Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:9704

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
02 812527-13 en 09 925373-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte een studente heeft verkracht in haar eigen woning onder bedreiging van een mes en legt voor deze brute verkrachting een gevangenisstraf van 5 jaar op

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummers: 02/812527-13 + 09/925373-09

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 december 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

gedetineerd in het huis van bewaring De Boschpoort te Breda

raadsvrouw mr. Friperson, advocaat te ‘s-Gravenhage

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 november 2013, welke behandeling is voortgezet op 26 november 2013, waarbij de officier van justitie, mr. Gimbrère, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter zitting is gesloten op 3 december 2013. Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht terzake dat

hij op of omstreeks 03 januari 2013 te Breda door geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en)[slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een)

handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte

- meermalen, althans eenmaal zijn penis en/of vinger(s) in de vagina van die

[slachtoffer] geduwd/gebracht en/of

- meermalen, althans eenmaal zijn penis en/of vinger(s) in de anus van die

[slachtoffer] geduwd/gebracht en/of

- meermalen, althans eenmaal zijn penis in de mond van die [slachtoffer]

geduwd/gebracht

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging

met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- een mes op de keel van die [slachtoffer] heeft geduwd/gedrukt en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) heeft vastgepakt en/of

- de mond van die [slachtoffer] heeft dichtgehouden en/of

- die [slachtoffer] tegen haar wil heeft meegevoerd naar haar woning en/of

- die [slachtoffer] heeft gedwongen te knielen en/of

- die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd: "als we boven komen en er is toch

iemand, dan vermoord ik je" en/of "Shut the fuck up" en/of "Stop crying",

althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of (aldus) voor die

[slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

art 242 Wetboek van Strafrecht.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem tenlastegelegde verkrachting van[slachtoffer]. Aangeefster heeft uitgebreid verklaard over hetgeen haar is overkomen. De officier van justitie acht deze verklaringen betrouwbaar. In dat verband wordt onder meer gewezen op het feit dat de verklaring van [slachtoffer] wordt geobjectiveerd. Bij [slachtoffer] is letsel geconstateerd hetgeen blijkt uit de letselbeschrijving van de forensisch arts en foto’s die zich in het dossier bevinden. Voorts is uit onderzoek gebleken dat hetgeen [slachtoffer] heeft verklaard over haar bezigheden die dag precies overeenkomt met de bevindingen van de politie. Uit de getuigenverklaringen van [getuige] en [getuige 2] en[getuige 3] blijkt dat aangeefster overstuur was. De situatie zoals aangetroffen door de politie kort na de melding bevestigt het verhaal van [slachtoffer]. Ook de zoektermen die [slachtoffer] op 4 en 9 januari 2013 op internet heeft ingegeven op haar computer sluiten hier bij aan. Uit DNA-onderzoek is gebleken dat verdachte de dader is geweest. Diens verklaring dat er sprake is geweest van vrijwillig seksueel contact acht de officier van justitie onaannemelijk. Verdachte heeft diverse malen kennelijk leugenachtig verklaard en uit onderzoek aan zijn laptop is gebleken dat hij heeft gezocht op zoektermen als “[zoektermen]”. Uit de vastgestelde tijdlijn blijkt dat aangeefster om 16:24 uur op camerabeelden van de Axischoen alleen wordt gezien. Om 17:00 uur heeft zij haar buurjongen via een facebookbericht om hulp gevraagd. De officier van justitie acht het volstrekt onaannemelijk dat er binnen dit half uur sprake is geweest van vrijwillige seks op de wijze zoals dit door verdachte is geschetst.

Ten aanzien van het door de verdediging gevoerde DNA-verweer stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat nu er sprake is geweest van een vrijwillige DNA-afname deze het gehele politieonderzoek beslaat. Dat verdachte destijds is vrijgesproken voor het feit van artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht doet niet terzake. Op grond van artikel 16 van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken zoals het destijds luidde, is het DNA rechtmatig in de databank terecht gekomen en mocht het daar ook in opgenomen blijven.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat het DNA van verdachte ten onrechte opgeslagen is gebleven in de DNA databank en dat er daarom sprake is geweest van een vormverzuim. [verdachte] is als verdachte aangemerkt naar aanleiding van een DNA-match. Het DNA van verdachte is op 5 juni 2009 in de DNA databank opgeslagen. Verdachte is destijds vrijgesproken van een poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving. Wel is hij veroordeeld voor schennispleging en bedreiging. Schennispleging is geen feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, zodat voor de veroordeling voor dit feit geen DNA mocht worden opgeslagen. Weliswaar is bedreiging wel een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, maar op grond van de wettelijke bepalingen zoals die omstreeks oktober 2009 golden, diende het opgeslagen DNA profiel van verdachte te worden vernietigd. Hierbij wordt gewezen op de Wet DNA onderzoek bij veroordeelden (hierna: Wet DNA) alsmede het besluit DNA onderzoek in strafzaken. Nu het DNA ten onrechte opgeslagen was en is nagelaten dit te vernietigen is er naar de mening van de raadsvrouw sprake van een vormverzuim en dienen de resultaten van het DNA onderzoek alsmede de naar aanleiding daarvan verkregen verklaringen van verdachte te worden uitgesloten van het bewijs. Dit betekent dat verdachte moet worden vrijgesproken vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken vanwege het ontbreken van de overtuiging dat hij het feit heeft gepleegd. De wijze waarop aangeefster haar verklaring heeft afgelegd, zonder daarbij emoties te tonen, is opmerkelijk. Ook opvallend is dat aangeefster heeft verklaard dat zij meerdere keren heeft gegild, hetgeen niet is gehoord door de medebewoners van het gehorige wooncomplex. Ten aanzien van het letsel is onvoldoende komen vast te staan dat dit het gevolg is geweest van de gestelde verkrachting. Voorts acht de raadsvrouw het opmerkelijk dat de compositietekening grote gelijkenissen vertoont met verdachte, terwijl aangeefster heeft verklaard dat zij de dader niet heeft mogen aankijken. Daarbij heeft zij een goede omschrijving van de jas van verdachte gegeven, hetgeen er op zou kunnen wijzen dat er een andersoortig, vriendelijker contact is geweest tussen verdachte en de aangeefster. Ook het feit dat uit het dossier blijkt dat verdachte geen vluchtgedrag heeft vertoond wijst hier op. Verdachte wist immers dat zijn DNA was opgenomen in de DNA databank. Dit alles leidt de raadsvrouw tot de conclusie dat ook de overtuiging ontbreekt dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd, zodat vrijspraak moet volgen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Allereerst ligt het door de verdediging gevoerde DNA-verweer ter beoordeling aan de rechtbank voor. Onder [slachtoffer] zijn diverse goederen in beslag genomen voor medisch forensisch onderzoek. De verkregen sporen zijn veiliggesteld en onderworpen aan een DNA onderzoek door het Nederlands forensisch Instituut (NFI). Het daaruit verkregen DNA profiel is vergeleken met de in de DNA databank aanwezige profielen. Dit leverde een match op met het in de DNA-databank aanwezige referentiemonster van verdachte. Dit referentiemonster is op 5 juni 2009 opgenomen in de databank, in verband met de strafzaak tegen verdachte met parketnummer 09/925373-09.

Uit de stukken volgt dat het referentiemonster op 30 april 2009 is afgenomen in het kader van een verdenking ter zake van (een poging tot) wederrechtelijke vrijheidsberoving. Kort daarna ontstond eveneens een verdenking jegens verdachte betreffende schennispleging en bedreiging. Het laatste betreft een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.

Het referentiemonster omvat dus zowel de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving als de bedreiging, welke beide feiten zijn ten laste gelegd onder parketnummer 09/925373-09. Verdachte is bij vonnis van 21 oktober 2009 (onherroepelijk geworden op 5 november 2009) veroordeeld ter zake onder andere bedreiging.

Als er uitgegaan wordt van de juistheid van de stellingen van de raadsvrouw zoals die aan het verweer ten grondslag zijn gelegd, dan is de rechtbank met de verdediging en de officier van justitie van oordeel dat dit in ieder geval niet de conclusie kan dragen dat dit een zodanig vormverzuim oplevert als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Evenmin, maar anders dan de verdediging betoogt, kan het gestelde vormverzuim door de verdediging, zo daar sprake van is, tot de gevolgtrekking leiden dat in onderhavige zaak een belangrijk strafvorderlijk voorschrift in zodanig mate is geschonden dat zowel de DNA onderzoeksresultaten als de verklaringen van verdachte dienen te worden uitgesloten van het bewijs.

Voorgaande brengt met zich dat er geen reden is voor bewijsuitsluiting. Het verweer ter zake het DNA wordt verworpen.

Op 3 januari 2013 om 17.08 uur1 is er bij de politiemeldkamer een telefonische melding binnen gekomen van een vrouw die meldt dat haar buurvrouw is verkracht.2 Het slachtoffer is [slachtoffer]. [slachtoffer] verklaarde dat zij in haar eigen woning aan de[adres] is verkracht onder bedreiging van een mes.3 In haar aangifte heeft zij verklaard dat zij op 3 januari 2013 is gaan winkelen.4 Bij thuiskomst stond zij in de hal van het studentenhuis toen er iemand op de deur tikte. Zij heeft de deur opengedaan, waarna er een man binnen kwam die haar vanachter vast pakte en een mes tevoorschijn haalde. De man hield het mes tegen haar keel en dwong haar te knielen. Toen aangeefster gilde hield hij met zijn hand haar mond dicht, waarbij hij zei: “Shut the fuck up.” De man vroeg haar waar ze woonde en of ze alleen was. [slachtoffer] gaf aan dat ze boven woonde, waarop de man zei: “Als we boven komen en er is toch iemand, dan vermoord ik je.” De man bleef steeds achter haar en hield het mes bij haar keel. In haar woning aangekomen moest zij op haar bed gaan liggen. De man bond haar handen vast en dwong haar hem te pijpen. Hierna voelde hij met zijn vingers in haar vagina en drong met zijn penis haar vagina binnen. Ook ging hij met zijn penis anaal bij haar binnen. Toen zij hierbij huilde en gilde zei de man: “Shut the fuck up” en “Stop crying”. Hierna pakt hij haar aan haar hoofd en haar haren en trok haar van het bed af. De man dwong [slachtoffer] zich te douchen, waarbij zij haar benen, vagina en anus moest schoon maken. Hij dwong haar haar vingers in haar anus te stoppen en deed ook zelf zijn vingers in haar anus. Hierna is de man weg gegaan. [slachtoffer] is uit de douche gestapt en heeft met haar telefoon een facebook berichtje naar haar buurman gestuurd5. [getuige] is na het berichtje van [slachtoffer] meteen naar haar toegegaan en trof een huilende [slachtoffer] aan.6 [slachtoffer] vertelde hem dat zij was verkracht door een man met een mes. Hij was bij haar zo’n twee minuten nadat de man was weggegaan. [slachtoffer] was erg aan het huilen en kon daardoor niet zo veel zeggen. De zus van [getuige],[getuige 2], eveneens woonachtig op het appartementencomplex, is ook naar [slachtoffer] gegaan.7 Zij zag dat [slachtoffer] huilde en er uitzag of dat ze net had gedoucht. Ditzelfde is waargenomen door [getuige 3], de vriendin van medebewoner[naam medebewoner].8 Toen zij naar beneden liep zag zij op de eerste verdieping een meisje dat overstuur was en huilde. [slachtoffer] heeft dezelfde avond nog een medisch forensisch onderzoek ondergaan.9 Hierbij heeft de forensisch arts kleine blauwe plekken waargenomen op de binnenzijde van de benen van [slachtoffer], ter hoogte van haar knieën. Door de moeder van [slachtoffer] worden eveneens blauwe plekken op de bovenbenen waargenomen10, welke zij heeft gefotografeerd.11 Nadat het sporenonderzoek door de politie was verricht vond [slachtoffer] in haar woning een joggingbroek met een knoop erin.12 Omdat zij vermoedde dat deze broek tijdens de verkrachting om haar polsen was gebonden, heeft zij de broek aan de politie overhandigd. De Unit Forensisch Technisch Onderzoek (hierna: UFTO) heeft de joggingbroek [AAFP5302NL] op diverse plaatsen bemonsterd.13 Uit de bemonsteringen AAFP5302NL#01, #03, #04 en #05 werd een autosomaal DNA-profiel van twee personen verkregen, waarvan één man en één vrouw. Op 8 januari 2013 werd van [slachtoffer] ten behoeve van het DNA-onderzoek wangslijmvlies afgenomen, verpakt, gewaarmerkt en verzegeld onder het SIN-nummer RAAS8394NL.14 Na onderzoek bleken de bemonsteringen AAFP5302NL#01, #03, #04 en #05 te matchen met het DNA-profiel van [slachtoffer] en het DNA-profiel van een man opgeslagen in de DNA-databank voor strafzaken, te weten [verdachte], geboren op [geboortedatum] (de rechtbank begrijpt: 1965).15

Mostert wordt op 11 februari 2013 aangehouden en in verzekering gesteld. Hierbij wordt onder meer een laptop in beslaggenomen.16 Uit onderzoek door de digitale recherche blijkt dat op 7 en 8 januari 2013 door de gebruiker van de laptop is gezocht naar “[zoektermen]”.17 Op 8 januari 2013 is een internetpagina aangeroepen van www.bredavandaag.nl “studente is slachtoffer van een [zoektermen]”. Er werden eveneens zoekwoorden aangetroffen die door de gebruiker waren ingevoerd, waaronder “straffen + voor + verkrachting”. Verdachte heeft bij de politie bevestigd dat hij in Breda is geweest.18 Dit wordt bevestigd in het onderzoek aan de onder hem in beslaggenomen bankpas waaruit is gebleken dat verdachte op 3 januari 2013 bij café Vullings op de Grote Markt in Breda twee glazen whiskey heeft afgerekend en bij café Hart van Breda, eveneens op de Grote Markt in Breda, op twee verschillende tijdstippen in totaal tien glazen whiskey heeft afgerekend.19

De rechtbank acht op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem ten laste gelegde verkrachting. De rechtbank ziet geen enkele aanleiding te twijfelen aan de verklaringen van aangeefster. Aangeefster is diverse malen langdurig, op indringende wijze gehoord. Zij is daarbij steeds consistent geweest in haar verklaringen. Deze verklaringen vinden steun in de overige bevindingen van de politie. De verklaring die verdachte op de zitting heeft afgelegd, te weten dat er sprake zou zijn geweest van vrijwillig seksueel contact, acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig. Zij neemt daarbij in aanmerking dat verdachte deze verklaring pas na negen maanden, dus nadat hij kennis heeft kunnen nemen van het volledige dossier, heeft afgelegd. Het feit dat, zoals verdachte zelf aangeeft, hij geen vertrouwen heeft in het openbaar ministerie en dat dat de reden van het zwijgen zou zijn, doet aan voorgaande niet af en is geen afdoende verklaring voor verdachtes proceshouding. Uit het onderzoek van de politie blijkt dat het slachtoffer op 3 januari 2013 om 16.24 uur nog is waargenomen op camerabeelden van Axi schoen.20 Om 17.00 uur heeft zij haar huisgenoot[getuige] om hulp verzocht.21 Dat er binnen dit korte tijdsbestek sprake is geweest van een vrijwillig seksueel contact tussen aangeefster en een haar volledig onbekende, vele jaren oudere voorbijganger, die reeds de nodige glazen whiskey had geconsumeerd, en waarbij er over betaling is onderhandeld, acht de rechtbank onaannemelijk. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de zoektermen op de computer van verdachte, kort na het gebeuren, geenszins aansluiten bij de gang van zaken zoals verdachte deze heeft geschetst.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

hij op of omstreeks 03 januari 2013 te Breda door geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere

feitelijkhe(i)d(en)[slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een)

handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte

- meermalen, althans eenmaal zijn penis en/of vinger(s) in de vagina van die

[slachtoffer] geduwd/gebracht en/of

- meermalen, althans eenmaal zijn penis en/of vinger(s) in de anus van die

[slachtoffer] geduwd/gebracht en/of

- meermalen, althans eenmaal zijn penis in de mond van die [slachtoffer]

geduwd/gebracht

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging

met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte

- een mes op de keel van die [slachtoffer] heeft geduwd/gedrukt en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) heeft vastgepakt en/of

- de mond van die [slachtoffer] heeft dichtgehouden en/of

- die [slachtoffer] tegen haar wil heeft meegevoerd naar haar woning en/of

- die [slachtoffer] heeft gedwongen te knielen en/of

- die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd: "als we boven komen en er is toch

iemand, dan vermoord ik je" en/of "Shut the fuck up" en/of "Stop crying",

althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking en/of (aldus) voor die

[slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 4 jaar en de maatregel van TBS met dwangverpleging.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verwijst naar de oriëntatiepunten van het LOVS waarbij als uitgangspunt geldt een gevangenisstraf van 24 maanden. De raadsvrouw verzoekt vervolgens bij de strafoplegging rekening te houden met het door haar geconstateerde vormverzuim.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de verkrachting van[slachtoffer] in haar eigen woning, een plaats waar zij zich veilig zou moeten kunnen voelen. Hij heeft haar gevolgd naar haar woning en haar daar onder bedreiging van een mes zowel oraal als vaginaal als anaal verkracht. Hierna heeft hij haar gedwongen zich te douchen zodat de sporen van zijn daad zouden verdwijnen. Verdachte heeft op deze zeer berekenende wijze de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer ernstig geschonden. Hij heeft hierbij kennelijk enkel rekening gehouden met zijn eigen behoeftebevrediging en geen acht geslagen op de angst, en pijn van aangeefster noch voor de verstrekkende gevolgen voor haar. Immers, naast lichamelijke pijn heeft dit ook psychisch leed met zich meegebracht, hetgeen blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een zeer ernstig misdrijf dat een gevangenisstraf van aanzienlijke duur rechtvaardigt.

Om tot oplegging van een maatregel van TBS te kunnen komen dient bij verdachte ten tijde van het begaan van het feit sprake te zijn van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, zoals is bepaald in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht.

Verdachte heeft zijn medewerking aan het onderzoek in het PBC slechts in beperkte mate verleend. Zo heeft hij geen toestemming verleend om informatie bij Ambulant forensisch centrum De Waag op te vragen noch is toestemming gegeven om zich testpsychologisch te laten onderzoeken. Evenmin is door verdachte gesproken over de gebeurtenissen ten tijde van het plegen van het delict. Dit bracht de onderzoekers van het PBC tot de conclusie dat, mede vanwege de beperkingen in het onderzoek, geen psychopathologie kan worden vastgesteld, in tegenstelling tot eerdere rapporteurs. Evenmin kon zicht worden verkregen op het functioneren van verdachte in die periode met betrekking tot het eventuele onderliggende intrapsychische dynamiek en motieven en de rol van eventueel middelengebruik.

Ter terechtzitting van 26 november 2013 hebben de gedragsdeskundigen psychiater Fluit en psycholoog Muller van het PBC de door hen opgestelde rapportage toegelicht. Door hen is verklaard dat hoewel het rapport beperkingen kende, er wel veel is onderzocht, maar dat dit niet leidde tot de conclusie dat bij verdachte sprake is van psychopathologie. Door genoemde deskundigen is kennis genomen van de door Boelens en Foeken in 2009 opgemaakte rapporten omtrent verdachte, waarin deze tot de conclusie kwamen dat er sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Dit verschil van inzicht kan volgens de gedragsdeskundigen Fluit en Muller mogelijk worden verklaard door onder meer de destijds geldende situationele omstandigheden. Fluit en Muller hebben gedurende de zeven weken durende observatie niet kunnen vaststellen dat er bij verdachte sprake is van een star en duurzaam patroon die zou wijzen op het feit dat hij zou lijden aan een persoonlijkheidsstoornis.

In het geval dat de gedragsdeskundigen niet tot vaststelling van een stoornis kunnen komen, door het weigeren van medewerking danwel het in beperkte mate medewerking verlenen, dient dat nog steeds te worden vastgesteld om tot oplegging van bedoelde maatregel over te kunnen gaan. Het is alsdan aan de rechtbank om met grote behoedzaamheid een dergelijke vaststelling te doen, waarbij de rechtbank zich in zeer sterke mate moet laten leiden door de bevindingen en conclusies door gedragsdeskundigen.

Een dergelijke beslissing dient wel voldoende steun te vinden in hetgeen gedragsdeskundigen zo mogelijk wel hebben kunnen vaststellen en hetgeen de rechter verder aan feiten en omstandigheden is gebleken met betrekking tot de persoon van verdachte. Gelet op hetgeen in het voorgaande is overwogen met betrekking tot de inhoud van de opgemaakte pro justitia rapportages uit 2009 en 2013, constateert de rechtbank dat de over de persoonlijkheid van verdachte getrokken conclusies in eerdere rapportages van 2009, op wezenlijke onderdelen niet overeenkomen met de recente bevindingen van de deskundigen in onderhavige zaak. In dat verband neemt de rechtbank nadrukkelijk in aanmerking dat beide gedragsdeskundigen Fluit en Muller ter terechtzitting stellig waren in hun conclusie dat zij, ondanks de beperkingen die het onderzoek met zich meebracht, geen stoornissen bij verdachte hebben kunnen vaststellen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat bij verdachte tijdens het begaan van het feit sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De rechtbank zal derhalve geen TBS maatregel opleggen.

Ten aanzien van de duur van de op te leggen gevangenisstraf houdt de rechtbank rekening met de documentatie van verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder voor een zedendelict is veroordeeld en het feit dat hij in het PBC geen openheid heeft willen geven over de mogelijk bij hem bestaande seksuele problematiek. Gelet hierop en de ernst van het feit alsmede de hiervoor omschreven berekenende houding van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat verdachte een gevaar vormt voor de samenleving. Het enige instrument dat de rechtbank thans voorhanden heeft om de samenleving tegen verdachte te beschermen alsmede de ernst van dit feit te benadrukken is een langdurige gevangenisstraf. Al deze omstandigheden rechtvaardigen dat een hogere gevangenisstraf wordt opgelegd dan de richtlijnen voorschrijven. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het voorgaande niet kan worden volstaan met een lagere gevangenisstraf dan een gevangenisstraf van 5 jaar, met aftrek van het voorarrest.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij[slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 5.936,18.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 5.773,92 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 273,92 ter zake van materiële schade en € 5.500,-- ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf

3 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van 3 maanden die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 21 oktober 2009 ten uitvoer zal worden gelegd. Ter zitting heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank stelt vast dat de vordering tot tenuitvoerlegging op 22 november 2013 is gedateerd. Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat deze vordering te laat is gedaan, nu het onderzoek ter zitting reeds een aanvang had genomen op 11 november 2013. De officier van justitie dient derhalve in de vordering tot tenuitvoerlegging niet-ontvankelijk te worden verklaard.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 57 en 242 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Verkrachting, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Vordering tenuitvoerlegging

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in haar vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak onder parketnummer 09/925373-09;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij[slachtoffer] van € 5.773,92, waarvan € 273,92 ter zake van materiële schade en € 5.500,-- ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;(BP.09)

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer], € 5.773,92 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 63 dagen hechtenis, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 3 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.(BP.04)

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Kralingen, voorzitter, mr. Dekker en mr. Batenburg-Van Rijswijk, rechters, in tegenwoordigheid van Van Beijsterveldt, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 december 2013.

Mr. Batenburg- Van Rijswijk is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld het eindproces-verbaal met dossiernummer 2013002826 van politie Zeeland- West Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en doorgenummerd van 1 tot en met 908. Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 292.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 283.

3 Het geschrift, pagina 289

4 Het proces-verbaal van aangifte, pagina 302 t/m 338.

5 Het geschrift, pagina 454.

6 Het proces-verbaal van verhoor getuige[getuige], pagina 447.

7 Het proces-verbaal van verhoor getuige[getuige 2], pagina 456/457.

8 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 481.

9 Het proces-verbaal van bevindingen medisch forensisch onderzoek, pagina 300/301.

10 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4], pagina 421.

11 Het geschrift, pagina 366 t/m 368.

12 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 377.

13 Het proces-verbaal van de UFTO, bijlage bij het eindproces-verbaal, pagina 91.

14 Het proces-verbaal van de UFTO, bijlage bij het eindproces-verbaal, pagina 60/61.

15 Het proces-verbaal van de UFTO, bijlage bij het eindproces-verbaal, pagina 91.

16 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 88.

17 Het proces-verbaal van de Digitale Recherche, pagina 650 t/m 653 + pagina 693.

18 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 169.

19 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 557/558.

20 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 516 t/m 518.

21 Het geschrift, pagina 454.