Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:9952

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-12-2013
Datum publicatie
20-12-2013
Zaaknummer
02/800257-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt een beveiliger vrij van dood door schuld, omdat niet wettig en overtuigend bewezen wordt geacht dat het slachtoffer is overleden als gevolg van verwijtbaar handelen aan de zijde van verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/800257-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 20 december 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te[geboorteplaats]

wonende te [adres]

raadsman mr. G.J. Woodrow, advocaat te Tilburg

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 6 december 2013, waarbij de officier van justitie, mr. Koning, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, terzake dat:

hij op of omstreeks 02 maart 2011 te Tilburg grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig [slachtoffer 1] ter aanhouding (met kracht) naar de grond heeft gewerkt en/of (vervolgens) een nekklem dan wel armklem (met kracht) heeft toegepast en/of deze [slachtoffer 1] (vervolgens) te lang en/of te krachtig in een nekklem dan wel armklem heeft gehouden, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat deze [slachtoffer 1] zodanig(e) letsel dan wel toestand, te weten verstikking (ontstaan door

massale aspiratie), heeft bekomen respectievelijk is geraakt, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden;

art 307 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Gelet op de aanwezige verdenking dat [slachtoffer 1] een diefstal had gepleegd, acht de officier van justitie de aanhouding van [slachtoffer 1] op zichzelf rechtmatig. De wijze waarop de aanhouding aanvankelijk is verricht is niet in strijd te achten met de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit.

Op enig niet nader te bepalen moment is [slachtoffer 1] tijdens zijn aanhouding overleden als gevolg van een massale verslikking, welke zorgde voor obstructie van de luchtwegen en die verstikking tot gevolg had.

Gelet op de rapportages en antwoorden van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) kan niet met zekerheid worden vastgesteld hoe de massale verslikking is ontstaan (door alcohol, door de nekklem dan wel door een combinatie daarvan). Evenmin kan worden vastgesteld wanneer de massale verslikking en vervolgens verstikking is ontstaan. Hierdoor kan evenmin worden vastgesteld wanneer de dood is ingetreden. Nu geen duidelijkheid bestaat omtrent de causaliteit tussen het handelen van verdachte en het overlijden van [slachtoffer 1] kan niet worden toegekomen aan de vraag of verdachte strafrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. [slachtoffer 1] was immers mogelijk al dood bij aanvang van de aanhouding dan wel korte tijd erna. Er kan daarom niet worden vastgesteld of sprake is van dood door schuld en verdachte dient naar het oordeel van het openbaar ministerie dan ook te worden vrijgesproken.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Uit het dossier en uit de rapportages en antwoorden van het NFI blijkt niet dat sprake is geweest van samendrukkend geweld op de hals van [slachtoffer 1]. Verdachte heeft ook verklaard geen druk of kracht te hebben uitgeoefend op de nek van [slachtoffer 1].

Er kan niet met zekerheid worden vastgesteld waardoor en wanneer de massale verslikking is ontstaan. Voorts kan niet met zekerheid worden vastgesteld wanneer de verstikking is ontstaan en wanneer de dood is ingetreden. Er kan niet buiten redelijke twijfel worden bewezen dat het overlijden van [slachtoffer 1] het gevolg is van handelen van verdachte. Nu het vereiste causaal verband niet wettig en overtuigend kan worden vastgesteld, dient verdachte te worden vrijgesproken.

Subsidiair heeft de verdediging nog aangevoerd dat de aanhouding rechtmatig was en dat bij die aanhouding geen sprake is geweest van schending van de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Op 2 maart 2011 omstreeks 20:00 uur was verdachte samen met zijn [collega] als beveiliger werkzaam op het centraal station in Tilburg toen hij een medewerkster van de Kiosk op dat station achter een jongen zag aanlopen. De medewerkster van de Kiosk riep naar de jongen woorden als ‘hier geven’ en ‘kom terug’. Verdachte concludeerde daaruit dat de jongen iets had gestolen uit de Kiosk. De jongen rende weg. Verdachte en zijn collega zijn achter de jongen aangerend.

De jongen stak blindelings de Spoorlaan over. Verdachte heeft de jongen aan de overkant van de Spoorlaan, ter hoogte van de ING bank, bij zijn capuchon gepakt, waarna de jongen door wilde lopen. Verdachte heeft de jongen toen bij zijn nek gepakt en heeft zijn rechterarm om de nek van de jongen gelegd en de jongen naar de grond gebracht. De jongen lag op zijn knieën voorover gebogen op de grond. Verdachte heeft de jongen gedurende een aantal minuten in deze houding vastgehouden.

Uit het dossier is gebleken dat de jongen reeds vanaf het begin van de aanhouding taal nog teken heeft gegeven en zich in het geheel niet heeft verzet.

Verdachte heeft de jongen echter vastgehouden tot het moment dat [Getuige 1] opmerkte dat de jongen niet bewoog en tegen verdachte zei dat hij moest controleren of het wel goed ging met de jongen. Verdachte heeft de jongen daarop los gelaten waarna de jongen in elkaar zakte en uiteindelijk bleek te zijn overleden.

Uit het voorlopige sectierapport van dr. V. Soerdjbalie-Maikoe van het NFI d.d. 3 maart 2011 bleek dat het slachtoffer, [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]), is overleden als gevolg van een massale verslikking welke een obstructie van de luchtwegen tot gevolg heeft gehad.

Uit het rapport ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ van dr. Soerdjbalie-Maikoe d.d. 23 mei 2011 blijkt dat op basis van de sectiebevindingen geen aanwijsbare oorzaak is gevonden voor de massale verslikking.

Bij het toxicologisch onderzoek d.d. 11 mei 2011 werd alcohol aangetoond in het bloed en de urine van [slachtoffer 1]. Volgens de toxicoloog kan de aangetoonde concentratie daarvan aanleiding geven tot misselijkheid en braken, hetgeen een rol gespeeld kan hebben bij het verslikken.

De gefixeerde houding waarin [slachtoffer 1] zou zijn vastgehouden, kan de massale verslikking hebben doen ontstaan of doen verergeren. Hierbij dient te worden opgemerkt dat hoewel er inwendig in de hals van [slachtoffer 1] geen ander letsel werd aangetroffen dan een kleine bloeduitstorting laag in de halsspieren bij de overgang naar het borstbeen en er bij het toxicologisch onderzoek geen aanwijzing is verkregen voor schade aan de schildklier, samendrukkend geweld op de hals niet kan worden uitgesloten. Daarom dient rekening te worden gehouden met positionele asphyxie en samendrukkend geweld op de hals als bijkomende oorzaak of oorzaken voor de verstikking.

Naar aanleiding van voormelde rapportages werden door de officier van justitie schriftelijk aanvullende vragen gesteld. Bij de beantwoording van deze vragen heeft dr. Soerdjbalie-Maikoe aangegeven dat het goed mogelijk is dat door de toegepaste gefixeerde houding de massale verslikking is ontstaan of verergerd, hetgeen uiteindelijk obstructie van de luchtwegen, verstikking en de dood tot gevolg heeft gehad.

De deskundige dr. Soerdjbalie-Maikoe heeft ter zitting haar bevindingen toegelicht.

Bij [slachtoffer 1] is een grote hoeveelheid voedsel in de luchtpijp terecht gekomen, men spreekt dan van een massale verslikking. Het is mogelijk dat een dergelijke hoeveelheid voedsel in één keer in de luchtpijp terecht komt. De verstikking door de massale verslikking kan erg snel gaan.

De consumptie van alcohol is hierop van invloed nu de dempende werking van een stof als alcohol de correctiemechanismen zoals hoesten kan onderdrukken. Dit is afhankelijk van de hoeveelheid van deze stof in het lichaam. De hoeveelheid alcohol zoals deze werd aangetroffen in het bloed en de urine van [slachtoffer 1] kan geleid hebben tot verwardheid, verwijde pupillen, misselijkheid en braken en kan ertoe geleid hebben dat [slachtoffer 1] niet meer adequaat op de verslikking heeft kunnen reageren.

Ook elke vorm van fixatie vanaf het niveau van de maag tot alles daarboven, zoals in dit geval de nekklem, kan (mede) geleid hebben tot de massale verslikking.

Uit het sectieonderzoek is echter niet vast te stellen of de massale verslikking alleen is ontstaan door het gebruik van de alcohol, alleen door de nekklem of door een combinatie van deze omstandigheden. Het is theoretisch mogelijk dat de massale verslikking en de daarop volgende verstikking alleen is veroorzaakt door het gebruik van deze hoeveelheid alcohol, maar in de praktijk komt dat weinig voor.

Het is niet bekend hoe snel de dood intreedt nadat de massale verslikking is ontstaan. De inschatting van de deskundige is dat dit vier tot acht minuten kan duren.

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte verwijtbaar onvoorzichtig, onachtzaam of nalatig heeft gehandeld en, zo ja, of er een causaal verband bestaat tussen dit handelen en het overlijden van [slachtoffer 1].

De eerste tussenvraag die zich dan aandient, is de vraag of de aanhouding van [slachtoffer 1] door verdachte rechtmatig is geweest. De rechtbank stelt in dat kader vast dat verdachte een medewerkster van de kiosk heeft horen roepen dat [slachtoffer 1] moest blijven staan en hij heeft hem vervolgens zien wegrennen. Op basis van deze informatie mocht verdachte ervan uitgaan dat [slachtoffer 1] zich mogelijk schuldig had gemaakt aan winkeldiefstal. Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de aanhouding rechtmatig was.

De volgende vraag is of het bij de aanhouding toegepaste geweld, te weten het aanleggen van de nekklem, in overeenstemming was met de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. De rechtbank overweegt dat [slachtoffer 1] geen gehoor gaf aan het verzoek om het bier terug te geven en in plaats daarvan wegvluchtte. Om [slachtoffer 1] te kunnen aanhouden was daarom fysiek ingrijpen nodig. Uit het dossier blijkt dat het verdachte was die [slachtoffer 1] als eerste wist te bereiken, zijn [collega] kwam pas later ter plaatse. Hieruit is af te leiden dat op het moment van de aanhouding geen sprake was van een getalsmatig overwicht. Daarnaast beschikte verdachte niet over enig geweldsmiddel zoals bijvoorbeeld handboeien. Daarbij komt nog dat verdachte niet wist met wat voor persoon hij van doen had. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de wijze van handelen van verdachte, te weten het naar de grond werken van [slachtoffer 1] en het fixeren van [slachtoffer 1] door middel van een nekklem, op het moment van de aanhouding niet strijdig was met de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit.

Op een bepaald moment werd dit anders. Uit het dossier blijkt dat [slachtoffer 1] zich reeds vanaf het begin van de aanhouding niet heeft verzet. Verdachte verklaarde zelfs dat [slachtoffer 1] vanaf het begin taal noch teken gaf. Ook kwam korte tijd na de aanhouding van [slachtoffer 1] zijn [collega] ter plaatse. Verdachte is [slachtoffer 1] echter steeds op dezelfde manier in bedwang blijven houden. De rechtbank is van oordeel dat op een bepaald moment een heroverweging had moeten plaatsvinden in die zin dat [slachtoffer 1] ook op een andere manier in bedwang gehouden had kunnen worden. Dit is niet gebeurd. De rechtbank overweegt hierbij dat verdachte heeft verklaard dat hij vanuit een eerder gevolgde IBT-opleiding nog wist dat men voorzichtig moet omgaan met het toepassen van een nekklem. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het in stand houden van de nekklem op een bepaald moment niet meer verenigbaar was met de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. Verdachte heeft op dat moment verwijtbaar onvoorzichtig en onachtzaam gehandeld door de nekklem te blijven toepassen.

De vraag die de rechtbank ten slotte dient te beantwoorden, is of het verwijtbare gedrag van verdachte de oorzaak is geweest van het overlijden van [slachtoffer 1].

Hiervoor is doorslaggevend of het overlijden van [slachtoffer 1] redelijkerwijs als gevolg van het fixeren van die [slachtoffer 1] door middel van een nekklem kan worden toegerekend aan verdachte. Voor redelijkerwijs toerekenen is ten minste vereist dat dit gedrag een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid, alsmede dat aannemelijk is dat het gevolg met aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door verdachte is veroorzaakt. Daarbij kan worden betrokken in hoeverre aannemelijk is geworden dat andere, niet aan de gedraging van verdachte gerelateerde oorzaken, zoals in dit geval de aanwezigheid van alcohol in het bloed en de urine van [slachtoffer 1], tot dat gevolg zouden kunnen hebben geleid.

De rechtbank overweegt dat [slachtoffer 1] is overleden als gevolg van massale verslikking, welke een obstructie van de luchtwegen tot gevolg heeft gehad. Uit de rapportages van het NFI en de aanvullende vragen die zowel schriftelijk als ter zitting zijn gesteld aan de deskundige, blijkt dat niet is vast te stellen op welk moment de massale verslikking is opgetreden. Nu hierover geen duidelijkheid bestaat, kan niet worden vastgesteld of de massale verslikking reeds was opgetreden op het moment dat het toepassen van de nekklem nog in overeenstemming was met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit (en er dus geen sprake was van verwijtbaar handelen) of op het moment dat dit niet langer het geval was. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet kan worden gezegd dat een verwijtbaar handelen van verdachte de oorzaak is geweest van het ontstaan van de massale verslikking die [slachtoffer 1] uiteindelijk fataal is geworden. Deze verslikking was immers mogelijk al opgetreden bij aanvang van de aanhouding of kort erna.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte schuldig is geweest aan het overlijden van [slachtoffer 1] en zal verdachte dan ook vrijspreken van dit feit.

5 De benadeelde partij

De [Benadeelde partij] vordert een schadevergoeding van

€ 10.540,16 voor het ten laste gelegde feit.

Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

6 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde feit;

Benadeelde partijen

- verklaart de [Benadeelde partij] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de [Benadeelde partij] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. Ebben, voorzitter, mr. Prenger en mr. Kneepkens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van den Muijsenberg, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 20 december 2013.

Mr. Kneepkens is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.