Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:8783

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-11-2013
Datum publicatie
05-03-2015
Zaaknummer
AWB 13_1120
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervoersvoorziening. Rolstoeltaxi. Hardheidsclausule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 13/1120 WMO

Uitspraak van 14 november 2013 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: [naam gemachtigde],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlissingen, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 24 januari 2013 (bestreden besluit) van verweerder inzake de toekenning van individueel rolstoeltaxivervoer in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 4 november 2013. Eiser is vergezeld van zijn ouders verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam vertegenwoordiger]

Overwegingen

1.

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser, geboren op 15 september 1984, lijdt aan de ziekte van Duchenne. Hij is volledig zorg- en rolstoelafhankelijk en woont in een AWBZ-instelling voor begeleid wonen. Zijn ouders hebben in 1997 een bus gekocht die met een WVG-vergoeding geschikt is gemaakt voor rolstoelvervoer. Deze bus is dringend aan vervanging toe. Eiser heeft bij het college een aanvraag ingediend voor aanpassing van een nieuwe zelf aan te schaffen rolstoelbus. Op 21 mei 2012 heeft de medisch adviseur van de MO-zaak advies uitgebracht. Volgens dit advies is individueel vervoer per rolstoeltaxi met deskundige begeleiding de goedkoopste adequaat compenserende oplossing voor eisers vervoersprobleem. Op 1 juli 2012 heeft er een gesprek met eiser plaatsgevonden over zijn vervoersbehoefte.

Bij besluit van 6 juli 2012 heeft het college de aanvraag afgewezen omdat eiser gebruik kan maken van het aanwezige collectief vervoer in de vorm van individueel rolstoeltaxivervoer.

Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is de motivering van de afwijzing aangevuld in die zin dat er ook overwegende bezwaren bestaan tegen toekenning van een persoonsgebonden budget aan eiser omdat een veelvuldig beroep op persoonsgebonden budgetten (pgb’s) het in stand houden van een systeem van collectief vervoer kan ondergraven.

2.

In beroep is aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met eisers persoonskenmerken en zijn behoeften. Zijn ziekte is progressief van aard. Hij maakt gebruik van een mobiel zuurstofapparaat en heeft altijd deskundige begeleiding nodig. Zijn hobby is vliegen met modelvliegtuigen. Zijn ouders brengen hem bij geschikt weer naar een veld in de buurt om zijn hobby uit te oefenen. Zij blijven er bij om als er te veel wind staat hem uit de wind te zetten of in het busje te plaatsen. Met het collectief vervoer kan hij deze hobby niet uitoefenen.

Verder heeft eiser een overzicht van de ritten in de periode 8 september tot en met 20 november 2013 overgelegd, waarbij is berekend dat aanpassing van een eigen bus veel goedkoper is dan rolstoeltaxivervoer.

Ter zitting heeft eisers gemachtigde nog een beroep gedaan op de toepassing van de hardheidsclausule.

3.

Artikel 4 van de Wmo luidt:

1.

Ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4°, 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, treft het college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen:

a. een huishouden te voeren;

b. zich te verplaatsen in en om de woning;

c. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;

d. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.

2.

Bij het bepalen van de voorzieningen houdt het college van burgemeester en wethouders rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, waaronder verandering van woning in verband met wijziging van leefsituatie, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

Artikel 6, eerste lid, van de Wmo luidt:

Het college van burgemeester en wethouders biedt personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar en toereikend pgb, waaronder de vergoeding voor een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5, eerste lid , van de Wet op de loonbelasting 1964, tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan.

Artikel 2 van de Verordening voorzieningen Wmo gemeente Vlissingen 2012 (verder: de Verordening) luidt – voor zover hier van belang - :

De op basis van artikel 4, lid 1, van de wet via compenserende maatregelen te bereiken resultaten zijn:

-----

g. zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel;

h. de mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten.

Artikel 15 van de Verordening luidt:

1.

Het te bereiken resultaat ten aanzien van het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel bestaan uit het kunnen doen van dagelijkse boodschappen, het kunnen bezoeken van familie en kennissen en het doen van gewenste activiteiten, alles binnen de directe woon- en leefomgeving.

2.

Met het oog op het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel kan een individuele voorziening worden getroffen ten aanzien van ------------------ het verplaatsen over de langere afstand binnen de directe woon- en leefomgeving.

3.

Voor zover de belanghebbende gebruik kan maken van --------------- collectief vervoer van deur tot deur die (dat) in de individuele situatie van de belanghebbende kan leiden tot het te bereiken resultaat, worden deze mogelijkheden eerst beoordeeld.

4.

Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden beschikbaar en bruikbaar zijn worden ten aanzien van die onderdelen geen individuele voorzieningen verstrekt.

Artikel 19 van de Verordening luidt:

Het college kent geen persoonsgebonden budget toe wanneer sprake is van overwegende bezwaren zoals bedoeld in artikel 6 van de wet.

Artikel 30 van de Verordening luidt:

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

4.

Het college heeft eiser een vervoersvoorziening toegekend in de vorm van een individuele rolstoeltaxi die op afroep beschikbaar is en waarbij de noodzakelijke deskundige begeleiding door vrijwilligers kan worden gegeven. Het college is van mening dat eiser met deze voorziening in voldoende mate wordt gecompenseerd in zijn lokale vervoersbehoeften. Een individuele vervoersvoorziening wordt alleen toegekend als collectief vervoer niet mogelijk is.

5.

Gelet op het rapport van de keuringsarts van de MO-zaak en gelet op hetgeen van de zijde van eiser hierover naar voren is gebracht is de rechtbank van oordeel dat eiser medisch-technisch gezien gebruik kan maken van een rolstoeltaxi. Daarmee is echter nog niet vastgesteld of die voorziening ook voldoende compensatie biedt voor “het doen van gewenste activiteiten binnen de directe woon- en leefomgeving”, zoals artikel 15, eerste lid, van de Verordening bepaalt.

6.

De rechtbank stelt vast dat het college bij het maken van die laatste afweging zich heeft beperkt tot de beoordeling of de rolstoelbus die op afroep beschikbaar is, voldoende ruimte biedt voor de spullen die meegenomen moeten worden voor de medische verzorging en voor het uitoefenen van de hobby van eiser. Daarmee acht de rechtbank onvoldoende acht geslagen op de bijzondere omstandigheden van dit geval. In dat verband acht de rechtbank het volgende van belang.

7.

Eiser, 29 jaar oud, lijdt vanaf zijn vroege jeugd aan een ernstige spierziekte die aanzienlijke beperkingen voor hem met zich brengt. De ziekte heeft een progressief karakter en de levensverwachting is beperkt. Eiser is volledig van anderen afhankelijk. Omdat ook zijn ademhalingsspieren zijn aangedaan, moet hij continu via een tracheostoma beademd worden. Hij kan zonder begeleiding niet van huis. De begeleiders, in dit geval de ouders en een paar vrienden, zijn getraind om de medische apparatuur te bedienen zodat zij eiser kunnen bijstaan. Het tracheostoma moet namelijk op elk willekeurig moment door een deskundige uitgezogen kunnen worden. Tot op heden maakt eiser gebruik van de eigen rolstoelbus met begeleiding van zijn ouders voor familiebezoek, het doen van boodschappen en het uitoefenen van zijn hobby, het vliegen met modelvliegtuigen. Wanneer hij het eigen vervoer niet meer kan gebruiken, is hij voor zijn vervoer uitsluitend aangewezen op een rolstoeltaxi met uiteraard dezelfde deskundige begeleiding. Dat levert met name voor het uitoefenen van zijn hobby, hetgeen voor eiser een zeer belangrijke activiteit is, een extra beperking op bij de zeer aanzienlijke beperkingen die hij al ondervindt. Een rolstoeltaxi zet eiser met zijn spullen af op de plaats waar hij kan vliegen en vertrekt weer. Eiser beschikt dan zonder bus niet over enige beschutting en hij kan ook niet snel inspelen op wisselende weersomstandigheden. Dit maakt het uitoefenen van zijn hobby voor eiser zo niet onmogelijk, dan toch zo lastig en onaangenaam dat zijn hobby in zeer beperkte mate uitvoerbaar is.

De rechtbank is van oordeel dat door deze extra beperking die het collectief vervoer in de vorm van een rolstoeltaxi in vergelijking met het vervoer in de eigen aangepaste rolstoelbus voor eiser oplevert, niet kan worden gezegd dat met het collectief vervoer het resultaat, te weten het doen van gewenste activiteiten, is bereikt. De afwijzing van de gevraagde voorziening kan daarom niet in stand blijven wegens strijd met artikel 15, eerste lid, van de Verordening.

8.

Met eisers gemachtigde is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte niet overwogen heeft of er in dit geval aanleiding was voor toepassing van de hardheidsclausule. De rechtbank is van oordeel dat de extra beperking die het collectief vervoer in de vorm van een rolstoeltaxi in vergelijking met het vervoer in de eigen aangepaste rolstoelbus voor eiser oplevert maatschappelijk niet aanvaardbaar is gezien de persoonskenmerken van eiser en zijn vervoersbehoefte zoals die zijn omschreven in overweging 7. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 30 van de Verordening en komt ook om die reden voor vernietiging in aanmerking.

9.

In het bestreden besluit heeft het college de motivering van de afwijzing van de gevraagde vervoersvoorziening verder aangevuld op grond van artikel 19 van de Verordening: het overwegende bezwaar is dat een veelvuldig beroep op pgb’s het in stand houden van het systeem van collectief vervoer kan ondergraven. In de door het college genoemde uitspraak van 19 november 2011 van de Centrale Raad van Beroep wordt gesproken over een toegespitste kostenberekening waarmee aannemelijk is gemaakt dat het systeem van collectief vervoer alleen verantwoord kan functioneren wanneer zoveel mogelijk belanghebbenden daarin participeren. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt een dergelijke kostenberekening in dit geval. De berekening die het college heeft overgelegd maakt duidelijk dat een ieder die met collectief vervoer kan reizen het systeem ondersteunt, maar daaruit volgt nog niet dat door het verstrekken van een pgb het systeem niet verantwoord kan functioneren. Daar komt bij dat volgens mededeling ter zitting van de gemachtigde van het college er nog slechts vijf individuele vervoersvoorzieningen in de gemeente Vlissingen zijn, waarvan twee personen de voorziening mogen behouden en van drie personen de zaak nog in onderzoek is. Dat maakt het ook weinig aannemelijk dat de door eiser aangevraagde voorziening het systeem van collectief vervoer van de gemeente Vlissingen ondermijnt.

10.

Het beroep zal gegrond worden verklaard en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat de gevraagde vervoersvoorziening wordt toegekend.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.

De rechtbank zal verweerder veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit van 6 juli 2012;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 944,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.M. Reinarz, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Bezemer-Kralt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 november 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.