Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:BY9807

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-01-2013
Datum publicatie
29-01-2013
Zaaknummer
02-801097-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt vrijgesproken van ontucht. Na uitsluiting van een getuigenverklaring vanwege onvoldoende betrouwbaarheid is er geen wettig bewijs. Uitleg van artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Locatie Breda

Team strafrecht

parketnummer: 801097-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 januari 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te Rotterdam,

wonende te [woonplaats]

raadsman mr. K.R. Verkaart, advocaat te Breda.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 januari 2013, waarbij de officier van justitie, mr. Gudde, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: ontucht heeft gepleegd met een meisje ([aangeefster 1]) jonger dan 16 jaar;

Feit 2: ontucht heeft gepleegd met een meisje ([aangeefster 2]) jonger dan 16 jaar, mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam en subsidiair ontucht met haar heeft gepleegd..

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ontuchtige handelingen heeft gepleegd met de beide aangeefsters. De officier van justitie baseert zich hierbij voornamelijk op hun aangiftes. Verdachte geeft bij de psycholoog ook toe met [aangeefster 1] te hebben gestoeid. Aangeefsters hebben consistent verklaard ondanks de druk en emoties bij zowel de politie als de rechter-commissaris. De deskundige, [naam deskundige], heeft geconcludeerd dat de verklaringen in aanzienlijke mate ([aangeefster 1]) en in hoge mate ([aangeefster 2]) betrouwbaar zijn. Daarnaast baseert de officier van justitie zich op de getuigenverklaringen van [naam getuige 1] die verklaart over het stoeien van verdachte met [aangeefster 1] en [naam getuige 2], die verklaart in 2005 al te hebben gehoord van [aangeefster 2] over het incident met verdachte. Ten slotte kunnen de verklaringen van de beide aangeefsters als steunbewijs voor elkaars verklaringen dienen, waardoor er voldoende bewijs is dat verdachte ontuchtige handelingen met zowel [aangeefster 2] als [aangeefster 1] heeft gepleegd.

De officier van justitie verzoekt ten aanzien van feit 2 om vrijspraak met betrekking tot het primair ten laste gelegde seksueel binnendringen bij [aangeefster 2], nu zij zelf niet meer weet of dit wel of niet heeft plaatsgevonden.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van beide feiten en wijst daarbij met name op artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering. Naast de aangiftes zijn er geen bewijsmiddelen die als steunbewijs kunnen dienen voor een substantieel deel van de tenlastelegging. Verdachte ontkent dat hij de feiten heeft gepleegd.

Feit 1

Met betrekking tot feit 1 merkt de verdediging op dat er geen wettig bewijs voorhanden is, nu er slechts één bewijsmiddel is, te weten de aangifte. Daarbij is de verdediging van mening dat er vraagtekens bij deze aangifte gezet kunnen worden, nu aangeefster de zaak uitgebreid met haar moeder heeft besproken. Zij heeft haar verklaring op papier gezet vóór de aangifte, die vrijwel woordelijk overeenkomt met de schriftelijke verklaring. De verdediging acht het eveneens opmerkelijk dat zij zes jaar lang gezwegen heeft, maar wel telkens terugging naar het huis van verdachte. Daarnaast verklaart aangeefster dat zij dit verhaal direct aan haar vriendje heeft verteld. Haar vriendje verklaart echter pas een dag voor de aangifte dit van haar te hebben gehoord.

Tot slot is er de getuigenverklaring van [naam getuige 1]. De verdediging wijst op het betrouwbaarheidsonderzoek van [naam deskundige], die concludeert dat juist op de voor verdachte belastende onderdelen de verklaring van deze getuige als onbetrouwbaar dient te worden bestempeld. Dit betekent dat er slechts één bewijsmiddel voorhanden is, waardoor verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken.

Feit 2

Volgens de verdediging is er ook met betrekking tot feit 2 geen wettig bewijs tegen verdachte. De informatie uit de getuigenverklaringen, het MSN-gesprek en de verklaring van haar zusje [aangeefster 1] zijn afkomstig van aangeefster zelf. Voordat een bewijsmiddel als steunbewijs mag worden gebruikt, dient dit bewijs een zekere mate van zelfstandigheid te bezitten. Deze mate van zelfstandigheid wordt niet bereikt wanneer een getuige slechts herhaalt wat hij of zij van aangeefster heeft vernomen. Ook van feit 2 dient verdachte te worden vrijgesproken.

Ook het betrouwbaarheidsoordeel van [naam deskundige] levert volgens de verdediging geen zelfstandig bewijs op. De verklaringen van aangeefsters kunnen niet als steunbewijs in elkaars zaken dienen omdat die verklaringen zelf onvoldoende worden ondersteund door aanvullend bewijs.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte erkent met [aangeefster 1] te hebben gestoeid. Het incident met [aangeefster 2] komt verdachte niet bekend voor. Verdachte onkent ontuchtige handelingen te hebben gepleegd.

Lid 2 van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het bewijs niet uitsluitend op de verklaring van één getuige kan worden gebaseerd. Hierbij geldt dat twee getuigenverklaringen, afkomstig uit dezelfde bron, niet voldoende zijn om aan deze regel tegemoet te komen. Er dient daarom ook in deze zaak een zelfstandig bewijsmiddel te zijn dat de aangifte van [aangeefster 1] respectievelijk [aangeefster 2] in voldoende mate ondersteunt.

[aangeefster 1] en [aangeefster 2] zijn gehoord door de politie en de rechter-commissaris. Hun verklaringen zijn op betrouwbaarheid getoetst door [naam deskundige]. Hij heeft de verklaring van [aangeefster 1] aangemerkt als “in aanzienlijke mate betrouwbaar”, en die van [aangeefster 2] als “in hoge mate betrouwbaar”. Het rapport van [naam deskundige] vormt echter geen afzonderlijk, zelfstandig bewijsmiddel.

De verklaringen van de echtgenote van [aangeefster 2], de vriend van [aangeefster 1] en de moeder van de aangeefsters, zijn gebaseerd op informatie die zij van de aangeefsters hebben verkregen. Deze verklaringen zijn derhalve afkomstig uit één en dezelfde bron, waardoor zij niet als ondersteunend bewijs kunnen dienen. De verklaring van [naam getuige 1] ondersteunt het door verdachte toegegeven stoeien met [aangeefster 1] maar niet de ontuchtige handelingen omdat juist op dat punt deze verklaring niet betrouwbaar is volgens [naam deskundige], welke conclusie de rechtbank - gelet op de redenering van [naam deskundige] om tot deze conclusie te komen - overneemt.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefsters in elkaars zaken, over en weer als schakelbewijs kunnen dienen. De rechtbank overweegt hieromtrent dat uit vaststaande jurisprudentie blijkt dat schakelbewijs “in beginsel niet ongeoorloofd is, maar dat dit slechts dan toelaatbaar is indien en voor zover het bewijs voor het ene feit redengevend is voor het bewijs van het andere ten laste gelegde feit, waarbij opmerking verdient dat de andere bewezenverklaringen die worden 'geschakeld' daarnaast zelfstandig moeten worden gefundeerd” (o.a. Gerechtshof Amsterdam, 19 maart 2012, LJN: BV 9608).

Nu de aangifte van [aangeefster 1] zelf niet is ondersteund door aanvullend wettig bewijs en dit ook geldt voor de aangifte van [aangeefster 2] kunnen de beide aangiften ook geen schakelbewijs vormen in de beide zaken.

De rechtbank concludeert dat zij, gelet op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen, kan vaststellen noch ontkrachten dat de feiten, zoals beschreven door de aangeefsters, zich hebben voorgedaan. Nu er voor beide feiten slechts één zelfstandig bewijsmiddel aanwezig is, acht de rechtbank niet wettig bewezen dat verdachte de feiten heeft begaan en zal hem dan ook van beide feiten vrijspreken.

5 De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangeefster 1] vordert een schadevergoeding van € 1.515,28 voor

feit 1.

De benadeelde partij [aangeefster 2] vordert een schadevergoeding van € 1.053,76 voor feit 2.

Verdachte is vrijgesproken van de feiten waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen.

6 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de tenlastegelegde feiten 1 en 2;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partijen [aangeefster 2) en [aangeefster 1] niet-ontvankelijk in hun vorderingen en bepaalt dat die vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Heuvel, voorzitter, mr. Dekker en mr. Prenger, rechters, in tegenwoordigheid van Van Rensch, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 29 januari 2013.

Mr. Van den Heuvel is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE I: De gewijzigde tenlastelegging

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 januari 2005 tot en met 1 januari 2006 te (pleegplaats), met (aangeefster 1) (geboortedatum), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het

-over de kleding betasten van en/of wrijven over de billen en/of vagina van die [aangeefster 1] en/of -onder de kleding betasten van en/of wrijven over de vagina van die [aangeefster 1] ;

art 247 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2004 tot en met 1 oktober 2005 te (pleegplaats) met ([aangeefster 2]) (geboortedatum), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die (aangeefster 2), hebbende verdachte één of meer vinger(s) in de vagina van die [aangeefster 2] geduwd en/of gebracht en/of de borst(en) en/of vagina van die [aangeefster 2] betast;

art 245 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2004 tot en met 1 oktober 2005 te (pleegplaats), met ([aangeefster 2]) (geboortedatum), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het betasten van en/of wrijven over van de vagina en/of (de) borst(en) van die [aangeefster 2];

art 247 Wetboek van Strafrecht