Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:9741

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
24-01-2014
Zaaknummer
AWB-12_2261
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BPM taxivrijstelling (12/2261 tot en met 12/2288)

Belanghebbende heeft 28 taxi’s overgenomen van een bedrijf dat failliet is (verkoper). Verkoper had destijds ineens BPM terugontvangen. Aan verkoper zijn naheffingsaanslagen opgelegd ter zake van de achteraf bezien teveel terugontvangen BPM. Verkoper heeft geen bedragen voldaan op de naheffingsaanslagen. Belanghebbende verzoekt om teruggaaf van BPM en beroept zich op de Leidraad BPM 2006 (bij ingebruikname van de taxi’s door belanghebbende reeds vervallen). De rechtbank acht de tekst van artikel 16, vijfde lid van de Wet BPM duidelijk en oordeelt dat deze moet prevaleren boven de Leidraad BPM 2006. Omdat verkoper niets heeft voldaan op de naheffingsaanslagen, krijgt belanghebbende geen BPM terug.

Wetsverwijzingen
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, geldigheid: 2014-01-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-0247
V-N Vandaag 2014/166
V-N 2014/9.19.3
Rolleman annotatie in NTFR 2014/1356

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummers: AWB 12/2261 tot en met 12/2288,

uitspraak van 17 december 2013

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [plaats X],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de inspecteur van 1 mei 2012 op de bezwaren van belanghebbende tegen achtentwintig beschikkingen, gedagtekend 1 maart 2012, op verzoeken, op grond van artikel 16, eerste lid van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet BPM), om teruggaaf van BPM.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2013 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Middelburg en namens de inspecteur, [verweerder]. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift met deze uitspraak aan partijen wordt toegestuurd.

1 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2 Gronden

2.1.

[verkoopster] (hierna: verkoopster) heeft 28 auto’s (hierna: de auto’s) geleased van [leasemaatschappij] (hierna: de leasemaatschappij). De auto’s zijn op 4 augustus 2008 op naam van verkoopster gesteld in het kentekenregister en door haar als taxi in gebruik genomen. Op grond van artikel 16 van de Wet BPM heeft verkoopster ineens volledige teruggaaf van de op de auto’s rustende BPM ontvangen. Op [datum] 2010 is het faillissement van verkoopster uitgesproken.

De leasemaatschappij heeft de auto’s op 19 oktober 2010 teruggenomen en op 10 december 2010 aan belanghebbende geleased. De auto’s zijn op diezelfde datum in het kentekenregister geregistreerd op naam van belanghebbende. Verkoopster en belanghebbende hebben niet gekozen voor de doorschuifregeling van artikel 16, achtste lid van de Wet BPM. Op grond van artikel 16, zesde lid van de Wet BPM zijn naheffingsaanslagen aan verkoopster opgelegd voor de periode waarover zij, achteraf bezien, teveel BPM heeft terugontvangen. Deze naheffingsaanslagen zijn nooit betaald.

2.2.

De inspecteur heeft aan belanghebbende nihilbeschikkingen afgegeven. Belanghebbende stelt dat zij, op grond van artikel 16, eerste en vierde lid van de Wet BPM, ter zake van de auto’s recht heeft op teruggaaf van de door verkoopster verschuldigde BPM. Zij stelt verder dat artikel 16, vijfde lid van de Wet BPM niet van toepassing is, omdat de datum van het ontstaan van de aanspraak op teruggaaf overeenkomt met de datum van registratie, zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid van de Wet BPM. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat artikel 16, vijfde lid van de Wet BPM wel toegepast moet worden en dat geen recht bestaat op enige teruggaaf nu verkoopster in het geheel geen bedragen heeft voldaan op de aan haar opgelegde naheffingsaanslagen.

2.3.

De rechtbank overweegt dat in artikel 16, vierde lid van de Wet BPM is bepaald dat de aanspraak op teruggaaf van BPM ontstaat op het tijdstip waarop aan de voorwaarden en beperkingen voor teruggaaf als bedoeld in het eerste lid wordt voldaan. Nu belanghebbende om teruggaaf heeft verzocht, is dat voor haar op 10 december 2010, de datum waarop zij de auto’s heeft geleased en deze op haar naam in het kentekenregister zijn gesteld. Aangezien deze datum is gelegen ná de eerste inschrijving van de auto’s in het kentekenregister door verkoopster, is artikel 16, vijfde lid van de Wet BPM wel van toepassing op de verzoeken om teruggaaf van belanghebbende.

2.4.

Op grond van artikel 16, eerste lid van de Wet BPM bestaat voor taxi’s, indien aan bepaalde voorwaarden voldaan wordt, recht op “teruggaaf van belasting”. Naar het oordeel van de rechtbank kan, grammaticaal gezien, alleen sprake zijn van een teruggaaf voor zover eerst een bedrag betaald is. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen reden om in dit geval van deze duidelijke wettekst af te wijken. Dat de wet zo uitgelegd dient te worden blijkt naar het oordeel van de rechtbank tevens uit de wijze waarop artikel 16, vijfde lid van de Wet BPM is geredigeerd. Hierin staat dat bij het vaststellen van het bedrag van de teruggaaf eerdere teruggaven in mindering gebracht moeten worden, “voor zover de eerder teruggegeven bedragen niet later alsnog als verschuldigde belasting zijn voldaan”. Het gaat aldus bij de toepassing van artikel 16, vijfde lid van de Wet BPM niet slechts om teruggaaf van eerder verschuldigde belasting, maar om teruggaaf van eerder verschuldigde belasting, die ook is voldaan. Nu ter zake van de auto’s geen BPM is voldaan bestaat op grond van de duidelijke tekst van de wet naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen recht op teruggaaf.

2.5.

Belanghebbende beroept zich hier tegenover op paragraaf 11.8.6 uit de Leidraad BPM van 12 september 2006, nr. CPP2006/1980M (hierna de Leidraad; vervallen per 16 juni 2010) en stelt dat de betreffende passage tot de conclusie leidt dat zij aanspraak heeft op het bedrag aan BPM waarvoor aan verkoopster naheffingsaanslagen zijn opgelegd. Daarbij zou het niet uitmaken of en in hoeverre verkoopster betalingen heeft verricht op de naheffingsaanslagen. Naar de rechtbank begrijpt doet zij hiermee een beroep op het door de Leidraad opgewekte in rechte te honoreren vertrouwen. Het betreft de volgende passage:

“Als de kentekenhouder/verkoper en de koper geen verzoek doen om toepassing van de doorschuifregeling, heeft de nieuwe taxiondernemer in beginsel aanspraak op de belasting die door de verkoper op aangifte wordt c.q. is voldaan, dan wel waarvoor aan de kentekenhouder/verkoper ter zake van het belastbaar feit een naheffingsaanslag is opgelegd.”

Deze passsage komt niet meer voor in het Kaderbesluit BPM van 14 december 2010 (nr. DGB/2010/7686M) dat de opvolger vormt van de Leidraad, maar daarmee is volgens de Staatssecretaris geen inhoudelijke wijziging beoogd.

2.6.

De rechtbank is van oordeel dat deze passage uitgelegd dient te worden in de context van het bepaalde in artikel 16 van de Wet BPM en in de context van de systematiek van de Wet BPM. Hiervan uitgaande kan de betreffende passage in redelijkheid niet anders gelezen worden dan dat slechts recht bestaat op teruggaaf van belasting die door de verkoper op aangifte dan wel op basis van een opgelegde naheffingsaanslag is voldaan. Deze uitleg stemt eveneens overeen met een aantal andere passages in de Leidraad waarin steeds over teruggaaf van betaalde belasting gesproken wordt (zie met name paragraaf 11.8.1 van de Leidraad). Voor zover al enige twijfel over de uitleg zou kunnen bestaan dient, ook in het kader van het al of niet gewekte vertrouwen, aan een uitlegging in overeenstemming met de wet de voorkeur te worden gegeven (vergelijk: Hoge Raad 4 juni 1980, nr. 19 058, gepubliceerd in onder meer BNB 1980/218). Dit houdt in dat het door belanghebbende gedane beroep op de Leidraad wordt afgewezen.

2.7.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende dus slechts recht op teruggaaf van BPM voor zover deze door verkoopster daadwerkelijk op de naheffingsaanslagen is betaald. Nu er tot op heden door de verkoopster in het geheel geen betalingen zijn gedaan op de naheffingsaanslagen heeft belanghebbende dan ook geen recht op teruggaaf van BPM.

2.8.

Belanghebbende wijst tot slot op de uitspraak van het gerechtshof te

’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2008, nr. 07/00100, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHSHE:2008:BF9940 en stelt dat hieruit blijkt dat ter zake van een uit een faillissement aangeschafte auto wel degelijk BPM kan worden teruggevraagd en dat deze ook wordt verleend.

2.9.

De rechtbank overweegt dat ter zake van een uit een faillissement aangeschafte auto inderdaad BPM kan worden teruggevraagd. Deze BPM dient dan, gelet op het overwogene in 2.7, wel door de gefailleerde te zijn betaald. Voor het overige gaat de vergelijking met de door belanghebbende genoemde uitspraak van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch naar het oordeel van de rechtbank niet op. In die casus was namelijk door de inspecteur het in rechte te beschermen vertrouwen gewekt dat teruggaaf van BPM zou worden verleend. Dat ook in het onderhavige geval in rechte te beschermen vertrouwen zou zijn gewekt door de inspecteur, is gesteld noch aannemelijk geworden.

2.10.

Gelet op het vorenstaande, is het beroep ongegrond verklaard.

2.11.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 17 december 2013 door mr. drs. M.M. de Werd, rechter en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. P. Tuna, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.