Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:8897

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
16-06-2013
Datum publicatie
12-03-2014
Zaaknummer
254918 / VV EXPL 13-30
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Partijen hebben voorafgaand aan de procedure een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin is afgesproken dat de arbeidsovereenkomst eindigt per 1 november 2013 en eiser tot die datum is vrijgesteld van arbeid met behoud van loon. Eiser stelt zich op het standpunt dat de vaststellingsovereenkomst onder invloed van wilsgebreken tot stand is gekomen, heeft de vaststellingsovereenkomst vernietigd en vordert bij wijze van voorlopige voorziening loondoorbetaling en wedertewerkstelling. Vordering wordt afgewezen nu niet valt in te zien dat eiser de bodemprocedure niet kan afwachten nu de arbeidsovereenkomst op grond van de vaststellingsovereenkomst pas op 1 november 2013 eindigt en eiser tot die tijd loon ontvant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/77
AR 2014/65
AR-Updates.nl 2014-0251
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Zittingsplaats: Middelburg

zaak/rolnr.: 254918 / VV EXPL 13-30

vonnis van de kantonrechter d.d. 17 juni 2013

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

verder te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. F.S. Alting-Landa,

t e g e n :

[gedaagde]

,

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde partij,

verder te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: mr. S. Wouters.

het verloop van de procedure

De procedure is als volgt verlopen:

- dagvaarding van 28 mei 2013,

- telefaxbericht d.d. 5 juni 2013 met bijlage(n) van mr. Wouters,

- mondelinge behandeling van 6 juni 2013.

de beoordeling van de zaak

1.

[eiser] is op 26 juli 1976 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij [gedaagde], laatstelijk in de functie van chauffeur tegen een salaris van € 2.118,63 bruto per maand exclusief vakantiegeld.

2.

Op 20 maart 2013 is tussen partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst. In deze vaststellingsovereenkomst is onder meer bepaald dat de arbeidsovereenkomst zal eindigen per 1 november 2013, waarbij [eiser] wordt vrijgesteld van werk met behoud van salaris en overige emolumenten tot het einde van het dienstverband.

3.

Bij brief van 28 maart 2013 heeft [eiser] aan [gedaagde] medegedeeld dat er ten aanzien van de vaststellingsovereenkomst sprake is van een wilsgebrek en daarbij heeft hij de vaststellingsovereenkomst vernietigd. Verder heeft [eiser] aangegeven dat hij beschikbaar is voor zijn werkzaamheden en heeft hij [gedaagde] verzocht aan te geven wanneer hij weer tot zijn werkzaamheden zal worden toegelaten. Naar aanleiding hiervan heeft [gedaagde] zich bij e-mailbericht van 8 april 2013 op het standpunt gesteld dat de arbeidsovereenkomst door de vaststellingsovereenkomst rechtmatig is beëindigd. [eiser] is niet toegelaten tot zijn werkzaamheden.

4.

[eiser] vordert thans bij wijze van voorlopige voorziening, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de veroordeling van [gedaagde] om [eiser] binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis toe te laten tot het verrichten van zijn werkzaamheden, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- per dag voor elke dag of elk dagdeel dat [gedaagde] in gebreke zal blijven om hieraan te voldoen, met de veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

5.

Ter onderbouwing van zijn vordering stelt [eiser] – kort gezegd – dat hij de vaststellingsovereenkomst terecht heeft vernietigd, aangezien deze onder invloed van een wilsgebrek tot stand is gekomen. [eiser] stelt dat hij door misbruik van omstandigheden heeft ingestemd met de vaststellingsovereenkomst aangezien hij tijdens het gesprek van 20 maart 2013, waarbij hij tegenover een driekoppige directie zat, door [gedaagde] voor de keuze is gesteld: ontslag op staande voet of het ondertekenen van de vaststellings-overeenkomst. Bovendien stelt [eiser] dat de vaststellingsovereenkomst als gevolg van onjuist en onvolledig verstrekte mededelingen van [gedaagde] onder invloed van dwaling tot stand is gekomen. [eiser] stelt dat hij spoedeisend belang heeft bij toewijzing van zijn vordering, aangezien hij door (langdurige) afwezigheid zal vervreemden van het werk en van zijn collega’s en dat een eventuele terugkeer naar het werk dan zal worden bemoeilijkt aangezien het risico aanwezig is dat tegen die tijd een onomkeerbare situatie zal (zijn) ontstaan. Verder voert [eiser] aan dat tewerkstelling in het belang is voor zijn positie in het verdere geschil.

6.

De zaak is behandeld tijdens de mondelinge behandeling van 6 juni 2013. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd tegen de vordering. Zij verzoekt de vordering af te wijzen en stelt daartoe – kort gezegd – dat het (spoedeisend) belang van [eiser] ontbreekt nu het loon, conform de vaststellingovereenkomst, tot 1 november 2013 wordt doorbetaald en [eiser] momenteel elders werkzaamheden verricht. Verder stelt [gedaagde] dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat een vordering tot wedertewerkstelling in een bodemprocedure zal worden toegewezen.

7.

De kantonrechter overweegt als volgt. Ingevolge artikel 254 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in alle spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad is vereist, de voorzieningenrechter bevoegd deze te geven. Voor de vraag of [eiser] een voldoende spoedeisend belang heeft, komt het aan op de vraag of van hem, mede gelet op de belangen van [gedaagde], gevergd kan worden dat hij een bodemprocedure afwacht.

8.

In deze zaak hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin is afgesproken dat de arbeidsovereenkomst eindigt per 1 november 2013 en [eiser] tot die datum is vrijgesteld van arbeid met behoud van zijn loon. Van een eenzijdige non-actiefstelling is dus geen sprake. In de vaststellingsovereenkomst zijn aan de beëindiging bedrijfseconomische omstandigheden ten grondslag gelegd, maar achterliggend verwijt van [gedaagde] is dat [eiser] ten onrechte stelselmatig en excessief overuren heeft geschreven en zij daarom ieder vertrouwen in [eiser] kwijt is. Daarin ligt kennelijk het belang van [gedaagde] dat [eiser] feitelijk geen werkzaamheden meer verricht. [eiser] ontkent dat hij met opzet teveel uren heeft geschreven en stelt dat de vaststellingsovereenkomst onder invloed van wilsgebreken tot stand is gekomen. Het belang van tewerkstelling is volgens [eiser] hierin gelegen dat hij door (langdurige) afwezigheid van het werk en van zijn collega’s zal vervreemden en een eventuele terugkeer naar het werk als gevolg daarvan zal worden bemoeilijkt. De kantonrechter kan [eiser] daarin niet volgen. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [eiser] in zijn functie van chauffeur een grote mate van zelfstandigheid heeft en door zijn werktijden nauwelijks direct contact heeft met collega’s, omdat hij het grootste deel daarvan onderweg is. Gesteld noch gebleken is bovendien dat [eiser] door de vrijstelling van werk bijvoorbeeld bepaalde vaardigheden zou kunnen verliezen. Dat door de vrijstelling van werk een onomkeerbare situatie zal ontstaan heeft [eiser] niet aannemelijk gemaakt. Ten slotte heeft [eiser] nog aangevoerd dat wedertewerkstelling van belang is voor zijn positie in het verdere geschil, maar hij heeft niet uitgelegd wat hij daarmee, in het licht van zijn stelling dat de vaststellingsovereenkomst onder invloed van wilsgebreken tot stand is gekomen, bedoelt. Onder die omstandigheden valt niet in te zien dat een bodemprocedure door [eiser] niet kan worden afwacht, temeer nu de arbeidsovereenkomst op grond van de vaststellingsovereenkomst eerst op 1 november 2013 eindigt en hij tot die tijd loon ontvangt.

9.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering bij gebreke van een voldoende spoedeisend belang zal worden afgewezen.

10.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal [eiser] de proceskosten van [gedaagde] moeten vergoeden.

de beslissing

De kantonrechter:

rechtdoende als voorzieningenrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, welke aan de zijde van [gedaagde] tot op heden worden begroot op € 200,-- wegens salaris van de gemachtigde van [gedaagde].

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. van Voorthuizen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juni 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.

idm