Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:BY7971

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-01-2013
Datum publicatie
09-01-2013
Zaaknummer
256618 / KG ZA 12-637
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2013:3651, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ziekenhuis Amphia en een taxibedrijf hebben een overeenkomst gesloten over de verzorging door het taxibedrijf van het vervoer van patiënten van ziekenhuis Amphia tussen de locaties Molengracht (Breda), Langendijk (Breda), Pasteurlaan (Oosterhout) en Trivium (Etten-Leur), door partijen aangeduid als interklinisch vervoer. Dit vervoer is soms nodig in verband met onderzoek, behandeling, therapie of andersoortig kortdurend verblijf op een andere locatie dan waar de patiënt zich bevindt. Het gaat om zittend, halfzittend of liggend vervoer waarbij sprake is van laagcomplexe zorg en geen ambulancevervoer maar zorgvervoer geïndiceerd is.

RAV Brabant MWN voert terecht aan dat het door Amphia opgedragen en door het taxibedrijf met een zorgvoertuig uitgevoerde interklinisch vervoer over de openbare weg valt onder de werking van de Tijdelijke wet ambulancezorg. Nu niet gebleken is dat de betrokken minister op de voet van artikel 11 van die wet vrijstelling heeft verleend voor dit vervoer, betekent dit dat dit vervoer ingevolge artikel 4 van deze wet uitsluitend mag worden uitgevoerd in opdracht van de meldkamer van RAV Brabant MWN. De voorzieningenrechter verbiedt Amphia en het taxibedrijf om het interklinisch vervoer buiten (de meldkamer van) RAV Brabant MWN om uit te (laten) voeren.

Wetsverwijzingen
Tijdelijke wet ambulancezorg
Tijdelijke wet ambulancezorg 4
Tijdelijke wet ambulancezorg 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2013/38
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND – WEST-BRABANT

Handelsrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: 256618 / KG ZA 12-637

Vonnis in kort geding van 8 januari 2013

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING REGIONALE AMBULANCE VOORZIENING BRABANT MIDDEN-WEST-NOORD,

gevestigd te Tilburg,

eiseres,

advocaat mr. W.I. Koelewijn,

tegen

1. de stichting

STICHTING AMPHIA,

gevestigd te Breda,

advocaat mr. J.B. Evenboer,

2. de besloten vennootschap

BRONTS AMBULANCE SERVICE B.V.,

gevestigd te Bergen op Zoom,

advocaat mr. J.J.L. Joseph,

gedaagden.

Eiseres zal hierna worden aangeduid als ‘RAV Brabant MWN’. Gedaagden zullen ‘Amphia’ en ‘BAS’ worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de op 26 november 2012 betekende dagvaarding met de producties 1 tot en met 10;

- de aanvullende producties 11 tot en met 17 van RAV Brabant MWN;

- de producties 1 tot en met 5 van Amphia;

- de producties 1 tot en met 30 van BAS;

- de mondelinge behandeling ter zitting van 20 december 2012;

- de pleitaantekeningen van mr. Koelewijn;

- de pleitaantekeningen van mr. Evenboer;

- de pleitaantekeningen van mr. Joseph.

1.2. Het vonnis is bepaald op 10 januari 2013.

2. De beoordeling

2.1. RAV Brabant MWN vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, onder veroordeling van gedaagden in de proceskosten:

primair:

1. Amphia met onmiddellijke ingang zal verbieden om, al dan niet op basis van een medische indicatie van een behandelend arts, aan BAS en/of derden, anders dan RAV Brabant MWN, opdracht te geven tot het verzorgen van het interklinisch vervoer met ambulanceauto’s in de zin van de Wet ambulancevervoer en de Tijdelijke Wet ambulancezorg, op straffe van verbeurte van een dwangsom van EURO 5.000,- per overtreding;

2. BAS met onmiddellijke ingang zal verbieden om in het werkgebied van RAV Brabant MWN, de Veiligheidsregio Brabant Midden-West en de Veiligheidsregio Brabant Noord, met ambulanceauto’s in de zin van de Wet ambulancevervoer en per 1 januari 2013 in de zin van de Tijdelijke wet ambulancezorg, interklinisch vervoer van zieken en/of patiënten aan te bieden en/of te verzorgen anders dan in opdracht van RAV Brabant MWN;

subsidiair:

een in goede justitie te bepalen andere voorlopige voorziening zal treffen die geëigend is om onevenredig nadeel voor RAV Brabant MWN te beëindigen en te voorkomen.

2.2. Aan haar vorderingen legt RAV Brabant MWN ten grondslag dat Amphia sinds 15 oktober 2012 het interklinisch vervoer van patiënten tussen haar vier ziekenhuislocaties niet langer via de centrale post ambulancevervoer en de ambulancedienst van RAV Brabant MWN laat verlopen maar tegen een lager tarief aan BAS heeft uitbesteed, die het vervoer verzorgt met motorvoertuigen die als ambulances in de zin van de Wet ambulancevervoer en de Tijdelijke wet ambulancezorg (hierna: Twaz) zijn ingericht. Omdat RAV Brabant MWN de enige vergunninghouder in deze regio is die (ook) het planbare ambulancevervoer mag verzorgen, handelen Amphia en BAS in strijd met de Wet ambulancevervoer en de Wet marktordening gezondheidszorg en daarmee onrechtmatig jegens RAV Brabant MWN. Vanaf 1 januari 2013 geldt de Twaz, waarbij RAV Brabant MWN met uitsluiting van anderen op basis van een aanwijzing van de minister ambulancezorg als bedoeld in artikel 1 van die wet in deze regio mag verlenen.

2.3. Amphia en BAS verweren zich tegen de vorderingen. Zij voeren allereerst aan dat de zaak te complex is voor een behandeling in kort geding en dat het spoedeisend belang van RAV Brabant MWN is vervallen omdat zij sinds februari 2012 op de hoogte is van de plannen van Amphia voor het interklinisch vervoer en nu pas in actie komt. Daar komt met betrekking tot BAS nog bij dat BAS rauwelijks is gedagvaard. Inhoudelijk voeren Amphia en BAS kort gezegd aan dat het interklinisch vervoer door BAS niet valt onder de reikwijdte van de Wet ambulancevervoer en de Twaz maar onder die van de Wet personenvervoer. Het interklinisch vervoer vindt namelijk niet plaats met ambulances en ook is er geen sprake van ambulancezorg als bedoeld in de Twaz.

2.4. Aangezien de Wet ambulancevervoer per 1 januari 2013 is ingetrokken, de Twaz per die datum inwerking getreden is en de vorderingen strekken tot het verbieden van vervoer dat, gelet op de datum van dit vonnis, plaats heeft na voormelde datum, zal de voorzieningenrechter dat vervoer hierna toetsen aan de Twaz.

2.5. De voorzieningenrechter constateert dat Amphia en BAS op 29 juni 2012 een overeenkomst hebben gesloten over de verzorging door BAS van het vervoer van patiënten van ziekenhuis Amphia tussen de locaties Molengracht (Breda), Langendijk (Breda), Pasteurlaan (Oosterhout) en Trivium (Etten-Leur), door partijen aangeduid als interklinisch vervoer. Dit vervoer is soms nodig in verband met onderzoek, behandeling, therapie of andersoortig kortdurend verblijf op een andere locatie dan waar de patiënt zich bevindt. Uit de considerans in de overeenkomst blijkt dat Amphia en BAS daarbij het oog hebben op zittend, halfzittend dan wel liggend vervoer waarbij sprake is van laagcomplexe zorg en geen ambulancevervoer maar zorgvervoer geïndiceerd is. Op 4 oktober 2012 heeft Amphia aan RAV Brabant MWN geschreven dat met ingang van 15 oktober 2012 zal worden gestart met interklinisch zorgvervoer, waarvoor gebruik zal worden gemaakt van ander vervoer dan ambulances van RAV Brabant MWN. Bij brief van 15 oktober 2012 heeft RAV Brabant MWN Amphia gevraagd om een bevestiging dat het door BAS uit te voeren interklinisch vervoer geen betrekking heeft op vervoer met ambulances. Een afschrift van deze brief heeft RAV Brabant MWN verzonden aan BAS. Op 14 november 2012 heeft er over deze kwestie overleg tussen RAV Brabant MWN en Amphia plaatsgevonden, waarna de inleidende dagvaarding is uitgebracht op 26 november 2012.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat RAV Brabant MWN een spoedeisend belang bij de door haar gevraagde voorzieningen heeft, nu de gestelde inbreuk op haar monopolie op het ambulancevervoer plaatsvindt sinds 15 oktober 2012. De sedertdien verstreken periode is niet onredelijk lang en is bovendien gebruikt voor correspondentie en overleg over deze kwestie. Omdat RAV Brabant MWN van haar brief van 15 oktober 2012 aan Amphia een kopie heeft verzonden aan BAS en aangenomen moet worden dat BAS door Amphia tevens op de hoogte is gesteld van het overleg van 14 november 2012 en de uitkomst daarvan, acht de voorzieningenrechter het argument van BAS dat zij rauwelijks is gedagvaard onvoldoende gegrond en gaat hij daaraan voorbij.

2.6. Inzet van het geding is de vraag of het door BAS sinds 15 oktober 2012 verzorgde interklinisch vervoer van patiënten van Amphia met een laagcomplexe zorgvraag valt onder de reikwijdte van de Twaz. Gelet op de door partijen verstrekte gegevens over het kader en de achtergronden van dit type vervoer, acht de voorzieningenrechter zich voldoende geïnformeerd om daarover een oordeel te geven.

2.7. Ingevolge artikel 4 lid 1 en lid 2 van de Twaz wordt er per veiligheidsregio één regionale ambulancevoorziening aangewezen die zorgt voor de instandhouding van een meldkamer en het (doen) verlenen van ambulancezorg. Lid 3 van voormeld artikel bepaalt dat het anderen dan de aangewezen partij verboden is ambulancezorg te verlenen. Ingevolge lid 4 van voormeld artikel is het verboden ambulancezorg te verlenen zonder opdracht van zojuist bedoelde meldkamer. De voorzieningenrechter constateert dat de wetgever met deze regeling per veiligheidsregio één marktpartij het monopolie geeft op het verlenen van al het ambulancevervoer in de betreffende regio. De ziekenhuisorganisatie van Amphia is gelegen in de veiligheidsregio Brabant Midden-West. Bij ministerieel besluit van 20 november 2012 is RAV Brabant MWN voor de veiligheidsregio Brabant Midden-West aangewezen als de regionale ambulancevoorziening als bedoeld in artikel 4 van de Twaz. De voorzieningenrechter stelt in het licht van artikel 4 lid 3 van de Twaz vast dat daarmee is gegeven dat het anderen dan RAV Brabant MWN verboden is in die regio ambulancezorg te verlenen als omschreven in artikel 1 van die wet. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het door BAS verzorgde vervoer voor Amphia valt onder het begrip ‘ambulancezorg’ als bedoeld in de Twaz.

2.8. In artikel 1 van de Twaz wordt ambulancezorg gedefinieerd als ‘zorg, erop gericht een zieke of gewonde ter zake van zijn aandoening of letsel:

1?. hulp te verlenen en per ambulance te vervoeren, of

2?. hulp te verlenen via een ambulanceverpleegkundige met een speciaal daartoe uitgerust en als zodanig herkenbaar motorvoertuig’. Een ambulance wordt in dat artikel gedefinieerd als ‘een voor het vervoer van zieken of gewonden ingericht motorvoertuig, vaartuig of helikopter’. Uit deze definities volgt dat het door BAS verzorgde interklinisch vervoer enkel als ambulancezorg kan worden aangemerkt indien sprake is van (1) vervoer van een zieke of gewonde, (2) dit vervoer strekt tot hulpverlening en (3) dit vervoer wordt uitgevoerd met een ambulance.

2.9. Het hier aan de orde zijnde interklinisch vervoer betreft patiënten die zijn opgenomen in het Amphiaziekenhuis en die voor behandeling, therapie of onderzoek worden overgebracht naar een andere locatie van het ziekenhuis dan die waarin zij op dat moment zijn opgenomen. In zoverre vallen de betrokken patiënten onder de omschrijving ‘zieken of gewonden’ van artikel 1 lid 1 onder b en d van de Twaz. Vast staat dat gedurende het vervoer aan de betrokken patiënt hulp wordt verleend, uiteraard voor zover dit uit medisch oogpunt noodzakelijk of wenselijk is. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of het vervoer van de betrokken patiënt geschiedt met behulp van een ambulance als bedoeld in voormeld artikel 1 lid 1 onder b. De voorzieningenrechter stelt vast dat de betrokken bepaling met de bewoordingen ‘een voor het vervoer van zieken of gewonden ingericht motorvoertuig’ (vaartuig of helikopter is hier niet aan de orde) een ruime omschrijving geeft die impliceert dat ieder motorvoertuig dat voor het vervoer van zieken of gewonden is ingericht als ‘ambulance’ in de zin van de betrokken bepaling kwalificeert.

Voor de uitvoering van het klinisch vervoer gebruikt BAS een voertuig (door haar ‘zorgvoertuig’ genoemd) waarvan zij als producties 3 en 22 foto's heeft overgelegd. De voorzieningenrechter stelt vast dat, naar moet worden afgeleid uit de aanwezigheid van een rolstoellift, het betrokken voertuig is ingericht voor rolstoelvervoer en dat in het voertuig een bed/brancard aanwezig is. Niet betwist is dat dit voertuig is voorzien van een inventaris als vermeld in productie 9 van BAS. Deze inventaris omvat onder meer diverse zorgmaterialen en zorggereedschappen als zuurstofflessen, AED, lakens en dekens, nierbekkentjes, handschoenen, urinaal, ondersteek en tissuedoos. Op grond van het voorgaande oordeelt de voorzieningenrechter dat het betrokken motorvoertuig onmiskenbaar is ingericht voor het vervoer van zieken of gewonden en dat het daarmee kwalificeert als ‘ambulance’ in de zin van artikel 1 lid 1 onder b van de Twaz. Daaraan doet niet af dat het betrokken motorvoertuig naar uiterlijke verschijningsvorm en naar inhoud van de inventaris afwijkt van de ALS- en BLS-ambulance, aangezien de drie typen motorvoertuigen alle zijn ingericht voor het vervoer van zieken of gewonden.

2.10. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat RAV Brabant MWN terecht aanvoert dat het thans door Amphia opgedragen en door BAS met het hierboven omschreven voertuig uitgevoerde interklinisch vervoer over de openbare weg valt onder de werking van de Twaz. Nu niet gebleken is dat de betrokken minister op de voet van artikel 11 van die wet vrijstelling heeft verleend voor dit vervoer, betekent dit dat dit vervoer ingevolge artikel 4 van deze wet uitsluitend mag worden uitgevoerd in opdracht van de meldkamer van RAV Brabant MWN. Uiteraard heeft het voorgaande alleen betrekking op het vervoer dat wordt verricht met motorvoertuigen die moeten worden aangemerkt als ambulances in de zin van de Twaz. Vervoer per taxi of rolstoelvervoer met een ander motorvoertuig dan een ambulance vallen niet onder de werking van de Twaz en het hierna toe te wijzen verbod.

2.11. Amphia en BAS voeren aan dat het interklinisch vervoer door RAV Brabant MWN met een ambulance onnodig duur is in vergelijking met het vervoer dat door particuliere ondernemingen zoals BAS kan worden aangeboden. Dit standpunt is op zichzelf wellicht juist, maar de voorzieningenrechter maakt uit de kamerstukken bij de Twaz op dat de wetgever deze financiële consequentie uitdrukkelijk onder ogen heeft gezien en heeft geaccepteerd. In de Memorie van Toelichting bij de Twaz (Kamerstuk 2010-2011, 32854, nr. 3) staat over de keuze van de minister voor het niet scheiden van de acute en planbare ambulancezorg geschreven: ‘In de eerste plaats houden (…) de twee betrokken soorten zorg, die van oudsher door een en dezelfde aanbieder worden verricht, zo nauw met elkaar verband dat de diensten voor planbare ambulancezorg moeilijk zijn te scheiden van de taak voor acute ambulancezorg. In de tweede plaats wordt met het eveneens onder het uitsluitende recht plaatsen van de planbare ambulancezorg bewerkstelligd dat de aanbieders van ambulancezorg juist in staat zijn hun taak van algemeen belang, betreffende het vervoer van spoedgevallen, te verzekeren in economisch evenwichtige omstandigheden. De mogelijkheid voor particuliere ondernemers om zich in een vrije markt bij de diensten voor planbare ambulancezorg te richten op lucratieve trajecten, zou schadelijk kunnen zijn voor de economische uitvoerbaarheid van de door de aanbieders van acute ambulancezorg verrichte dienst en bijgevolg de kwaliteit en betrouwbaarheid van die dienst kunnen aantasten.’

In haar Nota naar aanleiding van het verslag van de behandeling van het voorstel voor de Twaz in de vaste Tweedekamercommissie (Kamerstuk 2011-2012, 32854, nr. 7) heeft de minister geschreven:

‘De acute ambulancezorg is zo nauw verbonden met de planbare ambulancezorg, dat deze typen van zorg moeilijk van elkaar te scheiden zijn. Zonder planbare ambulancezorg zou spoedeisende ambulancezorg moeilijk rendabel uit te voeren zijn. Daarnaast is de combinatie spoedzorg/planbare zorg nodig om de kwaliteit van de ambulancezorg te handhaven. Het personeel moet voldoende ritten uitvoeren om vaardigheden op peil te houden. Conclusie is dat zonder de planbare zorg de kwaliteit en de betrouwbaarheid van de spoedeisende ambulancezorg afneemt.’

Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer (Handelingen TK 2011-2012, nr. 66, item 8) heeft de minister herhaald: ‘Er werd mij gevraagd of er een rechtvaardiging is om ook bij het vrije verkeer van diensten de planbare ambulancezorg te beperken. Je kunt ook, omgekeerd, vragen of een ambulancevervoerder altijd planbare zorg moet aanbieden. Ik denk van wel, om twee redenen. De eerste is dat zonder planbare ambulancezorg de spoedeisende ambulancezorg niet rendabel uit te voeren is voor een RAV, omdat de auto's te vaak stil zouden staan. De tweede is dat de kwaliteit van ambulancezorg moet worden gegarandeerd. Personeel moet voldoende ritten maken om de vaardigheden op peil te houden. Zonder planbare zorg zouden de kwaliteit en de betrouwbaarheid van de spoedeisende ambulancezorg afnemen. De inkomsten uit planbare ambulancezorg kunnen ten goede komen aan de spoedeisende ambulancezorg. Dit komt ten goede aan het financieel evenwicht van het zorgstelsel.’ en ‘Juist dit wetsvoorstel maakt gedifferentieerd vervoer mogelijk. De ambulancevervoerder kan hier zelf toe beslissen. Hij bepaalt wanneer hij een motorrijder, een wat simpelere auto of een hoogtechnologische ambulance inzet.’

Uit het voorgaande volgt dat de wetgever al een belangenafweging heeft gemaakt omtrent de financiële consequenties van de toekenning van het uitsluitende recht tot het verlenen van ambulancezorg aan een regionale ambulancevoorziening als RAV Brabant MWN en uitdrukkelijk ervoor gekozen heeft het planbare vervoer voor te behouden aan een regionale ambulancevoorziening. Het staat de voorzieningenrechter dan ook niet vrij om een andere afweging van de financiële belangen van partijen te maken.

2.12. Gelet op voorgaande overwegingen zal de voorzieningenrechter de gevorderde voorzieningen tegen Amphia en BAS als navolgend toewijzen. De voorzieningen worden beperkt tot de veiligheidsregio Brabant Midden-West, waar de onderhavige problematiek speelt. Met het oog op door Amphia eventueel reeds geboekte interklinische ritten zal de voorzieningenrechter de gevorderde verboden niet met onmiddellijke ingang laten ingaan, maar Amphia en BAS een korte overgangstermijn toestaan. Een termijn van zeven dagen acht de voorzieningenrechter redelijk. De gevorderde dwangsommen zullen worden gematigd en gemaximeerd.

2.13. Als de in het ongelijk te stellen partijen worden Amphia en BAS veroordeeld in de kosten van dit geding. De proceskosten aan de zijde van RAV Brabant MWN worden begroot op EURO 1.483,17, welk bedrag is samengesteld uit EURO 92,17 aan explootkosten, EURO 575,- aan griffierecht en EURO 816,- aan salaris advocaat.

3. De beslissing

De voorzieningenrechter:

verbiedt gedaagde sub 1 om vanaf zeven dagen na de betekening van dit vonnis anders dan via (de meldkamer van) eiseres aan gedaagde sub 2 en/of derden opdracht te geven tot het verzorgen van interklinisch vervoer van klinische patiënten over de openbare weg met ambulances als bedoeld in de Tijdelijke wet ambulancezorg, op straffe van verbeurte van een dwangsom van EURO 500,- (zeg: vijfhonderd euro) per overtreding en tot een maximum van EURO 25.000,- (zeg: vijfentwintigduizend euro);

verbiedt gedaagde sub 2 om vanaf zeven dagen na de betekening van dit vonnis in de veiligheidsregio Brabant Midden-West met ambulances in de zin van de Tijdelijke wet ambulancezorg interklinisch vervoer over de openbare weg van klinische patiënten van gedaagde sub 1 uit te voeren anders dan in opdracht van (de meldkamer van) eiseres, op straffe van verbeurte van een dwangsom van EURO 500,- (zeg: vijfhonderd euro) per overtreding en tot een maximum van EURO 25.000,- (zeg: vijfentwintigduizend euro);

veroordeelt gedaagden in de kosten van dit geding, gevallen aan de zijde van eiseres en begroot op EURO 1.483,17;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Hooff in aanwezigheid van mr. De Baar en in het openbaar bij vervroeging uitgesproken op 8 januari 2013.