegeven te denken over het worden van zelfstandige, maar concreet blijkt daar verder niets meer van.

De rechtbank constateert dat beide situaties zich voordoen. Uit de stukken is gebleken dat eiser geen melding heeft gemaakt van zijn werkzaamheden als zelfstandige en dat hij geen (directe of indirecte) uren als zelfstandige heeft vermeld op de werkbriefjes.

Eiser heeft ook nooit toestemming gevraagd om met behoud van WW-uitkering te starten als zelfstandige dan wel op andere wijze gemeld dat hij (weer) als zelfstandige aan de slag ging. Uit de stukken, meer in het bijzonder het werkbriefje van september 2002 en het arbeidsintegratieplan van 23 september 2003, blijkt slechts dat eiser heeft aangegeven zich te oriënteren op de mogelijkheden om als zelfstandige te beginnen. In dat kader heeft eiser een keer een folder meegekregen. Nu eiser geen melding heeft gemaakt van zijn werkzaamheden als zelfstandige, kan verweerder niet verweten worden dat eiser niet of niet juist zou zijn ingelicht over de juiste wijze van invullen van gewerkte uren als zelfstandig ondernemer.

Gelet daarop heeft verweerder het herzieningsverzoek van eiser op goede gronden afgewezen. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat eiser zich voor een verzoek tot wijziging van het maandelijkse invorderingsbedrag en een verzoek om (gedeeltelijke) kwijtschelding van de terugvordering kan richten tot de betreffende afdeling van het UWV.

4. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Toekoen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.H.C.W. Vonk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 21 januari 2013

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.