Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ1067

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
31-01-2013
Datum publicatie
07-02-2013
Zaaknummer
13/459 en 13/460
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/459 VEROR VV en 13/460 GEMWT VV

uitspraak van 31 januari 2013 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], te Oosteind, verzoeker,

gemachtigde: mr. [gemachtigde],

en

1. de burgemeester van de gemeente Oosterhout,

2. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout, verweerders.

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen:

Gemeenschapshuis Oostquartier, te Oosteind.

Procesverloop

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van 22 november 2012 (bestreden besluit I) inzake zijn verzoek om handhavend op te treden tegen geluidsoverlast van het Gemeenschapshuis Oostquartier. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is bij de rechtbank geregistreerd onder procedurenummer 13/460 GEMWT VV.

Daarnaast heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen het besluit van de burgemeester van 6 december 2012 (bestreden besluit II) inzake het verlenen van toestemming aan Gemeenschapshuis Oostquartier voor een aantal evenementen. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om ook in deze zaak een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is bij de rechtbank geregistreerd onder procedurenummer 13/459 VEROR VV.

De verzoeken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 31 januari 2013. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door [woordvoerder gemachtigde 1] en mr. [woordvoerder gemachtigde 2]. Het gemeenschapshuis Oostquartier werd vertegenwoordigd door [woordvoerder 1], [woordvoerder 2] en [woordvoerder 3] van de Vereniging Belangen Oosteind (VBO).

Overwegingen

1. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker woont op het adres [adres]. Op het naastgelegen perceel, [adres], staat het Gemeenschapshuis Oostquartier (hierna: het gemeenschapshuis). In het gemeenschapshuis wordt door VBO van alles georganiseerd, zoals biljarten, volksdansen, bridge, vergaderingen, sinterklaasvieringen et cetera. Tevens vinden in het gemeenschapshuis muziekrepetities en muziekuitvoeringen van verschillende bands en muziekverenigingen plaats.

Naar aanleiding van verzoeken om handhaving van verzoeker heeft de burgemeester bij besluit van 25 september 2012 op basis van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet een bevel opgelegd tot het met onmiddellijke ingang staken van muziekrepetities en muziek-uitvoeringen in het gemeenschapshuis. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat het in rechte vast is komen te staan.

Bij besluit van 9 oktober 2012 heeft de burgemeester besloten om in afwijking van het bevel van 25 september 2012 alsnog toestemming te verlenen voor een aantal activiteiten in het gemeenschapshuis met gebruikmaking van een melding in het kader van de zogenaamde 12-dagenregeling uit de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Oosterhout (hierna: de APV).

Op 7 november 2012 heeft verzoeker bij het college een verzoek om handhaving ingediend tegen de door hem ondervonden geluidsoverlast van het gemeenschapshuis.

Bij het bestreden besluit I heeft het college het verzoek om handhaving afgewezen.

Daartoe heeft het college overwogen dat al handhavend wordt opgetreden tegen het gemeenschapshuis, omdat:

- op 25 september 2012 het bevel is opgelegd door de burgemeester,

- verzoeker op 8 oktober 2012 mondeling had aangegeven begrip te hebben voor de uitzonderingen in het besluit van 9 oktober 2012,

- de door verzoeker genoemde activiteit “het dak eraf” niet heeft plaatsgevonden,

- ondanks de genoemde uitzonderingen het bevel van 25 september 2012 van kracht blijft,

- het gemeenschapshuis er uitdrukkelijk op is gewezen dat, wanneer het gaat om versterkte muziek, de geldende geluidsnormen van kracht zijn.

Bij het bestreden besluit II heeft de burgemeester toestemming verleend aan het gemeenschapshuis voor het houden van de volgende evenementen in het eerste kwartaal van 2013:

- zondag 6 januari 2012: Nieuwjaarsreceptie, 150-200 personen, muziek orkest/installatie;

- zaterdag 2 februari 2013: Jeugdsauwel, 75-100 personen, muziek band/installatie;

- zondag 3 februari 2013: Deunendag, 250-300 personen, versterkte muziek;

- woensdag 6 februari 2013: Jeugdcarnaval, 100-140 personen, discomuziek;

- vrijdag 8 februari 2013: Carnavalsmiddag, 100-140 personen, versterkte muziek;

- vrijdag 8 februari 2013: Sauwelen, 100-150 personen, carnavalsbands/discomuziek;

- zaterdag 9 februari 2013: Sauwelen, 150-200 personen, carnavalsbands/discomuziek;

- zondag 10 februari 2013: Colabal, 75-100 personen, discomuziek;

- maandag 11 februari 2013: Gezinscarnaval, 250-300 personen, bands/discomuziek.

De burgemeester wijst erop dat het besluit van 25 september 2012 ondanks de genoemde uitzonderingen van kracht blijft. Verder wordt het gemeenschapshuis gewezen op de voor haar geldende geluidsnormen voor versterkte muziek. Ten slotte stelt de burgemeester dat alle activiteiten de aandacht van de afdeling handhaving hebben.

2. Verzoeker heeft tegen bestreden besluit I aangevoerd dat hij zeer tevreden was met het besluit van 25 september 2012 tot het staken van muziekrepetities en uitvoeringen in het gemeenschapshuis. Verzoeker is echter niet tevreden met de ontheffingen die de burgemeester van dit besluit verleent. Bovendien vindt verzoeker dat het college het besluit moet handhaven. Hij meent dat het pand nog steeds onvoldoende is geïsoleerd en daarom zouden er geen muzikale activiteiten moeten plaatsvinden. Uit de geluidsmeting van 12 juni 2012 bleek een evidente geluidsoverschrijding van meer dan 11 dB(A) bij onversterkte fanfaremuziek met daarbij versterkte zang. Ook uit een recente meting blijkt dat sprake is van geluidsoverlast en overschrijding van wettelijke normen. Het college dient in een handhavingsbesluit te bepalen dat het pand alsnog dient te worden geïsoleerd conform de wettelijke bepalingen van het Bouwbesluit. Daarnaast kan het college een preventieve last onder dwangsom opleggen met betrekking tot versterkte zang om overtredingen te voorkomen. Voorts stelt verzoeker dat er in het gemeenschapshuis een interne verbouwing heeft plaatsgevonden, waarbij een bar is aangebracht. Voor deze verbouwing was een vergunning nodig nu daarmee het gebruik wijzigt naar horeca. Bovendien is nu dus sprake van met het bestemmingsplan strijdig gebruik.

Verzoeker heeft tegen bestreden besluit II aangevoerd dat hij zich afvraagt of het op basis van wet- en regelgeving wel mogelijk is om ontheffing te verlenen van een besluit als dat van 25 september 2012. Verzoeker stelt dat het verlenen van ontheffingen van het eerdere besluit van 25 september 2012, voor zover dit al mogelijk is, maakt dat de openbare orde weer in gevaar komt, althans dat hij weer wordt blootgesteld aan mogelijke bedreigingen en dergelijke door bezoekers van de inrichting. Er bestaat een gegronde reden om aan te nemen dat er zich incidenten gaan voordoen. Verzoeker heeft de burgemeester er herhaaldelijk op gewezen dat er zich in de periode van 25 september 2012 tot heden zeer bedreigende situaties hebben voorgedaan. Dit heeft al geleid tot meerdere aangiftes door verzoeker. Het is daarom niet verstandig, en bovendien in strijd met de regels van de APV, om thans ontheffingen te verlenen van het eerder op 25 september 2012 genomen besluit.

Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de bestreden besluiten te schorsen.

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

4. Ten aanzien van het bestreden besluit II overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Op grond van artikel 172, eerste lid, van de Gemeentewet is de burgemeester belast met de handhaving van de openbare orde.

Op grond van het derde lid van dit artikel is de burgemeester bevoegd bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde.

De voorzieningenrechter constateert dat het besluit van de burgemeester van 25 september 2012 is gebaseerd op artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet. De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat de burgemeester de situatie dermate verstoord vond, dat hij het noodzakelijk achtte om de-escalerend op te treden en te bepalen dat alle muziekrepetities en muziekuitvoeringen in het gemeenschapshuis per direct dienden te worden gestaakt. De burgemeester heeft daarbij aangegeven dat er op korte termijn gesprekken zouden volgen over de toekomstige activiteiten in het gemeenschapshuis, waarbij het aanbrengen van geluidsisolatie een belangrijke factor zou zijn. Ter zitting is de voorzieningenrechter gebleken dat die gesprekken inmiddels hebben plaatsgevonden en dat er door het gemeenschapshuis geluidswerende maatregelen zijn getroffen. Eén en ander heeft echter nog niet geleid tot een – voor alle partijen bevredigende - oplossing.

Voorts constateert de voorzieningenrechter dat er niemand tegen het besluit van 25 september 2012 in rechte is opgekomen en dat het dus onaantastbaar is geworden. Daarmee staat de bevoegdheid van de burgemeester om artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet toe te passen, vast. De voorzieningenrechter is van oordeel dat daarmee de bevoegdheid van de burgemeester om daar deels, tijdelijk en onder voorwaarden op terug te komen, eveneens is gegeven. Van die bevoegdheid heeft de burgemeester gebruik gemaakt bij het nemen van bestreden besluit II.

Aan de voorzieningenrechter ligt nu de vraag voor of de burgemeester in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken en toestemming heeft kunnen verlenen voor de carnavalsfestiviteiten die in het gemeenschapshuis zullen worden gehouden in de periode van 2 tot 11 februari 2013. Daarbij is van belang of de burgemeester de betrokken belangen juist heeft gewogen.

Het belang van verzoeker is de voorzieningenrechter duidelijk. Hij en zijn gezin hebben veel geluidsoverlast van het gemeenschapshuis te verduren gehad en als de carnavalsfestiviteiten doorgaan, zijn zij vooralsnog niet van de overlast af. Ook vreest verzoeker de bedreigingen die hij heeft ontvangen via sociale media naar aanleiding van zijn klachten over geluidsoverlast. Tegenover het belang van verzoeker staat het belang van VBO, en de Oosteindse gemeenschap die daarin wordt vertegenwoordigd, bij het doorgaan van de carnavalsfestiviteiten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester aan dit algemene belang een zwaarder gewicht mogen toekennen. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat de toestemming is verleend onder duidelijke voorwaarden (aanvangstijd/eindtijd, aantal personen, soort muziek), dat is gewezen op de voor het gemeenschapshuis geldende geluidsnormen voor versterkte muziek, en dat de activiteiten de aandacht van de afdeling handhaving hebben. Voorts acht de voorzieningenrechter het niet ondenkbaar dat het verbieden van de carnavalsfestiviteiten tot maatschappelijke onrust zou kunnen leiden binnen de relatief kleine gemeenschap van Oosteind, hetgeen nadelig kan zijn voor de positie van verzoeker in die gemeenschap.

Gelet daarop zal de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening tegen het bestreden besluit II afwijzen.

5. Ten aanzien van het bestreden besluit I overweegt de voorzieningenrechter vervolgens als volgt.

Op het in geding zijnde perceel rust ingevolge het bestemmingsplan “Oosteind 69” de bestemming “Bijzondere doeleinden”.

Op grond van artikel 15, tweede lid, van de planvoorschriften mogen op de als zodanig bestemde grond uitsluitend worden opgericht bouwwerken voor openbare en bijzondere – te weten religieuze, educatieve, medische, culturele en sociale doeleinden, zoals kerken, scholen, poliklinieken, parochiehuizen, gemeenschapshuizen, sociëteitsgebouwen en daarmee gelijk te stellen gebouwen, met dien verstande dat de hoogte van deze gebouwen maximaal 10 meter mag bedragen en de totale oppervlakte van het terrein met de onderhavige bestemming mag worden bebouwd.

Op grond van het vierde lid van dit artikel mogen de bouwwerken niet worden gebruikt voor de uitoefening van enige vorm van handel, nering, industrie, ambacht of bedrijf.

Op grond van het zesde lid van dit artikel zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van het in lid 4 bepaalde ten behoeve van de uitoefening van een horecabedrijf in een of meer der daar genoemde gebouwen, indien de uitoefening van een dergelijk bedrijf verband houdt met het doel, waartoe het gebouw dient.

De voorzieningenrechter constateert dat op het perceel een gemeenschapshuis expliciet is toegestaan. Het plaatsen van een bar in het gemeenschapshuis levert naar haar oordeel nog geen strijdig gebruik met de bestemming “Bijzondere doeleinden” op. Ook de verkoop van drank tijdens een festiviteit in het gemeenschapshuis kan niet gezien worden als met de bestemming strijdige handel of nering in zin van het vierde lid. Evenmin ziet de voorzieningenrechter de aan het bijzondere doel gelieerde, ondergeschikte horeca als een horecabedrijf in de zin van het zesde lid.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat het college niet bevoegd is om handhavend op te treden op grond van het bestemmingsplan.

Voorts ziet de voorzieningenrechter zich gesteld voor de vraag er aanleiding is om op dit moment een voorziening te treffen die strekt tot preventief handhavend optreden vanwege mogelijke geluidsoverlast. Die vraag beantwoordt de voorzieningenrechter ontkennend. Immers, op dit moment is slechts toestemming verleend voor een beperkt aantal carnavalsfestiviteiten in de periode van 2 tot 11 februari 2013. Afgezien daarvan, blijft het besluit van 25 september 2012 tot het staken van muziekrepetities en muziekuitvoeringen onverkort van kracht.

Gelet op het voorgaande, zal de voorzieningenrechter in afwachting van nadere besluitvorming van verweerders in de richting van partijen, het verzoek om voorlopige voorziening tegen het bestreden besluit II eveneens afwijzen.

6. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, voorzieningenrechter, in

aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2013.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 7 februari 2013

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.