Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:9658

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-12-2013
Datum publicatie
07-02-2014
Zaaknummer
AWB 13_4140
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikelen: 5:1, 5:19 en 5:21 Awb

handhavingstoezicht, meevoeren en opslaan van zaken, overtreding, toepassing van bestuursdwang

Indien en zolang nog niet duidelijk is of een wettelijk voorschrift wordt overtreden, is het bestuursorgaan onder omstandigheden wel bevoegd tot het meevoeren en opslaan van zaken (art. 5:19 Awb), maar niet tot toepassing van bestuursdwang (art. 5:21 Awb).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: 13/4140

uitspraak van 16 december 2014 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], h.o.d.n. ‘[naam bedrijf]’, te [woonplaats], eiser,

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2012 (hierna: bestuursdwangbeschikking) heeft verweerder medegedeeld dat op 14 september 2012 bestuursdwang is toegepast, door 680 kilo levend koraal in bewaring te nemen, met de mededeling dat de kosten van de toegepaste bestuurs-dwang op eiser zullen worden verhaald.

Op 18 november 2012 heeft eiser bezwaar tegen de bestuursdwangbeschikking gemaakt.

Bij besluit van 12 april 2013 (hierna: kostenbeschikking 1) heeft verweerder de kosten van de toegepaste bestuursdwang bepaald op een bedrag van € 10.008,55.

Krachtens artikel 5:31c, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft het bezwaar mede betrekking op kostenbeschikking 1.

Bij besluit van 17 juni 2013 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder:

(1) het bezwaar, voor zover dit is gericht tegen de bestuursdwangbeschikking, ongegrond verklaard;

(2) de bestuursdwangbeschikking in stand gelaten;

(3) het bezwaar, voor zover dit is gericht tegen kostenbeschikking 1, gegrond verklaard;

(4) kostenbeschikking 1 herroepen;

(5) de kosten van de toegepaste bestuursdwang bepaald op een bedrag van € 4.981,07 (hierna: kostenbeschikking 2).

Op 20 juli 2013 heeft eiser beroep tegen het bestreden besluit ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 4 december 2013.

Eiser en zijn echtgenote waren daarbij aanwezig.

Verweerder liet zich vertegenwoordigen door mr. [naam vertegenwoordiger] en[naam vertegenwoordiger].

Overwegingen

1.

Eiser exploiteert onder de naam ‘[naam bedrijf]’ een aquariumhandel. In dit kader importeert hij onder meer vissen en koraal.

Op 13 september 2012 is ten behoeve van eisers bedrijf een nader omschreven zending levend koraal (hierna: zending) uit Indonesië naar Nederland vervoerd. De zending is op

14 september 2012 in Nederland aangekomen. De zending bevatte enige koraalsoorten waarvoor geen zogeheten ‘CITES-vergunning’ (hierna: invoervergunning) was verleend.

Volgens verweerder handelde eiser aldus in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Flora- en Faunawet (hierna: FFW), bezien in samenhang met artikel 3, eerste lid, van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten FFW (hierna: Regeling). Verweerder beschouwde de gehele zending als illegaal, met het argument dat niet de gehele zending door een invoervergunning werd gedekt.

Het vorenstaande vormde voor verweerder aanleiding om de gehele zending direct na binnenkomst in Nederland in bewaring te nemen. Vervolgens heeft verweerder de gehele zending gedurende dertien weken opgeslagen en verzorgd. Daarna heeft verweerder de gehele zending aan een dierentuin geschonken.

Blijkens het primaire besluit heeft verweerder op 14 september bestuursdwang toegepast zonder eiser de gelegenheid tot beëindiging van de overtreding te gunnen. Uit de kosten-beschikkingen kan worden afgeleid dat de bij eiser in rekening gebrachte kosten onder

meer voortvloeien uit de opslag en verzorging van de zending gedurende de maanden september 2012 tot en met december 2012.

2.

Blijkens de gedingstukken en de behandeling ter zitting betwist eiser de recht-matigheid van zowel de bestuursdwangbeschikking als kostenbeschikking 2.

Eiser is – kort en zakelijk weergegeven – van mening dat:

( a) slechts een deel van de zending illegaal is ingevoerd;

( b) hem ten onrechte geen begunstigingstermijn is geboden;

( c) de mededeling over toepassing van bestuursdwang niet zo spoedig mogelijk op schrift is gesteld;

( d) verweerder ten onrechte tot kostenverhaal ten laste van eiser heeft besloten;

( e) voor de toepassing van bestuursdwang meer kosten dan nodig zijn gemaakt.

Eiser wil dat de rechtbank het beroep gegrond verklaart en het bestreden besluit vernietigt, en uiteindelijk dat de bestuursdwangbeschikking en kostenbeschikking 1 worden herroepen.

3.

Artikel 5:21 van de Awb verstaat onder last onder bestuursdwang: de herstel-sanctie, inhoudende (a) een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

(b) de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer

te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Artikel 5:1, eerste lid, van de Awb verstaat onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.

4.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de FFW – voor zover hier relevant – is het ver-boden planten of producten van planten binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen.

Krachtens artikel 3, eerste lid, van de Regeling geldt een vrijstelling van het verbod op het binnen het grondgebied van Nederland brengen, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de FFW, voor een aantal nader omschreven plantensoorten, als is voldaan aan het bepaalde in artikel 4 van de zogeheten ‘Basisverordening’ (Verordening EG nr.865/2006).

5.

Als een zending uitheemse planten (zoals koraal) niet door een invoervergunning wordt gedekt, kan niet zonder meer worden vastgesteld dat die zending in haar geheel illegaal is. De FFW bevat namelijk – anders dan verweerder blijkbaar veronderstelt – geen zelfstandig verbod om in afwijking van een invoervergunning te handelen. Hierbij neemt

de rechtbank in aanmerking dat voor een aantal uitheemse planten helemaal geen invoer-vergunning is vereist, gelet op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de Regeling.

Het vorenstaande heeft tot gevolg dat verweerder per individuele soort uitheemse planten moet onderzoeken of daarvoor een invoervergunning is vereist en, zo ja, of zo’n vergunning ook daadwerkelijk is verleend. Titel 5.2 van de Awb, met regels over toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften, verschaft verweerder bevoegdheden voor een onderzoek in de zojuist bedoelde zin. In dit kader wijst de rechtbank met name op het bepaalde in artikel 5:19 van de Awb. Deze bepaling staat toe dat een onder verantwoordelijkheid van verweerder werkzame toezichthouder verpakkingen opent (tweede lid) om daaruit monsters te nemen (eerste lid), en zelfs om ongeopende verpakkingen voor korte tijd mee te nemen indien monsterneming niet ter plaatse kan geschieden (vierde lid). Overigens geeft artikel 5:19 van de Awb ook rechten aan burgers die met handhavingstoezicht worden geconfronteerd, zoals een aanspraak op het laten verrichten van een contra-expertise (derde lid).

Pas als na een zorgvuldig onderzoek blijkt dat voor een individuele soort planten ten onrechte geen invoervergunning is verleend, ontstaat voor verweerder de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang ten aanzien van de betreffende soort. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat toepassing van bestuursdwang moet worden gekwalificeerd als een (op beëindiging van de illegale situatie gerichte) sanctie die voor de aangeschreven overtreder (financiële) gevolgen heeft. In dit kader wijst de rechtbank met name op het bepaalde in artikel 5:25 van de Awb. Krachtens deze bepaling komen de kosten voor toepassing van bestuursdwang als regel ten laste van de aangeschreven overtreder.

In het onderhavige geval heeft verweerder de kosten van de bewaring (waaronder het vervoeren van de zending) en de kosten van het onderzoek naar de in de zending aangetroffen koraalsoorten op eiser willen verhalen. Zoals hiervoor aangegeven is ten minste een aanzienlijk deel van deze kosten gemaakt in het kader van toezicht en niet als gevolg van toepassing van bestuursdwang.

6.

De rechtbank komt tot het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en (dus) niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van

de Awb.

De rechtbank kan het aan haar voorgelegde geschil momenteel niet definitief beslechten. Zij beschikt namelijk over onvoldoende informatie om te bepalen ten aanzien van welke soorten koraal verweerder bestuursdwang mocht toepassen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat voor sommige in opdracht van eiser vervoerde koraalsoorten weliswaar ten onrechte geen invoervergunning is verleend, maar dat de zending ook vergunningvrije en vergunde koraalsoorten bevatte.

De rechtbank ziet geen aanleiding tot toepassing van de bestuurlijke lus. Het bestreden besluit bevat namelijk diverse gebreken waarvan de omvang nog niet duidelijk is. Hierbij neemt de rechtbank allereerst in aanmerking dat de bij de bestuursdwangbeschikking gevoegde bijlage niet correspondeert met de motivering van het bestreden besluit, zodat momenteel niet met zekerheid valt te zeggen welke in opdracht van eiser vervoerde koraalsoorten illegaal waren. Verder acht de rechtbank relevant dat verweerder – naar het zich laat aanzien – ook de kosten voor het onderzoek naar de vergunningplicht van de in opdracht van eiser vervoerde koraalsoorten bij eiser in rekening heeft willen brengen. Die kosten mogen echter niet bij het kostenverhaal in de zin van artikel 5:25, eerste lid, van de Awb worden betrokken, aangezien het hier gaat om kosten voor handhavingstoezicht – in de

zin van titel 5.2 van de Awb – die uit algemene publieke middelen behoren te worden bekostigd.

Het vorenstaande heeft tot gevolg dat verweerder een nieuwe beslissing op het bezwaar

dient te nemen. Bij de nieuwe volledige heroverweging van de bestuursdwangbeschikking moet verweerder niet alleen in deze uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordelen respecteren, maar ook aandacht besteden aan de argumenten waarover de rechtbank zich nog niet heeft uitgelaten. De rechtbank zal bepalen dat verweerder binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar dient te nemen.

De rechtbank ziet reden voor toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, door kostenbeschikking 1 te schorsen. De vernietiging van het bestreden besluit heeft immers

tot gevolg dat kostenbeschikking 1 herleeft, terwijl – ook voor verweerder – buiten twijfel staat dat die beschikking onrechtmatig is.

7.

Nu de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.

De rechtbank is niet gebleken van kosten die op grond van het Besluit proceskosten be-stuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Daarom zal een proceskostenveroor-deling ten laste van verweerder achterwege blijven.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    schorst kostenbeschikking 1;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 318 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Th. Peters, rechter, in aanwezigheid van

mr. L.M. Koenraad, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.