Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:8767

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
03-01-2014
Zaaknummer
AWB-12_4836
Formele relaties
Sprongcassatie: ECLI:NL:HR:2015:32, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Recht van overgang

Belanghebbende, erfgename, was met erflater gehuwd. Erflater had ten tijde van het overlijden de Nederlandse nationaliteit en woonde al langer dan 10 jaar niet meer in Nederland. Tot de nalatenschap behoren in Nederland gelegen onroerende zaken. De rechtbank oordeelt dat, gelet op het arrest van het HvJ in de zaak Welte, het onthouden van de partnervrijstelling voor de heffing van het recht van overgang in strijd is met het vrij verkeer van kapitaal.

Wetsverwijzingen
Successiewet 1956, toepassing van het Besluit voorkoming van dubbele belasting 2001 voor dubbel successie- en schenkingsrecht, recht van overgang, geldigheid: 2013-12-31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-0089
V-N Vandaag 2014/23
V-N 2014/10.1.4
Belastingadvies 2014/5.11
mr. M. de L. Monteiro annotatie in NTFR 2014/588

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummer AWB 12/4836

uitspraak van 4 december 2013

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] (Duitsland),

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 24 augustus 2010 aan belanghebbende een aanslag in het recht van overgang opgelegd van € 39.144, aanslagnummer [aanslagnummer] (hierna: de aanslag).

1.2.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 7 augustus 2012 de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 12 september 2012, ontvangen door de rechtbank op 14 september 2012, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 42.

1.4.

De inspecteur heeft geen verweerschrift ingediend.

1.5.

De inspecteur heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan belanghebbende.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2013 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Hardenberg, en namens de inspecteur, [verweerder].

1.7.

De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan belanghebbende.

1.8.

Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift tegelijk met deze uitspraak is verzonden.

2 Feiten

2.1.

Op grond van de stukken van het geding stelt de rechtbank als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast:

2.2.

Belanghebbende was gehuwd met [erflater] (hierna: erflater). Erflater is op [datum] 2008 overleden, had ten tijde van het overlijden de Nederlandse nationaliteit en woonde op dat moment in Duitsland.

2.3.

Op het tijdstip van overlijden woonde erflater al langer dan 10 jaar niet meer in Nederland.

2.4.

Erflater heeft krachtens uiterste wilsbeschikking belanghebbende tot zijn enige erfgename benoemd.

2.5.

Tot de nalatenschap behoren in Nederland gelegen onroerende zaken met een totale waarde van € 648.000. De daarmee verband houdende hypothecaire schulden bedroegen op het tijdstip van overlijden € 377.201. De verkrijging was dus € 270.799 en over die waarde is recht van overgang geheven.

2.6.

Belanghebbende is tevens in de heffing van het Duitse successierecht betrokken. Zij is over haar verkrijging, na toepassing van de echtgenotenvrijstelling, in Duitsland geen successierecht verschuldigd.

3 Geschil

3.1.

In geschil is uitsluitend het antwoord op de vraag of het onthouden aan belanghebbende van de vrijstelling van artikel 32, lid 1, ten vierde, onderdeel a, van de Wet Successiewet 1956 (hierna: de partnervrijstelling) verenigbaar is met het recht van de Europese Unie.

3.2.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de inspecteur bevestigend.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

In de zaak Welte (HvJ EU 17 oktober 2013, C-181/12) lag dezelfde rechtsvraag voor als in onderhavig geval. Het Hof van Justitie heeft in die zaak geoordeeld dat de artikelen 56 en 58 EG aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een regeling van een lidstaat inzake de berekening van de erfbelasting volgens welke de belastingvrije som bij vererving van een onroerende zaak die op het grondgebied van deze staat is gelegen, lager is wanneer de erflater en de verkrijger van de nalatenschap ten tijde van het openvallen van de nalatenschap in een ander land woonden dan die welke zou zijn toegepast wanneer ten minste één van hen op datzelfde tijdstip in voormelde lidstaat had gewoond.

4.2.

In het onderhavige geval geldt volgens het bepaalde in de Successiewet geen belastingvrije som voor belanghebbende. Dit hangt samen met het uitgangspunt dat de erfbelasting een heffing naar draagkracht is. De op grond van het woonplaats- en nationaliteitsbeginsel afgebakende heffing van successierecht betreft ten principale het gehele, wereldwijde vermogen van de overledene, terwijl de op grond van het zakelijk bronbeginsel afgebakende heffing van het recht van overgang louter nader bepaalde, in Nederland gelegen vermogensbestanddelen betreffen. Bij de territoriaal onbegrensde heffing van het successierecht worden bepaalde vrijstellingen toegekend waardoor rekening wordt gehouden met de persoonlijke draagkracht of de persoonlijke en gezinssituatie. Zodanige vrijstellingen worden bij de (zakelijke) heffing van het recht van overgang niet toegekend.

4.3.

De Nederlandse regelgeving kent enkel een onbeperkte belastingplicht voor de erfbelasting indien de erflater ten tijde van zijn overlijden (al dan niet fictief) in Nederland woonde. Alleen in dat geval wordt de gehele nalatenschap in Nederland belast en wordt de partnervrijstelling verleend. De Duitse regelgeving, zoals aan de orde was in de zaak Welte, wijkt hiervan af in die zin dat in Duitsland ook onbeperkte belastingplicht bestaat als enkel de erfgenaam zijn woonplaats heeft in Duitsland. In dat geval ontstaat voor zijn aandeel in de nalatenschap onbeperkte belastingplicht en is – indien de betreffende erfgenaam de echtgenoot is – de echtgenotenvrijstelling van toepassing. Ter zitting heeft de inspecteur op dit onderscheid gewezen en benadrukt dat aldus in Duitsland geen koppeling bestaat tussen enerzijds de omvang van het heffingsobject en anderzijds de toekenning van de echtgenotenvrijstelling, terwijl dat in het Nederlandse systeem wel het geval is.

4.4.

Het Hof van Justitie beoordeelt in de zaak Welte enkel of het gerechtvaardigd is dat de in Duitsland gelegen onroerende zaak zwaarder wordt belast in het geval de erflater en de erfgenaam ten tijde van het overlijden niet in Duitsland woonden dan in het geval een van hen ten tijde van het overlijden wel in Duitsland woonachtig was. Het Hof overweegt (r.o. 49) dat de hoogte van de erfbelasting over een in Duitsland gelegen onroerende zaak wordt berekend op basis van zowel de waarde van deze onroerende zaak als de persoonlijke band die tussen de erflater en de erfgenaam bestaat en dat geen van beide criteria afhankelijk zijn van de woonplaats van de erflater of de erfgenaam. Het Hof oordeelt vervolgens (r.o. 51) dat er tussen beide voorgenoemde situaties geen enkel objectief verschil bestaat dat een verschil in behandeling kan rechtvaardigen. Omdat er geen rechtvaardiging kan worden gevonden voor deze verschillende behandeling oordeelt het Hof van Justitie het onthouden van de echtgenotenvrijstelling voor de heffing van het recht van overgang in strijd met het vrij verkeer van kapitaal.

4.5.

De rechtbank ziet in het onderhavige geval geen verschil met de zaak Welte. Het in r.o. 4.3 gesignaleerde verschil tussen het Nederlandse en Duitse stelsel is niet van zodanige aard dat het oordeel met betrekking tot het Nederlandse stelsel anders moet uitvallen. Ook onder het Nederlandse recht van overgang worden de door belanghebbende verkregen onroerende zaken zwaarder belast dan het geval was geweest als de erflater ten tijde van zijn overlijden in Nederland had gewoond, terwijl ook in het Nederlandse stelsel de waarde van onroerende zaak en de persoonlijke band tussen de erfgenaam en de erflater niet afhankelijk zijn van de woonplaats van de erflater of de erfgenaam.

4.6.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard. Niet in geschil is dan dat de vrijstelling hoger is dan de verkrijging zodat de aanslag moet worden vernietigd.

5 Proceskosten

5.1.

Nu het beroep gegrond is vindt de rechtbank aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Voor vergoeding van kosten van de bezwaarfase acht de rechtbank geen termen aanwezig, nu gesteld noch gebleken is dat belanghebbende om vergoeding van deze kosten heeft verzocht voordat, zoals is vereist op grond van artikel 7:15, derde lid, van de Awb, uitspraak op bezwaar is gedaan.

5.2.

Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 944 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 1).

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vernietigt de aanslag ;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 944;

  • -

    gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 42 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 4 december 2013 door mr.drs. M.M. de Werd, voorzitter, mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en prof.mr. I.J.F.A. van Vijfeijken, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van

mr. B.W. van Eeken-Liu, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.