Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:8709

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
14-11-2013
Datum publicatie
04-03-2015
Zaaknummer
AWB 13_1493
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervoersvoorziening. PGB. Segway.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE AWB 13/1493 WMO

Uitspraak van 14 november 2013 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: [naam gemachtigde1],

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Middelburg (het college), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft bij het college beroep ingesteld tegen het besluit van 17 januari 2013 (bestreden besluit) van het college inzake zijn aanspraak op een vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college heeft het beroepschrift doorgezonden naar de rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 19 september 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden[naam adviseur], adviseur Wmo, [naam indicatiesteller], indicatiesteller Wmo, [naam regisseur], regisseur uitvoering sociale regelingen en [naam medisch adviseur], medisch adviseur.

Overwegingen

1.

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser lijdt onder andere aan multiple sclerose. Het college heeft hem een vervoersvoorziening in de vorm van collectief vervoer en in de vorm van een vastframe-rolstoel toegekend. Eiser heeft bij het college een aanvullende Wmo-vervoersvoorziening aangevraagd in de vorm van een Segway. Op verzoek van het college heeft De MO-zaak op 15 mei 2012 advies over de aanvraag van eiser uitgebracht. Vervolgens heeft het college een ‘second opinion’ gevraagd aan SCIO Consult. SCIO Consult heeft op 24 juli 2012 advies uitgebracht, aangevuld per e-mail van 27 juli 2012.

Bij besluit van 5 oktober 2012 heeft het college eisers verzoek afgewezen met als motivering dat een handbike in combinatie met de vastframe-rolstoel die eiser al gebruikt of een scootmobiel de goedkoopst adequate oplossing is voor eisers vervoersproblemen. Om tegemoet te komen aan eisers wens wordt hem een persoonsgebonden budget (PGB) aangeboden ter hoogte van € 4.671,87. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard met correctie van het bedrag van het PGB in € 4.721,87.

2.

In beroep voert eiser, samengevat, aan dat de Segway zijn mobiliteit aanzienlijk vergroot en dat de Segway meer passend voor hem is gezien zijn mobiliteitsbeperkingen. Met de Segway is hij dermate wendbaar dat hij net als een voetganger langs hekjes kan waar hij met een handbike of een scootmobiel vast komt te zitten. De stabiliteit is computertechnisch ingebouwd en voorkomt vallen bij drempels en stoepranden. Met een Segway komt hij op dezelfde ooghoogte als anderen. Bovendien past een Segway opgevouwen in de bagageruimte van een auto en vergt hij in huis geen extra stallingsruimte zoals de scootmobiel. De Segway brengt hem tot naast zijn stoel ongeacht of dit thuis is of ergens anders. Daarmee wordt de lichamelijke belasting die lopen hem geeft veel verder gereduceerd dan bij het gebruik van een handbike of scootmobiel.

De huisarts en behandelend neuroloog van eiser ondersteunen hem in zijn standpunt. In andere gemeenten wordt volgens eiser wel een Segway vergoed. Ter onderbouwing van deze stelling wijst hij op een uitspraak van 16 augustus 2012 van de rechtbank Arnhem (LJN BX8032).

3.

Artikel 4 van de Wmo luidt:

1.

Ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lidartikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4°, 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, treft het college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen:

a. een huishouden te voeren;

b. zich te verplaatsen in en om de woning;

c. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;

d. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.

2.

Bij het bepalen van de voorzieningen houdt het college van burgemeester en wethouders rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, waaronder verandering van woning in verband met wijziging van leefsituatie, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

Artikel 15 van de Verordening voorzieningen Wmo gemeente Middelburg 2012 (verder: de Verordening) luidt:

1.

Het te bereiken resultaat ten aanzien van het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel bestaat uit het kunnen doen van dagelijkse boodschappen, het kunnen bezoeken van familie en kennissen en het doen van gewenste activiteiten, alles binnen de directe woon- en leefomgeving.

2.

Met het oog op het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel, kan een individuele voorziening worden getroffen ten aanzien van het verplaatsen over de korte afstand rond de woning en het verplaatsen over de langere afstand binnen de directe woon en leefomgeving.

3.

Voor zover de belanghebbende gebruik kan maken van een aanwezige en bruikbare scootermobielpool of van collectief vervoer van deur tot deur die in de individuele situatie van de belanghebbende kan leiden tot het te bereiken resultaat worden deze mogelijkheden eerst beoordeeld.

4.

Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden beschikbaar en bruikbaar zijn worden ten aanzien van die onderdelen geen individuele voorzieningen verstrekt.

Artikel 16 van de Verordening luidt:

1.

Het te bereiken resultaat ten aanzien van de mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten bestaat uit het zo mogelijk kunnen afleggen van gewenste bezoeken en het deelnemen aan gewenste activiteiten.

2.

Met het oog op de mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten kan een individuele voorziening worden getroffen ten aanzien van het vervoer naar de gewenste bestemmingen.

3.

Voor zover de belanghebbende gebruik kan maken van een of meer aanwezige en bruikbare (vrijwilligers)organisaties die in de individuele situatie van belanghebbende kan leiden tot het te bereiken resultaat worden deze mogelijkheden eerst beoordeeld.

4.

Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden beschikbaar en bruikbaar zijn worden ten aanzien van die onderdelen geen individuele voorzieningen verstrekt.

4.

Niet in geschil is dat eiser behoefte heeft aan een aanvullende vervoersvoorziening naast hetgeen hem al eerder is toegekend.

Zijn vervoersbehoefte bestaat uit het onderhouden van sociale contacten (familie en vrienden), boodschappen doen en recreatieve activiteiten (het bezoeken van concerten en sportwedstrijden).

Zowel uit het advies van De MO-zaak als uit het advies van SCIO-consult blijkt dat de Segway op zichzelf een adequate vervoersvoorziening voor eiser is, maar dat een scootmobiel eveneens een adequate voorziening is. Aangezien een scootmobiel goedkoper is dan een Segway heeft het college besloten om geen Segway te verstrekken, maar eiser een PGB toe te kennen ter hoogte van de prijs van een scootmobiel inclusief onderhoudskosten.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zorgvuldig onderzoek verricht naar aanleiding van de aanvraag van eiser. Er is medisch advies door twee instanties uitgebracht, waarbij het tweede advies de uitkomst van het eerste advies bevestigt, namelijk dat zowel een Segway als een scootmobiel vanuit medisch oogpunt een passende voorziening voor eiser is. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat uit de door eiser overgelegde informatie van de huisarts en van de behandelend neuroloog niet is gebleken dat de scootmobiel medisch gezien niet een adequate voorziening voor eiser is. Evenmin is gebleken dat met een scootmobiel als aanvullende voorziening niet voldoende aan de vervoersbehoefte van eiser tegemoet kan worden gekomen. Verder is onderzoek gedaan naar de hoogte van de kosten van beide voorzieningen en naar de kosten van de woningaanpassing die noodzakelijk zou zijn voor het gebruik van een scootmobiel. De beschikbare gegevens rechtvaardigen de conclusie dat een scootmobiel de goedkoopst adequate vervoersvoorziening is.

Overigens is het goed voor te stellen dat het gebruik van een Segway eiser meer mogelijkheden biedt, zoals hij in het aanvullende beroepschrift en ter zitting heeft uiteengezet, maar dat maakt niet dat met de verstrekking van een scootmobiel niet wordt voldaan aan de compensatieplicht van het college ex artikel 4, eerste lid, van de Wmo. Het college is bovendien in zekere zin aan eisers wens tegemoetgekomen door hem in plaats van een scootmobiel een PGB ter hoogte van de aanschafprijs van een scootmobiel te verstrekken. Daardoor is eiser de keuze gelaten tussen een scootmobiel, een handbike of een Segway. Voor zoveel dit bedrag niet toereikend is om een Segway aan te schaffen dient eiser daarin zelf te voorzien.

Voor zover eiser met verwijzing naar de uitspraak van 16 augustus 2012 van de rechtbank Arnhem een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel merkt de rechtbank op dat de omstandigheden in die uitspraak niet vergelijkbaar zijn met eisers situatie. In die uitspraak stond namelijk vast dat andere voorzieningen dan een Segway niet adequaat waren. Er is dus geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel.

5.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het college op goede gronden heeft vastgesteld dat met een aanvullende vervoersvoorziening in de vorm van een PGB ten bedrage van € 4.721,87 eiser in voldoende mate is tegemoetgekomen in zijn vervoersbehoefte. Dat leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit terecht is genomen. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.M. van Bergen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Bezemer-Kralt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 november 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.