Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ0337

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
04-02-2013
Zaaknummer
996012-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Niet verdachte was ingevolge de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen als belastingplichtige gehouden gegevens en inlichtingen te verstrekken, maar de rechtspersoon, die als belastingplichtige meerdere keren een aangifte omzetbelasting heeft ingediend en op grond van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen was het dan ook de rechtspersoon op wie de verplichting rustte als belastingplichtige ten dienste van de belastingheffing inlichtingen te verstrekken.

Ook kan verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een derde, als bedoeld in artikel 48 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Dit artikel 48 ziet naar het oordeel van de rechtbank immers niet op de bestuurder van de belastingplichtige vennootschap indien de gegevensdragers zich feitelijk bevinden bij die vennootschap zelf. Artikel 48 ziet juist op situaties waarbij de gegevensdragers zich niet (meer) feitelijk bevinden bij de belastingplichtige zelf, zoals bijvoorbeeld bij een administratiekantoor of boekhoudbureau. Hiervan is geen sprake in dit berechte geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-0409
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Locatie Breda

Team strafrecht

parketnummer: 996012-09

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 januari 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [plaats en datum]

wonende te [adres]

raadsman mr. Van Asselt, advocaat te Roosendaal

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 januari 2013, waarbij de officier van justitie, mr. Huisman, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. feitelijk leiding heeft gegeven aan het (meermalen) opzettelijk onjuist of onvolledig doen van aangifte omzetbelasting door [naam BV], welk feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

2. als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (de inhoud van) (andere) gegevensdragers, deze opzettelijk in valse of vervalste vorm heeft (laten) verstrekken.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de aangiften over de betreffende tijdvakken, de 13 valselijk opgemaakte facturen van [X], de valse voorraadlijst en kasoverzicht, de verklaring van de getuige [getuige 1], de verklaring van verdachte en de verklaringen van de medeverdachten.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich met betrekking tot de bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 16 januari 2013 en bij de politie ;

- de schermafdruk van de ingediende aangiften omzetbelasting op naam van [naam BV] van 26-03-2007 en de aangiftegegevens uit EEDI .

- de schermafdruk van de ingediende aangiften omzetbelasting op naam van [naam BV] van 29-04-2007 en de aangiftegegevens uit EEDI .

- de schermafdruk van de ingediende aangiften omzetbelasting op naam van [naam BV] van 01-06-2007 en de aangiftegegevens uit EEDI .

- de schermafdruk van de ingediende aangiften omzetbelasting op naam van [naam BV] van 09-07-2007 en de aangiftegegevens uit EEDI .

- de schermafdruk van de ingediende aangiften omzetbelasting op naam van [naam BV] van 20-08-2007 en de aangiftegegevens uit EEDI .

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende. Ten laste is gelegd dat verdachte, als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, opzettelijk deze in valse vorm voor dit doel ter beschikking gesteld. Vast is komen te staan dat, na de aankondiging door de belastingdienst van een boekenonderzoek bij [naam BV] ., verdachte samen met zijn zoon en schoonzoon de administratie van [naam BV] sluitend heeft gemaakt door een fake administratie, bestaande uit facturen, een kasboek en een voorraadlijst samen te stellen. Verdachte heeft deze fake administratie aan de controlerend ambtenaar van de belastingdienst ter hand heeft gesteld.

Het ten laste gelegde zou daarmee naar het oordeel van de rechtbank bewezen kunnen worden, ware het niet dat naar het oordeel van de rechtbank het niet verdachte was die ingevolge de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen als belastingplichtige gehouden was gegevens en inlichtingen te verstrekken. Het was immers [naam BV] die als

belastingplichtige meerdere keren een aangifte omzetbelasting heeft ingediend en op grond van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen was het dan ook de rechtspersoon [naam BV] op wie de verplichting rustte als belastingplichtige ten dienste van de belastingheffing inlichtingen te verstrekken.

Verdachte heeft verklaard dat hij directeur groot aandeelhouder was van [naam BV]. Op grond van artikel 42 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kunnen de bevoegdheden van [naam BV] worden uitgeoefend en haar verplichtingen worden nagekomen door de bestuurder, in deze dus door verdachte. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat verdachte daarmee ook normadressaat was en op hem de verplichting rustte ten dienste van de belastingen tot inlichtingenverstrekking.

Ook kan verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een derde, als bedoeld in artikel 48 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Dit artikel 48 ziet naar het oordeel van de rechtbank immers niet op de bestuurder van de belastingplichtige vennootschap indien de gegevensdragers zich feitelijk bevinden bij die vennootschap zelf. Artikel 48 ziet juist op situaties waarbij de gegevensdragers zich niet (meer) feitelijk bevinden bij de belastingplichtige zelf, zoals bijvoorbeeld bij een administratiekantoor of boekhoudbureau . Hiervan is geen sprake in dit berechte geval.

Wel is het zo dat verdachte als bestuurder feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging. Nu het feitelijk leidinggeven niet aan verdachte ten laste is gelegd, dient verdachte van het onder 2 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

[naam BV] op 26 maart 2007, 29 april 2007, 1 juni 2007, 9 juli 2007, 20 augustus 2007, te Roosendaal, telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

een aangifte voor de omzetbelasting over het 1e kwartaal 2007 en april 2007 en juni 2007 onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte telkens opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Roosendaal ingeleverde aangiftebiljet omzetbelasting telkens een te laag en/of onjuist bedrag aan belasting opgegeven, terwijl dat feit telkens er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens feitelijk leiding heeft gegeven.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert voor de feiten 1 en 2 aan verdachte op te leggen twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht bij de strafbepaling rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn en met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Voorts heeft de verdediging verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte zelfstandig is gestopt met de fraude, dat verdachte op het gebied van fraude geen strafblad heeft en dat hij met de

fiscus een finale regeling heeft getroffen. Voor wat betreft de persoon van verdachte heeft de verdediging gewezen op het feit dat verdachte een AOW-uitkering geniet en dat hij zwaar hartpatiënt is.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft bekend dat hij, op initiatief van zijn zoon [zoon van verdachte] [naam bv] B.V. heeft opgericht, enkel en alleen met het doel om onjuiste aangiften omzetbelasting te doen en op die manier grote bedragen aan omzetbelasting terug te vragen. Door deze BTW-fraude is ruim € 200.000,= ten onrechte uitgekeerd en de Nederlandse overheid is dan ook voor dit bedrag benadeeld.

Op grond van de oriëntatiepunten voor straftoemeting in fraudezaken is op een fraude met het hiervoor genoemde nadeel, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden gesteld.

De rechtbank constateert echter dat ten aanzien van verdachte ook meerdere factoren een belangrijke rol spelen die voor wat betreft de op te leggen straf, in het voordeel van verdachte moeten werken.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat er in deze sprake is geweest van een forse overschrijding van de redelijke termijn. Hiermee zal de rechtbank bij de strafbepaling in die zin rekening mee houden, dat op de aan verdachte op te leggen straf een korting zal worden toegepast van 25%.

Voorts constateert de rechtbank dat het niet verdachte was die de grote initiator was voor deze fraude. Verdachte was van de fraude wel op de hoogte, maar hij heeft verzuimd in te grijpen. Ook heeft verdachte ingezien dat deze fraude niet door kon blijven gaan en hij is dan ook zelf gestopt door zogenaamde “0-aangiften” te doen met ingang van augustus 2007.

Ook zal de rechtbank in het voordeel van verdachte mee laten wegen dat verdachte op een positieve manier heeft meegewerkt aan het opsporingsonderzoek en met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten met justitie in aanraking is geweest en met de omstandigheid dat aan verdachte een straf is opgelegd en nu schuldig wordt verklaard aan misdrijven voor die strafoplegging gepleegd.

Tot slot zal de rechtbank rekening houden met de leeftijd van verdachte en met zijn gezondheidsproblemen.

Op grond van het vorenstaande zal de rechtbank in plaats van de 9 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf die zij overwoog op te leggen, aan verdachte een taakstraf opleggen van 220 uren, subsidiair 110 dagen hechtenis. Daarnaast zal de rechtbank een geldboete opleggen van € 25.000,= subsidiair 160 dagen hechtenis, welke geldboete verdachte mag betalen in 24 gelijke maandelijkse termijnen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 23, 24a, 24c, 24c, 27, 57, 63 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 69, 72 en 96 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

1. Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 220 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 110 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 25.000,=;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 160 dagen;

- bepaalt dat deze geldboete mag worden betaald in 24 maandelijkse termijnen van elk € 1.041,67;

Dit vonnis is gewezen door mr. Peeters, voorzitter, mr. Kooijman en mr. Van Gessel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Nouws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 30 januari 2013.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

1.

[naam BV] BV op of omstreeks 26 maart 2007, 29 april 2007, 1juni 2007, 9

juli 2007, 20 augustus 2007, althans op een of meer tijdstippen in of

omstreeks de periode maart 2007 tot en met augustus 2007 te Roosendaal en/of

elders in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene

aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

(een) aangifte(n) voor de omzetbelasting over het 1e kwartaal 2007 en/of april

2007 en/of juni 2007 (D-002 5/16; 6/16; 7/16; 8/16; 9/16) onjuist en/of

onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk op het

bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Roosendaal

ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over genoemd(e) jaar (telkens)

een te laag en/of onjuist belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag

en/of onjuist bedrag aan belasting opgegeven, terwijl dat feit (telkens) er

toe strekte dat te weinig belasting werd geheven,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte

(telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welk(e) bovenomschreven

verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven.

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden,

voorzover daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde

betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

Artikel 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Artikel 51 lid 2 Wetboek van Strafrecht.

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 25 jan, 31 jan en

7 februari 2008, althans in of omstreeks de periode januari 2008 tot en met

februari 2008, te Roosendaal, in ieder geval in het arrondissement Breda, in

elk geval in Nederland, (telkens) als degene die ingevolge de Belastingwet

verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken,

bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk

deze in valse en/of vervalste vorm voor dit doel ter beschikking heeft

gesteld, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven,

immers heeft verdachte

- 13 (verkoop)facturen, althans een hoeveelheid facturen, althans 1 factuur -

blijkens de opdruk (telkens) afkomstig van AG-Vision (D-007 t/m D-019), en/of

- een kasboek, althans een (of meerdere) onderde(e)l(en) van een

kasadministratie (D-062), en/of

- een voorraadlijst (D-021)

in valse/vervalste vorm verstrekt of laten verstrekken aan een medewerker van

de belastingdienst te Roosendaal, althans een medewerker van de

belastingdienst.

Artikel 68 lid 2 sub c juncto 69 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingen.

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen