Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ1167

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-01-2013
Datum publicatie
18-02-2013
Zaaknummer
12/4474
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om toepassing bijzondere situatie huurtoeslag wegens aan handicap aangepaste woning. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres niet heeft aangetoond dat de woning is gebouwd of verbouwd met geldelijke steun van de WVG, de WMO of een andere vergelijkbare subsidieregeling zoals opgenomen in het interne beleid.

In geschil is de vraag of verweerder op goede gronden heeft besloten het verzoek van eiseres om toekenning van huurtoeslag vanwege een bijzondere situatie af te wijzen.

Verweerder heeft in het bestreden besluit aangegeven dat op basis van art. 18, lid 1 van de Awir intern beleid is opgesteld met betrekking tot de toepassing van art. 13, lid 2, aanhef en onder a, onderdeel 1, van de Wht. Op basis van het verhandelde ter zitting is de Rb. gebleken dat verweerder dit beleid niet op de in art. 3:42 van de Awb genoemde wijze bekend heeft gemaakt. Dit betekent dat geen sprake is van een beleidsregel als bedoeld in art. 4:84 van de Awb. Aangezien verweerder het zogenoemde ‘interne beleid’ wel als toetsingskader hanteert bij verzoeken om toepassing van art. 13, lid 2, aanhef en onder a, onderdeel 1, van de Wht, zal de Rb. dit aanmerken als een interne gedragslijn van verweerder.

Uit de bewoordingen van art. 13, lid 2, aanhef en onder a, onderdeel 1, van de Wht leidt de Rb. af dat voor de toepassing van dit artikel aan twee voorwaarden moet zijn voldaan. De in de woning aangebrachte woonvoorzieningen moeten voortvloeien uit de handicap van de verzoeker en aldus noodzakelijk zijn. Daarnaast moet vast staan dat de aangebrachte woonvoorzieningen tot een overschrijding van de maximum huurgrens hebben geleid.

De Rb. kan op basis hiervan niet inzien, en op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder bovendien ook niet inzichtelijk gemotiveerd, dat slechts op basis van de twee hierboven vermelde bewijsstukken die verweerder op basis van zijn interne gedragslijn (minimaal) vereist te overleggen, kan worden aangetoond dat aan de voorwaarden van art. 13, lid 2, aanhef en onder a, onderdeel 1, van de Wht kan worden voldaan. De Rb. is derhalve van oordeel dat deze interne gedragslijn tot een ontoelaatbare beperking van art. 13, lid 2, aanhef en onder a, onderdeel 1, van de Wht leidt. De Rb. verklaart de door verweerder gehanteerde interne gedragslijn dan ook buiten toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

zaaknummer: AWB 12/4474 HUUR

uitspraak van 8 januari 2013 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], te Gilze, eiseres,

gemachtigde: [gemachtigde],

en

Belastingdienst / Toeslagen, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 31 juli 2012 (bestreden besluit) inzake haar aanspraak op huurtoeslag.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2012. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en haar zoon [zoon]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [Woordvoerder verweerder].

Overwegingen

1. Op grond van de gedingstukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Onder overlegging van het formulier ‘verzoek bijzondere situatie huurtoeslag’ heeft eiseres verweerder bij brief van 15 februari 2012 verzocht haar huurtoeslag toe te kennen. Daarbij heeft eiseres aangegeven dat zij per 8 januari 2011 een woning huurt aan het adres Van Hornstraat 10 te Gilze, die volledig is aangepast aan haar lichamelijke handicap. De huurprijs bedraagt € 1.230,- per maand. Eiseres huurt de woning van haar kinderen.

Bij brief van 7 mei 2012 heeft verweerder eiseres laten weten onvoldoende gegevens te hebben om haar verzoek bijzondere situatie huurtoeslag 2011 goed te kunnen verwerken. Eiseres wordt verzocht een kopie van een subsidiebeschikking te overleggen waaruit blijkt dat de woning die zij huurt voor een gehandicapte is gebouwd of verbouwd met geldelijke steun van de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG), de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) of een andere vergelijkbare subsidieregeling. Tevens wordt eiseres verzocht een kopie van het huurcontract in te sturen.

Bij brief van 20 mei 2012 heeft eiseres onder overlegging van diverse stukken op het verzoek van verweerder gereageerd. Daarbij heeft eiseres onder meer aangegeven dat de voorzieningen in verband met haar handicap op eigen kosten door de verhuurders van haar woning zijn aangebracht zonder dat zij daarvoor subsidie hebben aangevraagd en/of geldelijke steun hebben ontvangen van de WVG, de WMO of een andere vergelijkbare subsidieregeling.

Bij besluit van 1 juni 2012 (primair besluit) heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van eiseres. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres niet heeft aangetoond dat de woning is gebouwd of verbouwd met geldelijke steun van de WVG, de WMO of een andere vergelijkbare subsidieregeling. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres (kennelijk) ongegrond verklaard. Verweerder heeft overwogen dat eiseres weliswaar kan aantonen dat haar woning is aangepast, maar dat zij niet de gevraagde bewijslast kan overleggen dat de aanpassingen hebben plaatsgevonden met geldelijke steun van de WVG, de WMO of een andere subsidieregeling zoals opgenomen in intern beleid.

Op 23 november 2013 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

2. In geschil is de vraag of verweerder op goede gronden heeft besloten het verzoek van eiseres om toekenning van huurtoeslag vanwege een bijzondere situatie af te wijzen.

3. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 1, van de Wet op de huurtoeslag (Wht) wordt geen huurtoeslag toegekend als de rekenhuur hoger is dan € 652,52 per maand als de huurder 23 jaar of ouder is.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, is het eerste lid van dit artikel niet van toepassing als sprake is van overschrijding van een daar genoemd bedrag omdat voorzieningen zijn aangebracht in en rond de woning, die noodzakelijk zijn in verband met een handicap van de huurder.

Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wht is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), met uitzondering van artikel 6, eerste en tweede lid, van toepassing.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Awir verstrekt de belanghebbende de Belastingdienst/ Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

4. Verweerder heeft in het bestreden besluit aangegeven dat op basis van artikel 18, eerste lid, van de Awir intern beleid is opgesteld met betrekking tot de toepassing van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder a, onderdeel 1, van de Wht. Op basis van het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat verweerder dit beleid niet op de in artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemde wijze bekend heeft gemaakt. Dit betekent dat geen sprake is van een beleidsregel als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb. Aangezien verweerder het zogenoemde ‘interne beleid’ wel als toetsingskader hanteert bij verzoeken om toepassing van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder a, onderdeel 1, van de Wht, zal de rechtbank dit aanmerken als een interne gedragslijn van verweerder.

5. Verweerder hanteert als interne gedragslijn dat voor een geslaagd beroep op artikel 13, tweede lid, aanhef en onder a, onderdeel 1, van de Wht de volgende twee stukken moeten worden overgelegd, te weten:

1. een kopie van een indicatiebesluit van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor de functie ‘verblijf’ of een indicatie voor woonaanpassingen op grond van de WVG, de WMO of een vergelijkbare regeling én

2. een kopie van een subsidiebeschikking waaruit blijkt dat de woning voor een gehandicapte is gebouwd of verbouwd met geldelijke steun van de WVG, WMO of een andere vergelijkbare subsidieregeling.

De rechtbank stelt vast dat eiseres bij haar verzoek om toepassing van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder a, onderdeel 1, van de Wht een kopie van het aan haar toegekende indicatiebesluit van het CIZ voor de functie ‘verblijf’ heeft overgelegd. Eiseres beschikt echter niet over de onder 2 vermelde subsidiebeschikking aangezien de voor eiseres in verband met haar handicap noodzakelijke aanpassingen in haar woning op eigen kosten zijn aangebracht.

Volgens eiseres heeft verweerder hierin ten onrechte aanleiding gezien om afwijzend te beslissen op haar verzoek. Zij is van mening dat artikel 13, tweede lid, aanhef en onder a, onderdeel 1, van de Wht door de interne gedragslijn die verweerder hanteert op een zodanige wijze wordt ingeperkt dat de toepassing hiervan verder wordt beperkt dan de bedoeling van de regeling is én voor een juiste uitvoering van deze wettelijke bepaling noodzakelijk is. Daarbij wijst eiseres erop dat de wijze waarop de aanpassingen in haar woning zijn bekostigd geen in de wet opgenomen criterium is.

6. Uit de bewoordingen van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder a, onderdeel 1, van de Wht leidt de rechtbank af dat voor de toepassing van dit artikel aan twee voorwaarden moet zijn voldaan. De in de woning aangebrachte woonvoorzieningen moeten voortvloeien uit de handicap van de verzoeker en aldus noodzakelijk zijn. Daarnaast moet vast staan dat de aangebrachte woonvoorzieningen tot een overschrijding van de maximum huurgrens hebben geleid.

De rechtbank kan op basis hiervan niet inzien, en op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder bovendien ook niet inzichtelijk gemotiveerd, dat slechts op basis van de twee hierboven vermelde bewijsstukken die verweerder op basis van zijn interne gedragslijn (minimaal) vereist te overleggen, kan worden aangetoond dat aan de voorwaarden van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder a, onderdeel 1, van de Wht kan worden voldaan. De rechtbank is derhalve van oordeel dat deze interne gedragslijn tot een ontoelaatbare beperking van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder a, onderdeel 1, van de Wht leidt. De rechtbank verklaart de door verweerder gehanteerde interne gedragslijn dan ook buiten toepassing.

Nu aan de ongegrondverklaring van het bezwaar van eiseres de interne gedragslijn ten grondslag ligt, berust het bestreden besluit op een onjuiste grondslag en dient dit besluit, onder gegrondverklaring van het beroep, te worden vernietigd. De rechtbank zal de mogelijkheden bezien om het geschil finaal te beslechten.

7. De rechtbank constateert dat verweerder nader onderzoek zal moeten verrichten of door eiseres al dan niet wordt voldaan de aan de voorwaarden van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder a, onderdeel 1, van de Wht. Daarbij zijn de stukken die eiseres heeft overgelegd bij haar verzoek bijzondere situatie huurtoeslag van 15 februari 2012 alsook haar brief van 20 mei 2012, van belang. Volgens eiseres heeft zij met deze stukken voldoende aannemelijk gemaakt dat de in haar woning aangebrachte woonvoorzieningen noodzakelijk zijn in verband met haar handicap en dat deze voorzieningen tot een overschrijding van de maximum huurgrens hebben geleid.

Tevens stelt de rechtbank vast dat verweerder in zijn verweerschrift een tweede weigeringsgrond heeft opgenomen met betrekking tot het verzoek van eiseres om toekenning bijzondere situatie huurtoeslag 2011. Volgens verweerder is het niet aannemelijk dat eiseres de huurprijs heeft voldaan nu de huurprijs in 2011 € 383,- meer bedroeg dan haar inkomen. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres dit standpunt van verweerder bestreden en aangevoerd dat eiseres wel degelijk haar huur over 2011 maandelijks heeft voldaan. Daarbij is erop gewezen dat eisers over extra middelen beschikt door middel van schenkingen van haar kinderen. Volgens de gemachtigde kan eiseres dit met stukken, waaronder bankafschriften, aantonen.

Nu verweerder nog niet over deze stukken beschikt, zich hierover bovendien zal moeten uitspreken én - zoals hiervoor al overwogen - nog een nadere beoordeling door verweerder zal moeten plaatsvinden met betrekking tot het al dan niet voldoen van eiseres aan de voorwaarden van meergenoemd artikel 13, tweede lid, aanhef en onder a, onderdeel 1, van de Wht, kan de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit niet in stand laten of zelf voorzien in de onderhavige zaak.

8. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres verzocht om een ‘kale vernietiging’ van het bestreden besluit in plaats van het toepassen van een bestuurlijke lus. De rechtbank ziet aanleiding dat verzoek te volgen. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de gemachtigde van eiseres ter zitting desgevraagd heeft aangegeven zich bewust te zijn van de consequenties van een ‘kale vernietiging’ en zich samen met eiseres te zijner tijd te willen bezinnen op de vraag om wel of niet opnieuw in beroep te gaan tegen het nieuwe bestreden besluit.

9. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed.

De rechtbank zal verweerder veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder het bedrag van de proceskosten betalen aan de griffier van de rechtbank. Daarvoor zal een acceptgiro worden toegezonden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 42,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 944,-, te betalen aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. Y.E.M. Aarts-Snatersen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 15 januari 2013

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.