Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ1619

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
22-01-2013
Datum publicatie
20-02-2013
Zaaknummer
12/3088
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning is aangevraagd voor de bouw van een antenne-installatie. Deze aanvraag is niet getoetst aan de redelijke eisen van welstand, omdat de gemeenteraad had besloten tot een proefperiode van twee jaar waarin aanvragen met betrekking tot het hele grondgebied van de gemeente niet worden getoetst aan de redelijke eisen van welstand. De rechtbank verklaart dit besluit van de gemeenteraad onverbindend. Het besluit komt namelijk in strijd met artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, dat elke gemeenteraad verplicht tot het vaststellen van een welstandsnota. Daarnaast kan het besluit ook niet in de bevoegdheid van artikel 12, tweede lid, van de Woningwet worden gegoten, waarin aan de gemeenteraad de bevoegdheid is gegeven om bepaalde gebieden welstandsvrij te verklaren. Het besluit van de gemeenteraad is namelijk niet op de wijze zoals dat artikel vereist tot stand gekomen en ontbeert bovendien een deugdelijke motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/3088

uitspraak van 22 januari 2013 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], te Ulvenhout, eiseres,

gemachtigde: mr. R.E. Izeboud,

en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alphen-Chaam, verweerder.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen: KPN B.V., te ’s-Gravenhage, vergunninghouder,

gemachtigde: mr. [gemachtigde].

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 8 mei 2012 (bestreden besluit) van verweerder inzake het ongegrond verklaren van het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 24 oktober 2011 (primair besluit) inhoudende de verlening van een omgevingsvergunning voor de bouw van een antenne-installatie en het gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2012. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [woordvoerder verweerder]. Vergunninghouder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De gemeenteraad van de gemeente Alphen-Chaam heeft bij besluit van 12 mei 2011 (het Raadsbesluit) een ‘proefperiode’ van 2 jaar ingelast waarin niet wordt getoetst aan de welstandsnota.

Op 19 juli 2011 heeft de vergunninghouder een aanvraag ingediend bij verweerder voor een omgevingsvergunning. De aanvraag betreft het bouwen van een antenne-installatie van 25 meter hoog aan de [adres] en het gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan.

Verweerder heeft de aanvraag van de vergunninghouder niet gepubliceerd. Wel heeft verweerder gepubliceerd dat de beslistermijn met betrekking tot de aanvraag van de vergunninghouder met zes weken is verlengd.

Bij primair besluit heeft verweerder de omgevingsvergunning aan de vergunninghouder verleend. Verweerder heeft de kennisgeving van dit besluit gepubliceerd.

Eiseres heeft bij brief van 31 november 2011, net als een aantal andere omwonenden van de [adres], bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Op 8 februari 2012 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waarbij ondermeer eiseres aanwezig is geweest.

Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres, alsmede van de andere bezwaarmakers, ongegrond verklaard.

2. In beroep heeft eiseres, samengevat, aangevoerd dat verweerder de publicatieplicht van de aanvraag, zoals neergelegd in artikel 3.8 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) heeft geschonden. Dit gebrek kan volgens eiseres niet gepasseerd worden op grond van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voorts komt de bouw van de antenne-installatie volgens eiseres in strijd met de redelijke eisen van welstand en heeft verweerder ten onrechte de aanvraag van de vergunninghouder niet aan de welstandsnota getoetst. Eiseres heeft daarnaast aangevoerd dat haar woonhuis in waarde zal verminderen als gevolg van de bouw van de antenne-installatie. Verweerder is hier in het bestreden besluit ook ten onrechte aan voorbij gegaan. Tot slot had de vergunning volgens eiseres niet verleend mogen worden, omdat er in de wetenschappelijke wereld nog twijfel bestaat over de vraag of antenne-installaties van invloed zijn op het welbevinden van mensen en schadelijk zijn voor het milieu. Eiseres doet daarbij een beroep op het voorzorgsprincipe.

3. Artikel 6:22 van de Awb bepaalt dat een besluit waartegen bezwaar of beroep is ingesteld, in stand kan worden gelaten door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist, ondanks schending van een vormvoorschrift, indien blijkt dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo - voor zover hier relevant -is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo moet een omgevingsvergunning worden geweigerd als het bouwplan niet voldoet aan - kort gezegd - het bouwbesluit (a), de bouwverordening (b), het bestemmingsplan (c) of de redelijke eisen van welstand (d).

Op grond van artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo bepaalt dat de omgevingsvergunning - voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, aanhef en onder c - slechts kan worden verleend in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

De hier bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Ingevolge artikel 3.8 van de Wabo geeft het bevoegd gezag bij de toepassing van titel 4.1 van de Awb tevens onverwijld kennis van de aanvraag om een omgevingsvergunning in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze. Het vermeldt daarbij de in artikel 3.1, tweede lid, bedoelde datum waarop de aanvraag is ontvangen.

Ingevolge artikel 4, vijfde lid, van bijlage II bij het Bor komt voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m.

Ingevolge artikel 12, tweede lid, van de Woningwet kan de gemeenteraad besluiten dat, in afwijking van het eerste lid en artikel 2.10, eerste lid, onder d, van de Wabo, voor een daarbij aan te wijzen gebied of voor een of meer daarbij aan te wijzen categorieën van bestaande en te bouwen bouwwerken geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.

Artikel 12, vierde lid, van de Woningwet bepaalt dat de gemeenteraad de ingezeten van de gemeente en belanghebbenden betrekt bij de voorbereiding van besluiten krachtens het tweede lid op de wijze voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde verordening.

Ingevolge artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, van de Woningwet stelt de gemeenteraad een welstandsnota vast, inhoudende beleidsregels, waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die burgemeester en wethouders toepassen bij hun beoordeling of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk in strijd is met redelijke eisen van welstand.

4.1 Ten aanzien van de publicatieplicht

Eiseres heeft aangevoerd dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, omdat in strijd met artikel 3.8 van de Wabo de aanvraag van de vergunninghouder niet is gepubliceerd. Hieraan kan volgens eiseres niet voorbij worden gegaan op grond van artikel 6:22 van de Awb. Niet in geschil is dat verweerder de aanvraag had behoren te publiceren. Vraag is echter welke gevolgen het achterwege laten daarvan thans moet hebben voor het bestreden besluit.

De rechtbank overweegt dat artikel 3.8 van de Wabo een vormvoorschrift betreft als bedoeld in artikel 6:22 van de Awb. De bepaling ziet immers op de wijze van totstandkoming van de verlening van een omgevingsvergunning en niet op de inhoud van een dergelijk besluit.

Voorts overweegt de rechtbank dat eiseres niet in haar belangen is geschaad door het achterwege laten van de publicatie van de aanvraag. Eiseres heeft weliswaar aangevoerd dat door het achterwege laten van de aanvraag niet alle belanghebbenden bezwaar hebben kunnen maken, waardoor de belangen van die belanghebbenden niet door verweerder zijn meegewogen, wat haar bezwaar en beroep weer minder zwaarwegend maakt. De rechtbank volgt eiseres hierin niet, nu elk bestuursorgaan bij het nemen van een besluit reeds alle bij het besluit betrokken belangen dient af te wegen.

Andere belanghebbenden zijn volgens eiseres ook in hun belangen geschaad, omdat zij niet op de hoogte waren van de aanvraag. De rechtbank is evenwel van oordeel dat deze omstandigheid er toe zou kunnen leiden dat een te laat ingediend bezwaar van die personen toch ontvankelijk is wegens een verschoonbare termijnoverschrijding. Aantasting van het bestreden besluit op deze grond is naar het oordeel van rechtbank echter niet aan de orde. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat het besluit zelf en de verlenging van de beslistermijn wel zijn gepubliceerd conform artikel 3.9, eerste lid, onder a en het tweede lid van de Wabo.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat de schending van de publicatieplicht een gebrek is dat gepasseerd kan worden met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

4.2 Ten aanzien van de redelijke eisen van welstand

De rechtbank ziet zich voorts voor de vraag gesteld of verweerder de toetsing van de aanvraag aan redelijke eisen van welstand achterwege heeft kunnen laten.

De rechtbank overweegt dat verweerder de toets achterwege heeft gelaten wegens het daartoe nopende Raadsbesluit. Eiseres is echter van mening dat de gemeenteraad het Raadsbesluit niet had mogen nemen en het besluit daarom terzijde moet worden geschoven. Verweerder heeft aangegeven dat, wat ook van het Raadsbesluit moge zijn, het gebonden is aan het door de gemeenteraad genomen besluit.

De rechtbank begrijpt het betoog van eiseres aldus dat zij de rechtbank verzoekt het Raadsbesluit onverbindend te verklaren. Het raadsbesluit valt naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als een besluit in de zin van artikel 8:2 onder b, van de Awb, nu het feitelijk om een (tijdelijke) intrekking van de welstandsnota gaat. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, kan de rechtmatigheid van een algemeen verbindend voorschrift (of de intrekking daarvan) in het kader van een beroep tegen een concreet, eiseres rechtstreeks in haar belang treffend besluit, worden beoordeeld. De rechtbank komt daarom toe aan toetsing van het Raadsbesluit. Aldus dient beoordeeld te worden of de gemeenteraad bevoegd is de welstandsnota voor het hele grondgebied van de gemeente in te trekken.

De rechtbank is van oordeel dat de gemeenteraad niet de bevoegdheid heeft om de welstandsnota integraal in te trekken. Op grond van artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet is hij juist verplicht een welstandsnota vast te stellen, terwijl in de Woningwet niet de bevoegdheid valt te lezen om de welstandsnota in te trekken. Artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet wordt ook zinledig wanneer de gemeenteraad bevoegd zou zijn tot intrekking van de welstandsnota. Het raadsbesluit komt dan ook in strijd met artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet.

Hoewel de bewoordingen van het Raadsbesluit daar geen aanleiding voor geven, heeft de rechtbank voorts in het kader een finale geschilbeslechting beoordeeld of het Raadsbesluit, als dat zou worden aangemerkt als een besluit tot het welstandsvrij verklaren van het hele grondgebied van de gemeente op grond van artikel 12, tweede lid, van de Woningwet, aanvaardbaar is. Op grond van dit artikel heeft de gemeenteraad immers de bevoegdheid om bepaalde gebieden welstandsvrij te verklaren. De rechtbank is evenwel van oordeel dat hieraan niet de bevoegdheid ontleend kan worden om het hele grondgebied van de gemeente welstandsvrij te verklaren op de wijze zoals hier is gebeurd. De strekking van dit artikel is namelijk dat de gemeenteraad voor bepaalde gebieden kan bepalen dat niet getoetst hoeft te worden aan de redelijke eisen van welstand. Het gaat daarbij om gebieden waarvoor het naar het oordeel van de gemeenteraad niet nodig is dat bouwplannen worden getoetst aan de redelijke eisen van welstand. In de parlementaire geschiedenis worden als mogelijke redenen hiervoor genoemd dat een plek niet zichtbaar is vanaf de openbare weg of dat het aanzien van het gebied niet beschermd hoeft te worden. De rechtbank is echter niet gebleken dat een dergelijke motivering aan het Raadsbesluit ten grondslag ligt. Tot slot is het Raadsbesluit ook niet via de weg tot stand gekomen die vereist is bij een besluit op grond van artikel 12, tweede lid, van de Woningwet. Ingevolge artikel 12, vierde lid, van de Woningwet hadden ingezeten en andere belanghebbenden alsdan namelijk betrokken moeten worden bij de voorbereiding van het Raadsbesluit, hetgeen niet is gebeurd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het Raadsbesluit niet gegrond kan zijn op artikel 12, tweede lid, van de Woningwet.

Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het Raadsbesluit onverbindend nu het onbevoegd is genomen en in strijd komt met artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet. Dit betekent dat de welstandsnota in Alphen-Chaam van kracht is gebleven en dat de aanvraag van de vergunninghouder getoetst had moeten worden aan de redelijke eisen van welstand, zoals opgenomen in de welstandsnota. Het beroep is dan ook gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

Nu de rechtbank enerzijds de welstandstoets niet zelf kan uitvoeren en anderzijds verweerder ook de vrijheid heeft om de vergunning te verlenen wanneer het bouwwerk in strijd komt met de redelijke eisen van welstand op grond van artikel 2.10, eerste lid, onder d, van de Wabo, zal de rechtbank verweerder opdragen binnen 8 weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

De rechtbank ziet aanleiding om het primaire besluit met toepassing van artikel 8:72, vijfde en zesde lid, van de Awb te schorsen tot zes weken na verzending van de nieuwe beslissing op bezwaar.

5. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed.

De rechtbank zal verweerder veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen 8 weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- schorst het primaire besluit tot zes weken na verzending van de nieuwe beslissing op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 156,00 aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 944,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Th. Peters, rechter, in aanwezigheid van L. van der Maden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2013. De griffier is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 28 januari 2013

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.