Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:8633

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-11-2013
Datum publicatie
28-11-2013
Zaaknummer
C/02/271490 / KG ZA 13-644
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/271490 / KG ZA 13-644

Vonnis in kort geding van 18 november 2013

in de zaak van

1 [eiser 1],

2. [eiser 2],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. P.C. Schouten te Breda,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

I.W.A.G. II BV,

gevestigd te Breda,

gedaagde,

advocaat mr. C.A.E. Frankhuijzen te Rotterdam.

Partijen zullen hierna respectievelijk ‘[eiser 1]’, ‘[eiser 2]’ en ‘I.W.A.G. II’ genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 21 oktober 2013 met producties 1 tot en met 19,

  • -

    de mondelinge behandeling op 23 oktober 2013,

  • -

    de pleitnota van [eiser 1] en [eiser 2].

1.2.

Na uitroeping van de zaak is I.W.A.G. II niet verschenen. Na gebleken geldige wijze van dagvaarden is tegen I.W.A.G. II ter zitting verstek verleend. Vervolgens hebben [eiser 1] en [eiser 2] ter zitting hun standpunt nader uiteengezet en geconcludeerd voor eis overeenkomstig de dagvaarding. Daarop is vonnis bepaald op 30 oktober 2013.

1.3.

Kort na de mondelinge behandeling heeft I.W.A.G. II bij faxbericht van 23 oktober 2013 het verstek gezuiverd.

1.4.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het faxbericht van [eiser 1] en [eiser 2] van 30 oktober 2013, inhoudende een wijziging van eis,

- de brief van I.W.A.G. II van 1 november 2013 met producties 1 tot en met 23,

- het faxbericht van I.W.A.G. II van 1 november 2013 met productie 24,

- de mondelinge behandeling op 4 november 2013,

- de pleitnota van I.W.A.G. II.

1.5.

Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

2 Het geschil

2.1.

Voor de volledige inhoud van de vordering van [eiser 1] en [eiser 2] wordt verwezen

naar het petitum van de inleidende dagvaarding en de eiswijziging. Kort weergegeven strekt

de vordering primair tot een verbod tot het plaatsen van berichten op het internet en het doen van uitlatingen in de media en een gebod tot het verwijderen van plakkaten op de ramen van café BED, waarin wordt gerefereerd aan [eiser 1] en [eiser 2] als verantwoordelijk voor of schuldig aan de problemen die café BED met de autoriteiten ondervindt; tot een gebod tot het verwijderen en het verwijderd houden van voornoemde berichten op het internet; tot een gebod tot staking en het gestaakt houden van smaad en laster over [eiser 1] en [eiser 2] en tot rectificatie. Subsidiair wordt gevorderd dat de voorzieningenrechter andere passende voorzieningen treft. Het primair en subsidiair gevorderde op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van I.W.A.G. II in de proceskosten.

2.2.

I.W.A.G. II voert verweer.

2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties wordt uitgegaan van de navolgende feiten:

a. Sinds 2010 huren [eiser 1] en [eiser 2] een woonruimte c.q. studentenkamer op de eerste verdieping van het pand aan de [adres] te Breda. Op de begane grond van dit pand bevindt zich sinds oktober 2012 café BED, een horecagelegenheid waar overdag kan worden geluncht, geborreld en gedineerd en waar in de late avond en in de nacht kan worden gedanst. Café BED wordt geëxploiteerd door I.W.A.G. II.

b. Vanaf 29 november 2012 zijn onder andere door [eiser 1] en [eiser 2] tegen café BED klachten ingediend wegens geluidsoverlast. Nadat bij diverse metingen bij café BED een overschrijding van de wettelijke geluidsnormen werd geconstateerd, heeft de gemeente Breda bij besluit van 3 maart 2013 aan café BED een last onder dwangsom opgelegd. Ten tijde van de mondelinge behandeling van dit kort geding had café BED een bedrag van in totaal € 20.000,00 aan dwangsommen verbeurd wegens overschrijding van de geluidsnormen.

c. Voor de bewoners van het studentenhuis [adres] is op Facebook een groep aangemaakt, waarin leden van de groep hun mening en interesse over een bepaald onderwerp kunnen delen. Op 29 juli 2013 heeft de bedrijfsleider van café BED via deze groep de volgende uitlating gedaan:

“Helaas moet BED sluiten. De twee metingen van afgelopen weekend door [eiser 1] en [eiser 2] hebben de nekslag gegeven. Ik hoop dat ze blij zijn hun doel te hebben bereikt”.

d. Op 9 en 14 oktober 2013 heeft BN De Stem een artikel van de hand van Corné Luyken gepubliceerd over de problemen die café BED met de gemeente Breda ondervindt ter zake van geluidsoverlast. De artikelen dragen de titels: “BED niet akkoord met dwangsom” en “BED dicht uit vrees voor boetes”. In de artikelen staat, onder meer, het volgende:

“Volgens BED zijn de klachten afkomstig van enkele studenten die boven de zaak wonen. Deze studenten zijn hier vrijwillig gaan wonen, wetende dat er een horecazaak beneden zit, wat mogelijk overlast zou veroorzaken”

“Het gros van de bewoners boven BED zegt geen overlast te ondervinden. (…). Twee bewoners zijn daarentegen naar een advocaat gegaan om een einde te maken aan de overlast. [Naam X] zegt 52.000 euro te hebben geïnvesteerd om de twee tegemoet te komen”.

e. Op 14 oktober 2013 heeft I.W.A.G. II café BED gesloten. Diezelfde dag is op de officiële website van café BED een bericht geplaatst met als titel: “Voor iedereen die het echte verhaal wilt weten!”. Daarin staat, onder meer, het volgende:

“Uitvoerige gesprekken met een tweetal bewoners die aangaven geluid te horen tijdens de nacht en volgens hen werd dit geluid veroorzaakt door BED. Een bijzondere beschuldiging (…)”

“In deze periode vonden wij het belangrijk dat we continu in gesprek bleven met de bewoners. Er is zelfs gesproken met de twee heren om nieuwe woonruimte voor hen te zoeken en te helpen met verhuizen”.

“Het lijkt er heel erg op dat de twee betreffende heren uit zijn op buitensporige geldbedragen om niet meer verder te klagen bij de gemeente”.

f. Op 18 oktober 2013 zijn de ramen van café BED bedekt met plakkaten, waarop een tekst was afgedrukt, die die dag ook op de officiële website van café BED te vinden was. Voor zover hier van belang luidde de tekst als volgt:

“De verdiepingen boven BED worden bewoond door leuke studenten. Hiervan zijn er TWEE die ondanks uitvoerig overleg en een lange weg in het zoeken naar oplossingen stelselmatig zijn blijven klagen”.

“Het beklaag van de TWEE dwarsliggers heeft uiteindelijk geleid tot hoge boetes en zagen we op een gegeven moment geen andere uitweg dan het (tijdelijk) inleveren van onze nachtvergunning om op bepaalde kosten te kunnen besparen”.

g. Bij e-mailbericht van 18 oktober 2013 is I.W.A.G. II gesommeerd tot verwijdering van de aangebrachte plakkaten op de ramen van café BED en zich te onthouden van, onder meer, smadelijke, lasterlijke of onware uitlatingen, waarin [eiser 1] en [eiser 2] verantwoordelijk worden gesteld voor de (tijdelijke) sluiting van café BED en of in hun goede naam en eer worden aangetast.

3.2.

[eiser 1] en [eiser 2] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat medewerkers van I.W.A.G. II in het openbaar via internet, de media en de aangebrachte plakkaten op de ramen van café BED uitlatingen over hen hebben gedaan, zoals nader in de dagvaarding omschreven en zoals hiervoor sub 3.1. bij de feiten is weergegeven, die iedere feitelijke grondslag missen. Als gevolg hiervan worden zij in hun eer en goede naam geschaad. Voorts hebben de uitlatingen tot gevolg gehad dat zij, onder andere, door hun medehuurders en bezoekers van café BED worden getreiterd en belaagd, hetgeen een inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer oplevert, aldus [eiser 1] en [eiser 2]. [eiser 1] en [eiser 2] stellen recht en spoedeisend belang bij toewijzing van het gevorderde te hebben.

3.3.

Het vereiste spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de gevraagde voorzieningen en wordt door I.W.A.G. II overigens niet betwist.

3.4.

Aan de orde is de vraag of I.W.A.G. II met de door [eiser 1] en [eiser 2] gestelde uitlatingen onrechtmatig jegens [eiser 1] en [eiser 2] heeft gehandeld.

3.5.

Bij beantwoording van die vraag dient voorop gesteld te worden dat uit de grondwettelijke en verdragsrechtelijke gewaarborgde vrijheid van meningsuiting voortvloeit dat een ieder het recht heeft om gedachten en gevoelens van welke inhoud dan ook, te uiten. Dat betekent dat een ieder de vrijheid heeft zijn of haar hart te luchten en zich op negatieve wijze over iemand anders uit te laten, ook als die uitlatingen een beschuldiging aan het adres van een ander inhouden. Dat recht om vrijelijk zijn mening te uiten, vindt zijn begrenzing in het geval daarmee iemands eer en goede naam op onrechtmatige wijze wordt aangetast. Of daarvan sprake is, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden.

3.6.

Hoewel het meest verstrekkende verweer van I.W.A.G. II is dat zij haar mededelingen aan de buitenwereld reeds heeft aangepast in die zin, dat in de tekst op het internet en op de door haar nieuw aangebrachte plakkaten niet meer wordt verwezen naar [eiser 1] en [eiser 2] of de twee studenten, zodat er niet langer een correlatie is met [eiser 1] en [eiser 2], kiest de voorzieningenrechter ervoor allereerst het volgende te overwegen.

3.7.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de aard van de gewraakte uitlatingen op het internet en op de door I.W.A.G. II op 18 oktober 2013 op de ramen van café BED aangebrachte plakkaten, suggestief en grievend. Zo wordt gesuggereerd dat [eiser 1] en [eiser 2] personen zijn die iedere vorm van medewerking weigeren en slechts uit zijn op financieel gewin, dat zij de enigen zijn die geklaagd hebben over de geluidsoverlast van café BED en dat zij verantwoordelijk zijn voor de sluiting van café BED. Dat maakt dat er hoge eisen mogen worden gesteld aan de feitelijke onderbouwing van de gedane uitlatingen. I.W.A.G. II heeft niet aannemelijk gemaakt dat [eiser 1] en [eiser 2] ‘dwarsliggers’ zijn en slechts uit zijn op financieel gewin. Voorts is niet weersproken dat naast [eiser 1] en [eiser 2] ook andere personen hebben geklaagd over geluidsoverlast door café BED en heeft I.W.A.G. II naar eigen zeggen ter zitting er zelf voor gekozen om haar nachtvergunning vrijwillig in te leveren, omdat zij niet in staat zou zijn eventueel nog te verbeuren dwangsommen op te brengen. Geoordeeld wordt daarom dat de gewraakte uitlatingen op het internet en op de betreffende plakkaten onvoldoende steun vinden in de feiten. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ziet de voorzieningenrechter niet in op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat de eer en goede naam van [eiser 1] en [eiser 2] op onrechtmatige wijze is aangetast als gevolg van de gewraakte uitlatingen in BN De Stem.

3.8.

Het voorgaande betekent dat I.W.A.G. II met de door haar geplaatste uitlatingen op het internet en op de door haar op 18 oktober 2013 aangebrachte plakkaten onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 1] en [eiser 2]. Dit geldt te meer, nu het gebezigde middel, internet en het ophangen van plakkaten in de binnenstad van Breda, een grote impact heeft, omdat de informatie op deze wijze wijd verspreid kan worden en het eenvoudig en voor veel mensen bereikbaar is. Hieruit volgt dat het recht van [eiser 1] en [eiser 2] op bescherming van de eer en goede naam en op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer dient te prevaleren boven het recht van I.W.A.G. II op vrijheid van meningsuiting. De voorzieningenrechter begrijpt dat het doel van I.W.A.G. II was een verklaring te geven voor de sluiting van café BED om negatieve geruchten daarover te voorkomen, maar deze omstandigheid rechtvaardigt niet dat zij uitlatingen mag doen ten aanzien van [eiser 1] en [eiser 2], waaraan een gegronde feitelijke onderbouwing ontbreekt.

3.9.

[eiser 1] en [eiser 2] vorderen voor de duur van twee jaar een verbod tot het plaatsen van berichten op het internet en het doen van uitlatingen in de media, waarin wordt gerefereerd aan [eiser 1] en [eiser 2] als verantwoordelijk voor of schuldig aan de problemen die café BED met de autoriteiten ondervindt door overtreding van de wettelijke geluidsnormen. Daargelaten dat deze vorderingen te ruim zijn geformuleerd, bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter op dit moment geen reden om met spoed dergelijke voorzieningen te treffen. Als niet weersproken staat immers vast dat I.W.A.G. II haar tekst op het internet en op de door haar aangebrachte plakkaten inmiddels heeft aangepast in die zin, dat daarin niet meer wordt verwezen naar [eiser 1] en [eiser 2] of de twee studenten. I.W.A.G. II zal zich – zolang geen nieuwe feiten of omstandigheden te dezer zake voordoen – moeten onthouden van het doen van uitlatingen in welke vorm dan ook, die de strekking dan wel het gevolg hebben [eiser 1] en [eiser 2] aan te tasten in hun eer en goede naam, op de wijze zoals zij heeft gedaan op het internet en op de door haar op 18 oktober 2013 aangebrachte plakkaten. De komende tijd zal uitwijzen of I.W.A.G. II zich daaraan houdt. Alsdan zal blijken of het opleggen van dergelijke verboden noodzakelijk is. De gevorderde verboden worden daarom afgewezen.

3.10.

Nu I.W.A.G. II haar tekst op het internet en op de door haar aangebrachte plakkaten inmiddels in voormelde zin heeft aangepast, zullen de gevorderde geboden tot verwijdering van de berichten op het internet en de plakkaten op de ramen van café BED wegens het ontbreken van enig belang bij toewijzing daarvan, worden afgewezen.

3.11.

Ten aanzien van het gevorderde gebod tot het verwijderd houden van berichten op het internet, waarin wordt gerefereerd aan [eiser 1] en [eiser 2] als verantwoordelijk voor of schuldig aan de problemen die café BED met de autoriteiten ondervindt door overtreding van de wettelijke geluidsnormen, geldt hetgeen hiervoor sub 3.9. is overwogen. In aanmerking genomen dat I.W.A.G. II haar tekst op het internet heeft aangepast en zich zal moeten onthouden van onrechtmatige uitlatingen over [eiser 1] en [eiser 2], bestaat op dit moment geen reden om met spoed de gevraagde voorziening te treffen. Het gevorderde gebod wordt daarom afgewezen.

3.12.

Het gevorderde gebod tot staking en het gestaakt houden van smaad en laster over [eiser 1] en [eiser 2] wordt als te ruim en te onbepaald geformuleerd afgewezen. Niet duidelijk is waaraan I.W.A.G. II moet voldoen. Op dit moment bestaat bovendien geen reden voor toewijzing van de gevraagde voorziening.

3.13.

Weliswaar heeft I.W.A.G. II zich op onrechtmatige wijze jegens [eiser 1] en [eiser 2] uitgelaten, maar dat betekent nog niet dat een aan I.W.A.G. II op te leggen rectificatie zoals gevorderd, af te dwingen met een dwangsom, het geëigende middel is tot verbetering van het door [eiser 1] en [eiser 2] geleden nadeel. Nu van het nut en de noodzaak om een dergelijk verstrekkende voorziening te treffen niet is gebleken, zal deze vordering worden afgewezen.

3.14.

Voor het opleggen van de gevorderde dwangsom bestaat geen aanleiding, omdat het gevorderde in zijn geheel wordt afgewezen.

3.15.

I.W.A.G. II heeft kort na het uitbrengen van de inleidende dagvaarding haar uitlatingen op het internet en op de plakkaten in voormelde zin aangepast. Als gevolg daarvan is het belang van [eiser 1] en [eiser 2] bij toewijzing van het door hen gevorderde gebod tot verwijdering van de plakkaten en de berichten op het internet komen te ontvallen, waardoor deze vorderingen niet meer voor toewijzing in aanmerking komen. Feitelijk zijn partijen dus over en weer (deels) in het ongelijk gesteld. De voorzieningenrechter ziet daarin aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren zoals hierna in het dictum verwoord.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

wijst de vorderingen af;

4.2.

compenseert de proceskosten aldus, dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Poerink en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. Evers op 18 november 2013.