Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:8793

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27-11-2013
Datum publicatie
29-11-2013
Zaaknummer
2448479_E27112013
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoekschrift tot ondercuratelestelling. Wettelijke beschermingsmaatregel moet niet verder ingrijpen dan noodzakelijk. Kantonrechter stelt in een beschermingsbewind in combinatie met mentorschap. Beschikking eventueel na 1 januari 2014 inschrijven nieuw register (CCBR). Kantonrechter benoemt alleen dochter tot beschermingsbewindvoerster tevens mentrix en niet tevens ook de zoon tot beschermingsbewindvoerder tevens mentor. Uitdrukkelijke voorkeur rechthebbende (ex artikel 1:435, lid 3 BW en artikel 1:452, lid 3 BW) op dit punt.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 391
Burgerlijk Wetboek Boek 1 431
Burgerlijk Wetboek Boek 1 435
Burgerlijk Wetboek Boek 1 450
Burgerlijk Wetboek Boek 1 452
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2014/22
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

Bergen op Zoom

zaaknummers: 2448479 OV VERZ 13-5111 en 2556574 OV VERZ 13-5670

beschikking d.d. 27 november 2013 op een verzoek tot ondercuratelestelling

van

[verzoekster] , wonende te [adres 1].

1 Het procesverloop

1.1

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

a. het op 17 oktober 2013 door de griffie van de rechtbank ontvangen verzoekschrift (met bijlagen);

b. het proces-verbaal van gehoor van de griffier met betrekking tot het verhandelde op de terechtzitting van 6 november 2013.

c. de brief van de zoon van rechthebbende, ingekomen ter griffie op 13 november 2013;

d. de reactie van rechthebbende en de dochter van rechthebbende op de brief van de zoon van rechthebbende, beiden ingekomen ter griffie op 19 november 2013.

1.2

De inhoud van deze stukken geldt hier als ingelast.

1.3

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

a. de rechthebbende;

b. de dochter van rechthebbende;

c. de zoon van rechthebbende.

2 De beoordeling

2.1

Het verzoek strekt tot ondercuratelestelling van [rechthebbende], hierna te noemen rechthebbende, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], wonende te [adres 2], onder gelijktijdige benoeming van [verzoekster] voornoemd tot curatrice.

2.2

Uitgangspunt in het burgerlijk recht is de zelfbeschikking van het individu. Omdat in de praktijk niet iedereen die verantwoordelijkheid blijkt aan te kunnen, bevat de wet de instrumenten van curatele, beschermingsbewind en mentorschap op grond waarvan een wettelijk vertegenwoordiger de belangen van de persoon in kwestie kan behartigen.

Aangezien curatele, beschermingsbewind en mentorschap een beperking van de mogelijkheden tot zelfbeschikking van het individu vorm, is het zaak dat deze instrumenten niet verder ingrijpen dan noodzakelijk is. Voormeld uitgangspunt, dat een beschermende maatregel niet verder ingrijpt dan noodzakelijk, betekent dat de kantonrechter tijdens de instellingszitting de meest passende wettelijke beschermingsmaatregel dient op te leggen.

Om die reden heeft de kantonrechter tijdens de mondelinge behandeling van het onderhavige verzoek tot ondercuratelestelling op 6 november 2013 uitgebreid stilgestaan bij de beantwoording van de vraag of in het geval van rechthebbende het toepassen van ondercuratelestelling geïndiceerd is.

2.3

De kantonrechter heeft tijdens voormelde mondelinge behandeling al vastgesteld, dat rechthebbende als gevolg van zijn geestelijke toestand tijdelijk dan wel duurzaam niet in staat is om ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen.

Tevens werd vastgesteld dat rechthebbende als gevolg van de vermelde toestand tijdelijk dan wel duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt om zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen.

2.4

In de omstandigheden van het geval lijkt echter geen noodzaak te bestaan om de verdergaande beschermingsmaatregel van curatele uit te spreken. Deze meest verstrekkende vorm van bescherming leidt immers tot handelingsonbekwaamheid van rechthebbende.

Uit de gedingstukken, het verhandelde ter zitting en het gehouden verhoor van rechthebbende blijkt dat de belangen van rechthebbende thans afdoende kunnen worden beschermd door middel van een bewind als bedoeld in artikel 1:431 BW en mentorschap als bedoeld in artikel 1:450 BW. Natuurlijk is het zo dat de effectiviteit van een beschermende maatregel wat betreft de behartiging van vermogensrechtelijke belangen wordt vergroot door verplichte publicatie van de maatregel. Voorshands is echter niet gebleken dat de bescherming, die het instellen van beschermingsbewind biedt, ontoereikend is. Wat betreft de mentortaak maakt het naar het oordeel van de kantonrechter niet uit of de noodzakelijke belangenbehartiging plaatsvindt binnen een ondercuratelestelling dan wel binnen een mentorschap.

2.5

In het kader van de nieuwe Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap (Staatsblad 2013, 414) welke in werking zal treden met ingang van 1 januari 2014, wordt het in artikel 1:391 BW mogelijk gemaakt om ook beschermingsbewinden op basis van een geestelijke en/of lichamelijke stoornis in te schrijven in een nieuw register (CCBR).

Mochten er zich in de toekomst feiten en/of omstandigheden voordoen, die een inschrijving van het in te stellen beschermingsbewind in dit nieuwe register wenselijk/noodzakelijk maken, kan alsnog een daartoe strekkend verzoek aan de kantonrechter worden gericht.

2.6

Tijdens de terechtzitting van 6 november 2013 is het verzoek door verzoekster (en rechthebbende) gewijzigd in die zin dat thans instelling van een beschermingsbewind over de goederen van en instelling van een mentorschap over [rechthebbende] voornoemd wordt verzocht, onder gelijktijdige benoeming van [verzoekster] voornoemd tot beschermingsbewindvoerster en mentrix.

2.7

Ter zitting is de kantonrechter verder gebleken dat rechthebbende nog in staat is om zelf aan de beschermingsbewindvoerster toestemming te geven voor het doen van beschikkings- handelingen. De rechthebbende wordt tevens nog in staat geacht de rekening en verantwoording ter goedkeuring te ondertekenen.

2.8

Tegen de voorgestelde beschermingsbewindvoerster en mentrix, zijnde de dochter van rechthebbende, zijn geen bezwaren gerezen. Wel heeft de zoon van rechthebbende in zijn brief van 12 november 2013 verzocht om ook hem te benoemen tot beschermingsbewindvoerder en mentor. Hij zegt gezamenlijk met zijn zus de zorg voor hun vader (rechthebbende) op zich te willen nemen. In haar brief van 19 november 2013 maakt verzoekster (de dochter) gemotiveerd bezwaar tegen het verzoek van haar broer om ook hem te benoemen tot beschermingsbewindvoerder en mentor over hun vader (rechthebbende). Zij voert in dat verband onder meer aan dat haar broer 16 jaar geleden volledig het contact met zijn/hun vader heeft verbroken en enige tijd later ook met zijn/hun moeder en met haar. Enkele dagen (voor 19 november 2013) zou de zoon voor eerst weer zijn vader hebben opgezocht op de boerderij.

Dit was na de ontvangst van de brief van de rechtbank. In de afgelopen 16 jaar heeft de zoon geen enkele hulp in welke vorm dan ook geboden aan zijn vader, aldus de dochter.

Gelet op dit verleden zegt de dochter ook weinig vertrouwen te hebben in een samenwerking met haar broer. Zij verzoekt om als enige beschermingsbewindvoerder en mentor over haar vader te worden benoemd. In zijn brief van 18 november 2013 bevestigt rechthebbende dat zijn zoon 16 jaar geleden het contact met hem verbroken heeft. Ook geeft rechthebbende aan dat zijn zoon enkele dagen geleden bij hem op bezoek is geweest Hij zegt het fijn te hebben gevonden om hem weer te zien en hij hoopt ook dat dit contact nu blijft. Dit betekent volgens rechthebbende echter niet dat zijn mening over het in te stellen beschermingsbewind en mentorschap wijzigt. Hij verzoekt (nogmaals) om alleen zijn dochter tot beschermings- bewindvoerster en mentrix over hem te benoemen.

2.9

Op grond van artikel 1:435, lid 3 BW en artikel 1:452, lid 3 BW dient de kantonrechter bij de benoeming van een beschermingsbewindvoerder respectievelijk de benoeming van een mentor de uitdrukkelijke voorkeur van betrokkene te volgen, tenzij gegronde redenen zich tegen een dergelijke benoeming verzetten. Zoals hierboven aangegeven heeft betrokkene/rechthebbende een uitdrukkelijk voorkeur voor benoeming van zijn dochter.

De kantonrechter ziet geen enkele reden om van deze voorkeur af te wijken. Met deze benoeming zullen naar het oordeel van de kantonrechter de vermogensrechtelijke en niet vermogensrechtelijke belangen van rechthebbende het beste zijn gediend.

3 De beslissing

De kantonrechter:

verstaat dat het verzoek tot ondercuratelestelling van rechthebbende is ingetrokken;

stelt een beschermingsbewind in over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan:

[rechthebbende] voornoemd;

stelt een mentorschap in over: [rechthebbende] voornoemd;

benoemt tot beschermingsbewindvoerster: [verzoekster] voornoemd;

benoemt tot mentrix: [verzoekster] voornoemd;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.E.M. Verjans, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 november 2013.

Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld:

door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Het beroepschrift moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.