Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:9954

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-12-2013
Datum publicatie
20-12-2013
Zaaknummer
C/02/273719 / KG ZA 13-759
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

“Minderjarige MBO-er geschorst in afwachting van definitieve verwijdering in verband met DDos-aanval op het netwerk van de school”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/273719 / KG ZA 13-759

Vonnis in kort geding van 20 december 2013

in de zaak van

[eiseres]in haar hoedanigheid van

wettelijk vertegenwoordigster van

[naam zoon],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. T. van Riel te Breda,

tegen

de stichting

ROC WEST-BRABANT,

gevestigd te Breda,

gedaagde,

advocaat mr. R.Th.J. van ‘t Zelfde.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 3 december 2013 met producties 1 tot en met 6,

  • -

    de brief van gedaagde van 9 december 2013 met producties 1 tot en met 13,

  • -

    het faxbericht van gedaagde van 9 december 2013 met productie 14,

  • -

    de mondelinge behandeling op 10 december 2013,

  • -

    de pleitnota van eiseres,

  • -

    de pleitnota van gedaagde.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

Eiseres vordert – samengevat – een veroordeling van gedaagde om haar minderjarige zoon [naam zoon] per direct onvoorwaardelijk toe te laten tot het volgen van onderwijs en alle daarbij behorende activiteiten op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van gedaagde in de proceskosten en de nakosten.

3 De beoordeling

3.1.

Op grond van de niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken stellingen en de producties wordt in dit kort geding uitgegaan van de navolgende feiten:

a. Gedaagde voorziet in een MBO opleiding en maakt onderdeel uit van het ROC-West-Brabant.

b. De minderjarige zoon van eiseres, [naam zoon], volgt sinds 1 augustus 2013 de voltijd opleiding ‘Mediadeveloper’ bij gedaagde. Daartoe hebben [naam zoon] en gedaagde in juni 2013 een onderwijsovereenkomst beroepsonderwijs gesloten. [naam zoon] is leerplichtig.

c. Vanaf begin september 2013 hebben diverse DDos-aanvallen plaatsgevonden op het netwerk van ROC West-Brabant, van welk netwerk gedaagde gebruikt maakt. Als gevolg daarvan is het netwerk wisselend trager of onbruikbaar geworden c.q. uitgevallen. Gedaagde en IT Workz BV (het bedrijf dat het netwerk aan ROC West-Brabant levert en voor haar onderhoudt) hebben daarop een onderzoek ingesteld.

d. Op 25 september 2013 is [naam zoon] uitgenodigd voor een gesprek bij de directie van gedaagde. Tijdens dat gesprek is [naam zoon] gevraagd of hij wist wie de DDos-aanvallen op het netwerk van gedaagde gepleegd had en of hij er iets mee te maken had. [naam zoon] heeft toen verklaard dat hij niet degene was die met DDos-aanvallen het netwerk langere tijd onbruikbaar had gemaakt. Hij heeft wel bekend dat hij een DDos-aanval op het netwerk van gedaagde heeft uitgevoerd. [naam zoon] heeft daarop desgevraagd medewerking verleend aan het onderzoek door IT Workz BV. Diezelfde dag is [naam zoon] naar het kantoor van IT Workz BV gegaan, alwaar zijn laptop is onderzocht. IT Workz BV heeft toen geconstateerd dat tweemaal op 16 september 2013, kort na elkaar, en één maal op 18 september 2013 om 15.12 uur via de account van [naam zoon] bij een website waarmee een DDos-aanval uitgevoerd kan worden, opdracht is gegeven om een DDos-aanval uit te voeren op het netwerk van ROC West-Brabant.

e. IT Workz BV heeft bij de politie tegen [naam zoon] aangifte gedaan van het uitvoeren van DDos-aanvallen.

f. Op 13 november 2013 is [naam zoon] aangehouden op grond van verdenking van een misdrijf (overtreding van artikel 161 septies van het WvSr.), waarna hij in voorlopige hechtenis in de vorm van nachtdetentie is genomen.

g. Na een gesprek met [naam zoon], heeft gedaagde bij brief van 25 november 2013 eiseres te kennen gegeven dat besloten is om [naam zoon] met ingang van 26 november 2013 de toegang tot de school te ontzeggen c.q. te schorsen in afwachting van definitieve verwijdering. Reden voor de schorsing is het plegen van minimaal drie DDos-aanvallen op het netwerk van ROC West-Brabant, zo luidt de brief.

h. Bij brief van 26 november 2013 heeft eiseres gedaagde gesommeerd om [naam zoon] per direct toe te laten tot de opleiding en de beslissing tot schorsing op te heffen. Voorts is met de brief bezwaar aangetekend tegen het besluit van gedaagde tot schorsing van [naam zoon] in afwachting van definitieve verwijdering.

i. Bij brief van 29 november 2013 heeft gedaagde eiseres te kennen gegeven dat [naam zoon] niet wordt toegelaten tot de opleiding, dat het besluit tot schorsing in afwachting van definitieve verwijdering niet wordt opgeheven en dat de brief van 26 november 2013 wordt aangemerkt als bezwaar tegen het besluit tot schorsing.

j. Bij brief van 6 december 2013 heeft gedaagde de onderwijsovereenkomst met [naam zoon] buitengerechtelijk ontbonden.

k. Op dit moment is de stand van zaken als volgt. Op 9 december 2013 is [naam zoon] gehoord door de Commissie van Bezwaar Toelating en Verwijdering over het voornemen van gedaagde tot definitieve verwijdering van school. Ten tijde van de mondelinge behandeling van dit kort geding had de Commissie nog geen advies aan gedaagde uitgebracht. [naam zoon] volgt op dit moment geen onderwijs.

3.2.

Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat het besluit tot schorsing en het

voornemen tot definitieve verwijdering van [naam zoon] van school onbevoegd is genomen en dat gedaagde bovendien in redelijkheid niet tot dat besluit heeft kunnen komen. Eiseres stelt dat zij gedaagde heeft gesommeerd om [naam zoon] weer tot de opleiding toe te laten, maar dat gedaagde niet bereid is daaraan gehoor te geven.

3.3.

Gedaagde voert hiertegen verweer. Op dat verweer en op hetgeen partijen verder

ter ondersteuning van hun standpunten hebben aangevoerd zal in het hiernavolgende, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

3.4.

Vooropgesteld wordt dat gedaagde als onderwijsinstelling in beginsel de vrijheid

heeft om voor haar ongewenst gedrag als zodanig te kwalificeren en te sanctioneren. Het besluit van gedaagde om [naam zoon] te schorsen voor de verdere duur van de procedure die (mogelijk) leidt tot definitieve verwijdering van de school kan de voorzieningenrechter niet in volle omvang toetsen. Het betreft hier immers een bevoegdheid van gedaagde om te beslissen. Aan de voorzieningenrechter komt slechts een marginale toetsing toe in die zin, dat beoordeeld dient te worden of gedaagde in redelijkheid kon komen tot de aan [naam zoon] opgelegde schorsing gedurende de procedure die volgt op het voornemen tot definitieve verwijdering van [naam zoon] van school.

3.5.

Aan het besluit tot schorsing heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat [naam zoon]

minimaal drie DDos-aanvallen op het netwerk van ROC West-Brabant heeft uitgevoerd.

Vaststaat dat [naam zoon] een account heeft op een website waarmee een DDos-aanval

uitgevoerd kan worden en dat uit de ‘attack history’ op het inlogscherm van [naam zoon] van die website afgeleid kan worden dat drie maal een opdracht tot een DDos-aanval op het netwerk van ROC West-Brabant is gegeven, te weten twee maal op 16 september 2013 en één maal op 18 september 2013.

3.6.

Ter zitting heeft [naam zoon] daarover het volgende verklaard.

Hij heeft een account op de betreffende website, omdat hij een eigen bedrijf met een eigen website heeft. Om te testen of zijn website tegen DDos-aanvallen bestand is, voert hij soms met behulp van voormelde account gecontroleerde DDos-aanvallen op zijn eigen website uit. Toen hij hoorde van de DDos-aanvallen op het netwerk van gedaagde heeft hij uit interesse onderzocht of het netwerk van gedaagde tegen DDos-aanvallen die vanuit zijn account werden uitgevoerd, bestand was. De eerste DDos-aanval op het netwerk van gedaagde heeft geen enkel effect gehad. De tweede aanval, waartoe [naam zoon] een paar minuten opdracht heeft gegeven, heeft wel invloed gehad op de werking van het netwerk. Zodra hij bemerkte dat de aanval bewerkstelligde dat het netwerk trager werd, heeft hij, enige seconden later, de aanval gestopt. Uitsluitend vanwege het feit dat hij het programma toen niet heeft afgesloten, maar heeft “weggeklikt”, heeft het kunnen gebeuren dat bij het opstarten van zijn laptop op 18 september 2013 een opdracht tot een DDos-aanval op het netwerk van gedaagde verzonden werd. Hij heeft die aanval meteen gestopt, zodat deze geen effect heeft gehad.

3.7.

In dit kort geding is niet komen vast te staan dat [naam zoon] andere handelingen kunnen worden verweten dan de handelingen waarover hij ter zitting heeft verklaard. Zo is niet komen vast te staan dat [naam zoon] verantwoordelijk is voor de DDos-aanvallen op het netwerk van ROC West-Brabant vanaf begin september 2013 en waardoor het netwerk dagen onbruikbaar is geweest. Gedaagde heeft in dit kader ook erkend dat er ten tijde van het gesprek van [naam zoon] met IT Workz BV op 25 september 2013 een DDos-aanval op het netwerk van gedaagde gaande was.

Dat de handelwijze van [naam zoon] ertoe heeft geleid dat het netwerk van gedaagde onbruikbaar is geworden en tot grote schade heeft geleid, zoals gedaagde heeft betoogd, is dan ook niet aannemelijk geworden.

3.8.

De voorzieningenrechter stelt vast de genoemde handelwijze zonder meer als ongeoorloofd en als wangedrag kan worden geduid maar de vraag die partijen verdeeld houdt is of deze handelwijze dusdanig ongeoorloofd is dat gedaagde in redelijkheid kon komen tot de beslissing dat [naam zoon] in afwachting van zijn verwijdering van de school moest worden geschorst. Bij de beoordeling neemt de voorzieningenrechter het volgende in aanmerking.

3.9.

Niet gesteld en niet gebleken is dat [naam zoon] eerder laakbaar gedrag heeft vertoond.

Niet aannemelijk is geworden dat [naam zoon] anders dan uitsluitend vanwege pure interesse is overgegaan tot een DDos-aanval op het netwerk van gedaagde. Hij heeft de aanval gestopt zodra hij zag dat de aanval het netwerk vertraagde. Dat de school van zijn handelingen enige schade heeft ondervonden, is niet komen vast te staan. Evenmin is gebleken dat sprake is geweest van een collectieve actie, waarbij [naam zoon] medeleerlingen heeft aangezet tot het uitvoeren van DDos-aanvallen op het netwerk van gedaagde.

Vaststaat dat [naam zoon] zijn volledige medewerking heeft verleend aan het onderzoek naar de DDos-aanvallen door IT Workz BV. [naam zoon] geeft aan te begrijpen dat zijn gedrag niet acceptabel is; hij heeft spijt betuigd. [naam zoon] is zich er ook van bewust dat een sanctie moet volgen maar is van oordeel dat hij een verwijdering na de opgelegde periode van schorsing te zwaar is.

De voorzieningenrechter acht de stelling van eiseres dat [naam zoon] de gevolgen van zijn gedraging niet heeft overzien, aannemelijk. Niet te verwachten is derhalve dat [naam zoon] de gewraakte handeling nog zal herhalen.

3.10.

De voorzieningenrechter acht voorts van belang dat [naam zoon] gedaagde reeds op 25 september 2013 volledig heeft geïnformeerd over hetgeen hij had gedaan. Hoewel niet aannemelijk is geworden dat de directeur tijdens dit gesprek [naam zoon] heeft medegedeeld dat hij geen nadelige gevolgen van zijn handelwijze zou ondervinden, staat wel vast dat gedaagde op dat moment niet tot het besluit is gekomen om [naam zoon] te schorsen. Gedaagde heeft toegestaan dat [naam zoon] tot 26 november 2013 bij haar onderwijs kon blijven volgen. Dat er zich in deze periode ongeregeldheden hebben voorgedaan, is gesteld noch gebleken.

3.11.

Aan gedaagde is ter zitting gevraagd of zij enig beleid heeft ontwikkeld ten aanzien van de vraag wanneer een ordemaatregel moet worden opgelegd en zo ja, welke ordemaatregel dit dan zou moeten zijn. Gedaagde heeft aangegeven dat een schorsing in afwachting van verwijdering het afgelopen jaar niet is voorgekomen en in het verleden zelden is opgelegd.

Over de vraag welk gedrag tot schorsing in afwachting van verwijdering zou moeten leiden, is in het door gedaagde overgelegde Deelnemersstatuut ROC West-Brabant enige aanwijzing gegeven. Zo is in bepaling 8 opgenomen wanneer een deelnemer definitief kan worden verwijderd, hetgeen bij ernstig wangedrag en bij het herhaaldelijk schaden van het onderwijsbelang het geval is. In bepaling 24 is opgenomen wanneer een deelnemer onmiddellijk definitief wordt verwijderd, namelijk bij het handelen in drugs binnen de school. In dat geval wordt ook aangifte bij de politie gedaan. Het in bezit hebben van drugs binnen de school kan leiden tot het doen van aangifte en tot een onmiddellijke verwijdering. Dit is kennelijk afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.

3.12.

Gedaagde heeft geen aangifte bij de politie gedaan van de handelwijze van [naam zoon]. IT Workz BV is daartoe wel overgegaan. Gedaagde heeft eerst nadat [naam zoon] door de politie is aangehouden, stappen ondernomen in die zin dat zij tot schorsing van [naam zoon] in afwachting van de verwijdering is overgegaan. Waarom zij deze maatregel juist op dat moment heeft genomen, is niet toegelicht. Niet is gebleken van enige bijkomende omstandigheden.

3.13.

[naam zoon] heeft zijn belang bij de vordering ter zitting toegelicht. Hij wil graag zijn opleiding in Breda voortzetten in een vertrouwde omgeving, met vertrouwde klasgenoten en vrienden. Hij wijst erop dat zijn huidige opleiding competentiegericht onderwijs biedt, hetgeen hem zeer aanspreekt. Voorts zou hij bij een verwijdering van deze opleiding vele uren extra reistijd per week moeten maken.

De voorzieningenrechter begrijpt dat het belang van gedaagde bij schorsing in afwachting van verwijdering is gelegen in handhaving van de orde en rust op school. Gedaagde heeft ter zitting verklaard dat zij met [naam zoon] een voorbeeld wil stellen, zodat ook andere leerlingen het niet in hun hoofd halen om een DDos-aanval op haar netwerk uit te voeren.

3.14.

De voorzieningenrechter heeft de overtuiging dat het hiervoor door gedaagde aangegeven belang ook gediend zou worden indien een minder vergaande sanctie dan een langdurige schorsing in afwachting van verwijdering zou zijn opgelegd. Gedaagde heeft ter zitting niet kunnen aangeven waarom zij niet voor een minder zware sanctie, zoals een schorsing voor een bepaalde periode, heeft gekozen. Ter zitting heeft zij verklaard dat het ook in het belang van [naam zoon] is om op een andere locatie zijn opleiding te vervolgen, omdat [naam zoon] bij een terugkeer op school mogelijk te maken krijgt met boze leerlingen die getroffen zouden zijn door de DDos-aanvallen. Wanneer dit belang evenwel doorslaggevend zou zijn dan is het primair aan [naam zoon] om daarin een afweging te maken. [naam zoon] wenst uitdrukkelijk op de school van gedaagde zijn opleiding te vervolgen. Bovendien heeft [naam zoon] nog enige tijd zijn opleiding mogen vervolgen nadat zijn laakbaar gedrag aan gedaagde bekend was geworden. Door op dat moment geen ordemaatregel op te leggen, is bij [naam zoon] vertrouwen gewekt in die zin dat een sanctie zoals nu aan de orde niet zou gaan volgen. Overigens is gesteld noch gebleken dat in deze periode van ongeveer 4 weken zich omstandigheden hebben voorgedaan die het door gedaagde gestelde belang van [naam zoon] bij verwijdering zouden onderschrijven of omstandigheden die de orde en rust op school hebben verstoord.

In het licht van hetgeen hiervoor is geoordeeld, heeft gedaagde naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende belang om [naam zoon] nu niet toe te laten tot het volgen van onderwijs en alle daarbij behorende activiteiten, zulks afwegend tegen het belang van [naam zoon] om zijn opleiding voort te zetten op de school van gedaagde.

3.15.

Op grond van het vorenstaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat

gedaagde in redelijkheid niet tot het besluit heeft kunnen komen om [naam zoon] nu nog de toegang tot de school te ontzeggen c.q. te schorsen. Alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien rechtvaardigen geen ontbinding van de onderwijsovereenkomst door gedaagde. Dit betekent dat de gevraagde voorziening wordt toegewezen in die zin, dat gedaagde [naam zoon] behoort toe te laten tot het volgen van onderwijs en alle daarbij behorende activiteiten. Deze maatregel geldt zolang zich er geen andere dan de hier in het geding vastgestelde feiten of omstandigheden voordoen die gedaagde grond geven [naam zoon] niet meer toe te laten tot de lessen op school.

3.16.

Gelet op deze beslissing behoeven de overige aangevoerde grondslagen geen bespreking.

3.17.

De vordering inhoudende het opleggen van een dwangsom indien gedaagde aan de hoofdvordering niet zal voldoen, wordt afgewezen. De noodzaak daartoe is, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, niet gebleken.

3.18.

Gedaagde zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen. De kosten aan de zijde van eiseres worden begroot op:

  • -

    dagvaarding € 101,89 (incl. verschotten en BTW)

  • -

    griffierecht € 274,00

  • -

    salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.191,89

3.19.

De gevorderde nakosten zullen als niet weersproken worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld. De voorzieningenrechter begrijpt dat sprake is van een kennelijke verschrijving voor wat betreft het bedrag van € 113,00 en zal deze lezen als € 131,00.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

veroordeelt gedaagde om [naam zoon] per direct toe te laten tot het volgen van zijn schoolopleiding en alle daarbij behorende activiteiten en wel zolang als er zich geen andere, dan de hier in het geding vastgestelde feiten of omstandigheden voordoen die gedaagde grond geven [naam zoon] niet meer toe te laten tot de lessen op school;

4.2.

veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiseres gevallen, tot op heden begroot op € 1.191,89;

4.3.

veroordeelt gedaagde in de na dit vonnis ontstane kosten van eiseres, begroot op

€ 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder voorwaarde dat gedaagde niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis;

4.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Schoenmakers en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. Evers op 20 december 2013.