Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:9005

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
06-12-2013
Zaaknummer
2400854-OV-VERZ-13/6225 en 2400860-OV-VERZ-13/6226
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opheffing bewind en mentorschap. Nu in de gegeven omstandigheden een effectief beheer van de financiën van rechthebbende en een behoorlijk waarnemen van haar belangen van niet-vermogensrechtelijke aard niet mogelijk is, dient voortzetting van het bewind en mentorschap geen redelijk doel. Het niet gemotiveerd reageren van het openbaar ministerie op deugdelijke verzoeken van de kantonrechter getuigt niet van zorgvuldigheid, noch jegens rechthebbende, noch jegens de bewindvoerder en mentor en al evenmin jegens de rechter.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 448
Burgerlijk Wetboek Boek 1 461
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2014/65
Prg. 2014/49

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector kanton

Locatie Tilburg

Bm.nr.: 4130

zaak/rolnr.: 2400854 OV VERZ 13-6225 en 2400860 OV VERZ 13-6226

beschikking d.d. 3 december 2013 inzake opheffing van het bewind over de goederen van, alsmede opheffing van het mentorschap over

[adres],

geboren te Tilburg op [geboortedag],

thans wonende althans verblijvende te [adres].

1 Het procesverloop

1.1

Bij beschikking van de kantonrechter te Tilburg d.d. 6 september 2010 zijn de goederen

van de rechthebbende [adres], hierna te noemen rechthebbende, geboren te Tilburg op [geboortedag], onder bewind gesteld en is voorts een mentorschap over haar ingesteld. Daarbij zijn tot bewindvoerders respectievelijk mentoren benoemd mevrouw [mentor] en de heer [mentor2], respectievelijk zus en zwager van rechthebbende.

1.2

Bij beschikking van de kantonrechter te Tilburg van 9 oktober 2012 zijn voormelde

Bewindvoerders ontslagen, omdat niet in redelijkheid kon worden gezegd dat sprake is geweest van een deugdelijke uitvoering van de aan hen opgedragen taak. Inlichtingen werden niet verstrekt, verantwoording bleef achterwege, de financiële situatie van rechthebbende bleek zorgelijk en voornemens om rechthebbende bij hen in Duitsland te laten verblijven bleken onvoldoende financieel en anderszins doordacht en onderbouwd.

1.3

Zus en zwager voornoemd zijn bij beschikking van diezelfde datum eveneens ontslagen

als mentor. Niet alleen omdat ten aanzien van verblijfs- en andere beslissingen die zij hebben genomen of wilden nemen ten aanzien van het wel en wee van rechthebbende evenzeer kon worden betwijfeld of deze wel voldoende doordacht en in het belang van rechthebbende waren, maar tevens omdat een adequaat en deugdelijke beheer van de goederen van rechthebbende, welke mede het PGB en de verantwoording daarvan omvat, niet zeer wel mogelijk werd geacht indien het mentoraat door de beide mentoren zou worden gecontinueerd, ook al was sprake van betrokkenheid van rechthebbende op hen en omgekeerd.

1.4

In hun plaats zijn vervolgens de heer [naam], werkzaam bij Oisterwijk

Bewindvoering, adres houdende te 5060 AD Oisterwijk, Postbus 187 en de heer [naam2], werkzaam onder de naam ACR Affairs, adres houdende te 4801 EC Breda, Postbus 5731, benoemd tot respectievelijk bewindvoerder en mentor.

1.5

Het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft bij beschikking van 18 april 2013 de

ontslagbeschikking van de kantonrechter, voor zover betrekking hebbend op het mentorschap bekrachtigd. Tegen hun ontslag als bewindvoerders, het hof heeft vastgesteld dat zij op meerdere punten in hun taak zijn tekortgeschoten, zijn de zus en zwager voornoemd niet opgekomen.

1.6

Sinds hun benoeming hebben de huidige bewindvoerder en de mentor de kantonrechter met enige regelmaat geïnformeerd over het wel en wee van rechthebbende en hebben zij hun zorgen geuit over de financiële erfenis die de voormalige bewindvoerders hebben nagelaten, de zorgverlening aan betrokkene en de financiering daarvan als zodanig. Zorg en financiering daarvan alsmede communicatie daarover werden daarbij extra bemoeilijkt door het feit dat de zus en zwager van rechthebbende eigenmachtig beoogden het verblijf van rechthebbende bij hen in Duitsland te bewerkstelligen dat nadien ook daadwerkelijk hebben geeffectueerd.

1.7

Op grond van voormelde berichtgeving zijn de voormalige bewindvoerders en mentoren alsmede de huidige bewindvoerder en mentor opgeroepen voor de terechtzitting van 14 mei 2013 ten einde te worden gehoord. De zus en zwager zijn niet verschenen. Bij e-mail (met bijlage) d.d. 14 mei 2013 hebben zij wel een toelichting gegeven op het in het verleden door hen uitgevoerde bewind en mentorschap alsmede op de voornemens die zij hebben rondom het verblijf van en de zorg over rechthebbende in Duitsland, waaraan zij wensten vast te houden. De heer Roovers was eveneens verhinderd maar heeft nog wel een verslag van zijn ervaringen toegezonden, waarin hij zijn zorgen uitspreekt over de aangekondigde verhuisplannen van rechthebbende naar Duitsland, het door toedoen van de zus en zwager stopzetten van de dagbesteding van rechthebbende, het grotendeels staken van de dienstverlening door GGZ Breburg, het gebrek aan transparantie van zus en zwager van rechthebbende, het niet deugdelijk verantwoorden van grote bedragen aan PGB gelden, het ontstaan van huur- en andere betalingsachterstanden, hun afschermen van rechthebbende van de mentor, het ontbreken van een begeleidings- en/of ondersteuningsplan en, nu het verblijf van rechthebbende in Duitsland inmiddels eenzijdig is doorgezet, hun nalaten inzicht te verschaffen in de structuur van het dagelijks leven van rechthebbende aldaar.

1.8

Ter zitting is met de wel verschenen bewindvoerder de situatie en het vervolgtraject besproken. De zus en de zwager zijn daarvan kort schriftelijk op de hoogte gebracht. Daarnaast is hen medegedeeld dat hun plannen de kantonrechter vervullen met zorg en dat door hem zal worden bezien of en zo ja welke andere stappen/maatregelen zijn aangewezen. Een en ander is ook aan de bewindvoerder en de mentor kenbaar gemaakt, die daarop vervolgens hebben verzocht, nu zij daartoe zelf niet bevoegd zijn, het daarheen te leiden dat de ondercuratelestelling van betrokkene wordt uitgesproken.

1.9

Bij brief d.d. 12 juni 2013 is de officier van justitie in het arrondissement Zeeland-West-Brabant in kennis gesteld van vorenstaand procesverloop en is, nu deze wel bevoegd is tot het doen van een dergelijk verzoek, verzocht te bezien of daarin aanleiding wordt gevonden te verzoeken om een ondercuratelestelling van rechthebbende. Voorts is de officier van justitie er op gewezen dat er niet aan kan worden voorbij dat rechthebbende feitelijk in Duitsland verblijft, maar dat voor bewindvoerder en mentor niet is na te gaan onder welke omstandigheden rechthebbende daar verblijf houdt en of dit haar volledige instemming heeft. Zolang daarop geen zicht bestaat kan dan ook niet worden aanvaard dat rechthebbende zomaar buiten de Nederlandse rechtssfeer wordt gebracht. Mede gelet daarop is de officier van justitie tevens verzocht te bezien of hij daarin aanleiding ziet, zo nodig door bemiddeling/tussenkomst van de Duitse autoriteiten nadere stappen te ondernemen c.q. andere maatregelen te doen treffen ten einde te bewerkstelligen dat de belangen van rechthebbende, in Duitsland dan wel hier, toereikend zijn gewaarborgd en de kantonrechter daarover te informeren.

1.10

Namens de officier van justitie is daarop bij schrijven van 19 juli 2013 aan de kantonrechter medegedeeld: “Gelet op de huidige verblijfplaats alsmede dat betrokkene mogelijkerwijs al is geëmigreerd naar Duitsland, ben ik van oordeel dat de officier van justitie niet bevoegd is een verzoek tot ondercuratelestelling in te dienen bij uw rechtbank. Voorts zie ik daartoe eigenlijk ook geen aanleiding”.

1.11

Bij brief d.d. 15 augustus 2013 is de officier van justitie verzocht om een nadere toelichting te geven op zijn (summiere) standpunt zoals verwoord in zijn hiervoor aangehaalde brief. Enige nadere onderbouwing daarvan ontbreekt immers en bovendien werd geheel voorbij gegaan aan het tweede verzoek nadere stappen te bezien dan wel maatregelen te treffen al dan niet door bemiddeling/tussenkomst van de Duitse autoriteiten. Een kopie van deze brief is eveneens verzonden aan de bewindvoerder en de mentor, die vervolgens de kantonrechter op 20 augustus 2013 hebben bericht dat indien de officier van justitie niet tot snelle handeling gericht op ondercuratelestelling dan wel tot andere maatregelen overgaat, hen niet anders rest dan hun ontslag als bewindvoerder en mentor aan de rechtbank voor te leggen.

1.12

Verwijzend naar een aantal nieuwe gebeurtenissen heeft de bewindvoerder vervolgens bij schrijven van 2 september 2013 kenbaar gemaakt aan het eind van zijn mogelijkheden te zijn. Een kopie van deze brief is aan de officier van justitie verzonden en deze is verzocht per omgaande te reageren. Enig ander bericht behoudens dat de zaak “ter advies is voorgelegd” aan de officier van justitie is nadien niet ontvangen.

1.13

Daarop zijn rechthebbende, de bewindvoerder en de mentor alsmede de officier van justitie opgeroepen voor de terechtzitting van donderdag 31 oktober 2013, teneinde te worden gehoord op het voornemen van de kantonrechter tot het ambtshalve opheffen van het bewind en mentorschap over rechthebbende. Bij e-mail d.d. 30 oktober 2013 heeft rechthebbende laten weten niet aanwezig te kunnen zijn op de zitting. Diezelfde dag is daarnaast een email van de zus en de zwager ter griffie ingekomen, waarin zij een toelichting geven op de situatie van rechthebbende en van de blokkades die naar hun mening ten aanzien van de zorg voor haar door de bewindvoerder en mentor zijn opgeworpen.

1.14

De officier van justitie is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Evenmin is anderszins van hem vernomen dan wel deugdelijk bericht van verhindering ontvangen.

1.15

Ter zitting hebben de bewindvoerder en de mentor hun standpunt herhaald dat in de gegeven omstandigheden voortzetting van het bewind en het mentorschap geen reële optie meer is, reden waarom zij zich refereren aan het voornemen van de kantonrechter. Wel hebben zij in verband met de afwikkeling van de vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke belangen van rechthebbende verzocht om een korte uitlooptermijn.

1.16

Gelet op voormelde gang van zaken is voldoende duidelijk geworden dat een effectief beheer van de financiën van rechthebbende niet mogelijk is en dat haar belangen van niet-vermogensrechtelijke aard niet behoorlijk kunnen worden waargenomen. Onder deze omstandigheden dient voortzetting van het bewind en van het mentorschap geen redelijk doel en heeft dat ook geen zin. Weliswaar kan niet worden gezegd dat de oorzaken die indertijd tot het instellen van het bewind en mentorschap aanleiding hebben gegeven, niet meer bestaan, doch zonder de noodzakelijke medewerking van de zijde van rechthebbende zelf en van de zus en de zwager bij wie rechthebbende feitelijk in Duitsland verblijft, kunnen het bewind en het mentorschap niet langer op een fatsoenlijke wijze worden uitgevoerd. Zo goed als bij de instelling van een bewind en mentorschap terughoudendheid wordt betracht indien een rechthebbende/betrokkene zich daartegen verzet, dient, wanneer een effectieve uitvoering daarvan door rechthebbende dan wel door degenen die haar omringen verhinderd wordt, die terughoudendheid te gelden bij voortzetting ervan. Dat geldt te meer indien geen uitzicht bestaat op herstel/verbetering nu mogelijke stappen in die richting niet (kunnen) worden gezet.

1.16

Ten overvloede hecht de kantonrechter er aan het volgende op te merken. Van een overheid en in dit geval van haar vertegenwoordigend lichaam het openbaar ministerie/de officier van justitie, mag worden gevergd dat die zich de belangen van haar burgers aantrekt en deze, zo veel als mogelijk is, tracht te waarborgen. Zeker ten behoeve van diegenen die, naar vast staat, als gevolg van hun lichamelijke of geestelijke toestand, niet in staat zijn zelf ten volle hun belangen van vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke aard behoorlijk waar te nemen. Minst genomen mag daarbij van het openbaar ministerie worden verwacht dat zij gemotiveerd reageert op deugdelijke verzoeken van de kantonrechter. Daaraan heeft het ten enenmale ontbroken. Dat getuigt niet van zorgvuldigheid, noch jegens rechthebbende, noch jegens de bewindvoerder respectievelijk de mentor en al evenmin jegens de rechter.

1.17

Het bewind over de goederen van rechthebbende alsmede het mentorschap over haar zullen daarom worden opgeheven en wel met ingang van de datum als hierna vermeld.

2 De beslissing

De kantonrechter:

- heft op, voor zoveel nodig ambtshalve, het bewind over de goederen die toebehoren aan, alsmede het mentorschap over [adres] voornoemd, en wel met ingang van 1 januari 2014;

- bepaalt dat de bewindvoerder over het door hem uitgeoefende bewind eindrekening en verantwoording aflegt ten overstaan van de kantonrechter.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.L.L. Poeth en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 december 2013, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld:

door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hen op andere wijze bekend is geworden.

Het beroepschrift moet door tussenkomst van een procureur worden ingediend bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.