Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:8891

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-11-2013
Datum publicatie
03-02-2014
Zaaknummer
AWB 12_2507
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:3500, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

MK Kinderopvangtoeslag. De verschuldigde kosten voor kinderopvangtoeslag moeten in beginsel ten tijde van die opvang of uiterlijk kort daarna daadwerkelijk worden voldaan. Van dit algemene uitgangspunt kan alleen onder (zeer) bijzondere omstandigheden worden afgeweken. Eiseres heeft niet (aantoonbaar) alle kosten betaald. Artikel 7 van de Wko staat in de weg aan proportionaliteitsbeginsel. Belastingdienst/Toeslagen heeft het voorschot kinderopvangtoeslag terecht op nihil gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 12/2507 KINDER

uitspraak van 29 november 2013 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres], te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: [naam gemachtigde],

en

Belastingdienst/Toeslagen (kantoor Utrecht), verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 16 april 2012 van de Belastingdienst/ Toeslagen inzake de herziene berekening van het voorschot kinderopvangtoeslag 2009.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 1 november 2013. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en[naam gemachtigde]. De Belastingdienst/ Toeslagen heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam gemachtigde]

Overwegingen

1.

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres heeft in 2008 kinderopvangtoeslag ontvangen. De Belastingdienst/Toeslagen heeft de kinderopvangtoeslag automatisch gecontinueerd voor het jaar 2009. Eiseres heeft in 2009 een voorschot kinderopvangtoeslag gekregen van € 9.441,-. Dit voorschot is gebaseerd op een uurtarief van € 6,10.

In september 2010 heeft eiseres op verzoek van de Belastingdienst/Toeslagen de jaaropgaven van de kinderopvang over 2009 overgelegd met een totaalbedrag aan oppaskosten van € 9.493,20, en gebaseerd op een uurtarief van € 5,86.

Bij besluit van 17 maart 2011 (primair besluit) heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag 2009 gewijzigd en vastgesteld op € 9.069,-. Dit voorschot is gebaseerd op een uurtarief van € 5,86.

In bezwaar heeft eiseres gewijzigde jaaropgaven overgelegd met een totaalbedrag aan oppaskosten van € 9.882,-, en gebaseerd op een uurtarief van € 6,10.

Bij het besluit van 16 april 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de bezwaren van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. De Belastingdienst/Toeslagen heeft daarbij, samengevat, het volgende overwogen. Eiseres heeft in bezwaar nieuwe jaaropgaven overgelegd met totale kosten van kinderopvang van € 9.882,-. Uit de door eiseres opgestuurde bankafschriften blijkt dat zij in 2009 een bedrag van € 9.493,20 aan gastouderbureau Roodkapje heeft betaald. Hieruit volgt dat eiseres per saldo niet alle kosten voor kinderopvang heeft betaald. Daarmee is niet voldaan aan het vereiste van artikel 5 van de Wet kinderopvang (Wko). Eiseres heeft daarom geen recht op kinderopvangtoeslag voor het jaar 2009 en zij moet het ontvangen voorschot terugbetalen.

Bij besluit van 28 april 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag 2009 gewijzigd en vastgesteld op € 0,- en een bedrag van € 9.069,- van eiseres teruggevorderd.

2.

Eiseres voert in beroep, samengevat, het volgende aan. Uit de gecorrigeerde jaaropgaven van het gastouderbureau over 2009 blijkt dat de te betalen kosten voor kinderopvang contractueel € 9.882,- bedroegen. Uit de bankafschriften van eiseres blijkt dat zij in 2009 € 9.493,20 heeft betaald. Het restant is na 2009 - op 15 oktober 2012 - betaald. Het feit dat de wet spreekt over ‘te betalen kosten’, impliceert dat het niet uitmaakt wanneer de kosten worden betaald. Eiseres verwijst daarbij naar een uitspraak van de rechtbank ’s‑Hertogenbosch (ECLI:NL:RBSHE:2012:4726). De rechtbank heeft in die uitspraak beslist dat het achteraf betalen van opvangkosten niet in de weg staat aan het recht op kinderopvangtoeslag. Voorts valt niet in te zien hoe de Belastingdienst/Toeslagen tot de conclusie kan komen dat in het geheel geen recht bestaat op kinderopvangtoeslag, nu onomstotelijk door eiseres is aangetoond dat zij € 9.493,20 heeft betaald. Het recht op kinderopvangtoeslag moet dan ook minimaal gebaseerd worden op de opvangkosten van € 9.493,20.

3.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wko heeft een ouder aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk, indien het betreft kinderopvang in een geregistreerd kindercentrum of gastouderopvang die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1.

het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2.

de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3.

de soort kinderopvang.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Awir verstrekt een belanghebbende de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

4.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich bij besluit van 16 april 2012 op het standpunt gesteld dat eiseres geen recht heeft op kinderopvangtoeslag over het jaar 2009 en dat zij het ontvangen voorschot dient terug te betalen. Bij systeembeschikking van

28 april 2012 is eiseres vervolgens medegedeeld dat het voorschot kinderopvangtoeslag 2009 is gewijzigd en op € 0,- is vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank moeten de besluiten van 16 april 2012 en 29 april 2012 gezamenlijk als samenstellende delen van de beslissing op bezwaar worden beschouwd. Deze besluiten zullen hierna (gezamenlijk) worden aangemerkt als het bestreden besluit.

5.

De rechtbank stelt vast dat eiseres in eerste instantie jaaropgaven heeft overgelegd met een totaalbedrag aan oppaskosten van € 9.493,20 (gebaseerd op een uurtarief van € 5,86). In bezwaar heeft eiseres nieuwe jaaropgaven overgelegd, met een totaalbedrag aan oppaskosten van € 9.882,- (gebaseerd op een uurtarief van € 6,10). De rechtbank staat daarom voor de vraag van welke jaaropgaven de Belastingdienst/Toeslagen uit heeft moeten gaan.

De rechtbank overweegt dat de Belastingdienst/Toeslagen bij het bestreden besluit uit mocht gaan van de nieuwe jaaropgaven die eiseres in bezwaar heeft overgelegd. Ten eerste heeft eiseres eind 2008 aan de Belastingdienst/Toeslagen doorgegeven dat in 2009 sprake was van een uurtarief van € 6,10 waarna het voorschot kinderopvangtoeslag 2009 bij besluit van 11 december 2008 is vastgesteld en ook op dit uurtarief is gebaseerd. Ten tweede is namens eiseres ter zitting opgemerkt dat de gewijzigde jaaropgaven ook feitelijk juist zijn.

6.

Gelet op hetgeen is overwogen onder 5 moet ervan worden uitgegaan dat eiseres over 2009 een bedrag van € 9.882,- aan kinderopvang verschuldigd was. Uit de door eiseres overgelegde bankafschriften blijkt vervolgens dat zij in 2009 slechts € 9.493,20 heeft betaald en het verschil tussen deze bedragen op 15 oktober 2012.

Eiseres heeft aangevoerd dat het niet uitmaakt wanneer deze kosten worden betaald, en heeft daarbij ter zitting een beroep gedaan op de parlementaire geschiedenis van de Wko (TK 2005-2006, 30479, 6, pagina 49 en TK 2003-2004, 28447, 16, pagina 15):

‘In het eerste lid [bij artikel 5] is geregeld dat het bij de kinderopvangtoeslag gaat om een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang die betrekking hebben op in een tegemoetkomings- of, in termen van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, berekeningsjaar, gemaakte kosten, ongeacht het moment waarop de ouder of zijn partner de kosten van kinderopvang betaalt.’

De rechtbank volgt eiseres niet in dit standpunt, maar sluit aan bij de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) op dit punt (ECLI:NL:RVS: 2013:556 en ECLI:NL:RVS:2013:2006). Niet alleen doel en strekking van de regeling van het toekennen van kinderopvangtoeslag zijn van belang, maar ook het belang van controle op een juiste besteding van overheidsgelden. Deze twee punten brengen met zich dat de verschuldigde kosten voor kinderopvang in beginsel ten tijde van die opvang of uiterlijk kort daarna daadwerkelijk moeten worden voldaan om tot toekenning van toeslag te kunnen leiden. Daargelaten binnen welke termijn de betaling van de verschuldigde kosten exact dient te geschieden, is betaling in 2012 van de zogenoemde eigen bijdrage voor het toeslagjaar 2009 in ieder geval te laat om aan dit jaar te kunnen worden toegerekend, aldus de AbRS in de uitspraak van 20 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2006). De rechtbank overweegt dat van dit algemene uitgangspunt alleen onder (zeer) bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken.

De rechtbank is van oordeel dat er in het geval van eiseres geen sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden. Weliswaar heeft gastouderbureau Roodkapje het gewijzigde uurtarief niet financieel verwerkt, waardoor automatische incasso heeft plaatsgevonden op grond van het oude uurtarief van € 5,86, maar eiseres had zelf ook kunnen zien dat zij niet de volledige kosten van opvang betaalde . Zo heeft eiseres in 2008 en 2009 maandelijks dezelfde kosten aan kinderopvang betaald, terwijl het uurtarief in 2008 € 5,86 bedroeg en in 2009 € 6,10. Daarbij had eiseres op de hoogte kunnen zijn van dit verhoogde uurtarief in 2009, omdat zij zelf deze wijziging aan de Belastingdienst/Toeslagen heeft doorgegeven en ook het voorschot in eerste instantie was gebaseerd op een uurtarief van € 6,10.

Daarnaast had eiseres na ontvangst van de gewijzigde jaaropgaven (die op 25 maart 2011 aan de Belastingdienst/Toeslagen zijn gestuurd) ook kunnen weten dat zij de kosten van kinderopvang niet (volledig) had betaald. Uit het procesdossier blijkt dat eiseres het verschil tussen de eerste en tweede jaaropgaven (€ 388,80) echter pas op 15 oktober 2012 heeft betaald.

Eiseres heeft ook geen verklaring gegeven voor deze late nabetaling.

Onder deze omstandigheden is de betaling van het restant aan kosten van kinderopvang (de hiervoor genoemde € 388,80) te laat om voor de toepassing van de Wko te kunnen worden toegerekend aan het jaar 2009.

Dit brengt met zich dat eiseres de verschuldigde kosten voor kinderopvang in 2009 niet in hun geheel heeft betaald. Eiseres was immers een bedrag van € 9.882,- verschuldigd en heeft slechts een bedrag van € 9.493,20 betaald.

7.

De volgende vraag is wat hiervan de consequenties dienen te zijn. Eiseres heeft in dit verband betoogd dat recht op kinderopvangtoeslag bestaat over de kosten die zijn aangetoond. De Belastingdienst/Toeslagen stelt zich op het standpunt dat de kosten volledig moeten zijn voldaan om recht te hebben op kinderopvangtoeslag.

De AbRS heeft bij uitspraak van 19 december 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:

BY6772) geoordeeld dat de in de overeenkomst opgenomen kosten voor de gastouder geheel moeten zijn voldaan en dat indien dit niet het geval is, er geen recht bestaat op kinderopvangtoeslag. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (ECLI:RBROT:2013:5353) te volgen ten aanzien van het proportionaliteitsbeginsel. De rechtbank overweegt daartoe dat de hoogte van de kinderopvangtoeslag in artikel 7 van de Wko onder meer afhankelijk wordt gesteld van het aantal afgenomen uren en de daarvoor te betalen uurprijs, hetgeen bij eiseres neerkomt op een bedrag van € 9.882,-. In dit licht past het niet om in afwijking van de wet de hoogte van de toeslag afhankelijk te stellen van de door eiseres daadwerkelijk betaalde kosten van € 9.493,20.

Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat nu eiseres niet alle kosten heeft betaald, de Belastingdienst/Toeslagen terecht het voorschot kinderopvangtoeslag heeft herzien en op nihil heeft gesteld.

8.

Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

9.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, en mrs. M. Breeman en J. van Alphen, leden, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 november 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.