Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:8557

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
12-11-2013
Datum publicatie
07-02-2014
Zaaknummer
AWB 13_1180
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Wachttijd niet vervuld. Niet horen in bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 13/1180 WIA

uitspraak van 12 november 2013 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres], te[woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr.[naam gemachtigde],

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 28 januari 2013 (bestreden besluit) van het UWV inzake de weigering een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toe te kennen met ingang van 26 december 2012.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 1 oktober 2013. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.[naam vertegenwoordiger].

Overwegingen

1.

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres ontving een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) en is vanuit die situatie per 29 december 2010 uitgevallen vanwege chronische bronchitis. Voorheen is zij werkzaam geweest als medewerkster in de tuinbouw (aardbeien). Het UWV heeft eiseres een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.

Bij besluit van 26 oktober 2012 heeft het UWV de uitkering ingevolge de ZW beëindigd per 1 november 2012, omdat eiseres per die datum geschikt wordt geacht haar arbeid te verrichten. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het UWV heeft het bezwaar bij besluit op bezwaar van 21 november 2012 ongegrond verklaard. Hiertegen is geen beroep ingesteld.

Eiseres heeft op 25 september 2012 een uitkering ingevolge de WIA aangevraagd.

Bij besluit van 29 oktober 2012 (primair besluit) heeft het UWV geweigerd aan eiseres per 26 december 2012 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij niet voldoet aan de voorwaarde dat zij door ziekte 104 weken haar werk niet (of niet volledig) kan doen. Eiseres is immers vóór het einde van deze periode hersteld gemeld.

Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

2.

In geschil is of het UWV terecht de WIA-uitkering heeft geweigerd per 26 december 2012.

3.

Eiseres voert, samengevat, aan dat het in strijd is met de rechtszekerheid dat het UWV de ZW-uitkering heeft beëindigd en de WIA-uitkering heeft geweigerd op basis van dezelfde motivering. Het is misleidend en in strijd met de rechtszekerheid dat het UWV in het besluit van 29 oktober 2012 niet rept over het besluit van 26 oktober 2012. Eiseres betwist ook dat zij vóór het einde van de periode van 104 weken hersteld is gemeld. Volgens eiseres dient het besluit van 29 oktober 2012 te worden gezien als een wijziging dan wel aanvulling van het besluit van 26 oktober 2012, te meer nu beide besluiten op dezelfde feiten berusten. Zou de rechtbank haar daarin niet volgen, dan stelt eiseres dat ten onrechte een volledige beoordeling van de WIA-aanvraag achterwege is gebleven. Dit is in strijd met het motiveringsbeginsel en met de rechtszekerheid.

4.

In artikel 23, eerste lid, van de WIA is bepaald dat voordat de verzekerde aanspraak kan maken op een uitkering op grond van deze wet, voor hem een wachttijd van 104 weken geldt.

In artikel 23, tweede lid, van de WIA is bepaald dat als eerste dag van de wachttijd geldt de eerste werkdag al dan niet in een dienstbetrekking waarop door de verzekerde wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt.

In artikel 47, eerste lid, van de WIA is bepaald dat recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat voor de verzekerde die ziek wordt indien:

a. hij de wachttijd heeft doorlopen;

b. hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is; en

c. er op hem geen uitsluitingsgrond van toepassing is.

In artikel 47, tweede lid, van de WIA is bepaald dat het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering niet eerder ontstaat dan op de eerste dag na afloop van de wachttijd of indien op die dag de uitsluitingsgrond, bedoeld in artikel 43, onderdeel b, van toepassing is, op de dag dat zich die uitsluitingsgrond niet meer voordoet.

5.

De rechtbank overweegt naar aanleiding van de door eiseres tijdens de zitting aangevoerde beroepsgrond dat zij in bezwaar ten onrechte niet is gehoord het volgende. Daargelaten of met of zonder toestemming van eiseres van het horen in bezwaar is afgezien, is de rechtbank niet gebleken dat eiseres door het niet horen is benadeeld. Eiseres heeft, met behulp van haar gemachtigde, tijdens de zitting bij de rechtbank de gronden van haar beroep voldoende kunnen toelichten. De rechtbank deelt niet het standpunt van eiseres dat zij in haar belang is geschaad doordat aan haar nu een gesprek met de verzekeringsarts bezwaar en beroep is onthouden. Nu in bezwaar geen medische gronden waren aangevoerd, zou het, zoals de gemachtigde van het UWV ter zitting heeft toegelicht, nog maar de vraag zijn geweest of de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanwezig zou zijn geweest bij de hoorzitting. De rechtbank is, in het licht van de uitspraak van de CRvB van 13 maart 2002 (op www.rechtspraak.nl gepubliceerd als LJN: AE1875) van oordeel dat de aanwezigheid van de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de hoorzitting in dit geval niet verplicht was geweest. Ook het Reglement behandeling bezwaarschriften UWV 2009 schrijft de aanwezigheid van een arts tijdens de hoorzitting niet voor. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de vermeende schending van de hoorplicht met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.

De rechtbank stelt vast dat eiseres tegen het besluit op bezwaar van 21 november 2012, waarbij het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 26 oktober 2012 inzake de beëindiging van haar ZW-uitkering per 1 november 2012 ongegrond is verklaard, geen beroep bij de rechtbank heeft ingesteld. Dit besluit is daarmee onherroepelijk geworden.

De rechtbank staat vervolgens voor de vraag in hoeverre dat betekenis heeft voor de vraag of eiseres voldoet aan de uitkeringsvoorwaarde voor een uitkering op grond van de WIA in de vorm van het doorlopen van de wachttijd van 104 weken.

Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (zie onder meer de uitspraken van 29 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1414, en van 25 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1844) moet aan het ontbreken van aanspraak op ziekengeld geen zelfstandige, laat staan doorslaggevende betekenis, worden toegekend bij de beoordeling of een verzekerde de wachttijd heeft vervuld. De beantwoording van die vraag vereist een zelfstandige beoordeling op basis van alle beschikbare gegevens van medische en andere aard, waarbij eventuele eerdere tijdens de wachttijd plaatsgevonden hersteldverklaringen betrokken (kunnen) worden.

Uit het bestreden besluit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het UWV niet een zelfstandige beoordeling heeft gedaan als hier bedoeld. Met het standpunt dat de wachttijd van 104 weken niet is vervuld omdat eiseres per 1 november 2012 arbeidsgeschikt is geacht, is volstaan met een verwijzing naar de hersteldverklaring in het kader van de ZW. Dat die hersteldverklaring is voortgekomen uit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat in het kader van de WIA-aanvraag is gedaan, maakt dat niet anders. Het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel (artikel 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)).

Met het oog op finale geschilbeslechting zal de rechtbank voorts bezien of er aanleiding is om gebruik te maken van de haar in artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb gegeven bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien. Daartoe zal het besluit ook inhoudelijk worden getoetst.

6.

In het kader van de WIA-aanvraag is eiseres op 15 oktober 2012 op het spreekuur gezien door de verzekeringsarts. Deze heeft ook het dossier bestudeerd. De arts rapporteert op 26 oktober 2012 dat er een discrepantie bestaat tussen de gevonden afwijkingen en de ervaren klachten. Gezien de onderzoeksbevindingen kan overeenkomstig de richtlijnen Schattingsbesluit niet gesteld worden dat eiseres op medische gronden tot geen enkele arbeid in staat is. Zij is wel beperkt voor zwaar fysiek belastend werk, stoffige werkomgeving, prikkelende stoffen, bovenhands werken. Eiseres vertoont geen depressieve kenmerken. Gezien de functieomschrijving die de arbeidsdeskundige op 26 november 2008 heeft opgesteld moet eiseres in staat worden geacht het werk als medewerkster aardbeien te verrichten. Om die reden is zij per 1 november 2012 door de verzekeringsarts geschikt geacht tot het verrichten van haar arbeid en is haar ZW-uitkering beëindigd. Vervolgens is bij het primaire besluit geweigerd haar een WIA-uitkering toe te kennen per 26 december 2012.

De vraag die thans voorligt is of aannemelijk is dat eisers in het tijdvak van vier weken na 1 november 2012 op grond van dezelfde oorzaak als voorheen arbeidsongeschikt is geworden. In dat geval schrijft artikel 29, vijfde lid, tweede volzin, van de ZW immers voor dat het nieuwe tijdvak van arbeidsongeschiktheid met het tijdvak tot 1 november 2012 moet worden samengeteld. De rechtbank verwijst naar een uitspraak van de CRvB van 25 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2213.

De gemachtigde van het UWV heeft ter zitting verwezen naar de medische rapportage van 21 november 2012 die de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het kader van het bezwaar tegen de beëindiging van de ZW-uitkering van 26 oktober 2012 heeft opgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eiseres op 21 november 2012 gezien op de hoorzitting en heeft aanvullend medisch onderzoek verricht. Ook heeft hij het dossier bestudeerd, waaronder de door eiseres overgelegde gegevens van de apotheek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gerapporteerd dat eiseres zich tijdens de hoorzitting met dezelfde klachten en beperkingen presenteert als tijdens het contact met de verzekeringsarts. Anamnestisch is sprake van een extrinsic component. Er zijn geen aanwijzingen dat de suiker ernstig ontregeld is. Bij onderzoek is geen sprake van dyspnoe of cyanose. De percussie laat geen afwijkende bevindingen zien. Bij auscultatie is alleen sprake van wat vochtige rhonchieën basaal. De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet, kijkend naar de belastbaarheid in de functie, geen argumenten om eiseres gezien haar beperkingen arbeidsongeschikt te achten voor de maatgevende arbeid.

Hieruit volgt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij zijn onderzoek drie weken na de ingangsdatum van de hersteldverklaring geen aanleiding zag om tot een ander oordeel te komen dan de primaire verzekeringsarts. De gemachtigde van het UWV heeft erop gewezen dat door eiseres in de bezwaarprocedure tegen de ZW-beslissing, noch in de onderhavige procedure, medische gegevens zijn ingebracht die nopen tot een andersluidend oordeel, zodat er om die reden vanuit mag worden gegaan dat eiseres vanaf de hersteldverklaring per 1 november 2012 langer dan vier weken geschikt was voor haar eigen werk.

De rechtbank volgt het UWV daarin. Daartoe overweegt zij als volgt. Niet in geschil is dat de werkbeschrijving van 26 november 2008 klopt. Eiseres heeft in bezwaar, noch in beroep medische gronden aangevoerd en heeft ook geen medische informatie ingebracht die aanleiding geeft om aan de bevindingen van de verzekeringsartsen, die de belastbaarheid hebben getoetst aan voormelde werkbeschrijving, te twijfelen. In het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep staat te lezen dat er geen verschil van inzicht is over de aard en de achtergrond van de aandoeningen, maar wel over de belastbaarheid van betrokkene. De ter zitting door de gemachtigde van eiseres geuite stelling dat eiseres van alles mankeert, is onvoldoende concreet zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres ter gelegenheid van de zitting zelf heeft aangegeven dat haar klachten, waaronder de schouder- en nekklachten, pas in de loop van 2013 zijn toegenomen. Gelet daarop blijken uit de aanwezige medische gegevens geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat eiseres binnen vier weken na 1 november 2012 opnieuw arbeidsongeschikt is geworden op grond van dezelfde oorzaak. Derhalve valt niet in te zien wat een nieuw verzekeringsgeneeskundig onderzoek nog zou kunnen toevoegen.

Uit het voorgaande volgt dat het standpunt dat eiseres de wachttijd van 104 weken niet heeft doorlopen stand houdt.

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.

7.

Het beroep zal gegrond worden verklaard en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

8.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed. De rechtbank zal het UWV veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472, en een wegingsfactor 1).

Namens eiseres is ter zitting gevraagd om het UWV te veroordelen in de door haar in de bezwaarfase gemaakte proceskosten. Dit verzoek kan niet worden ingewilligd, reeds omdat hierom in bezwaar niet is gevraagd.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 944,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.M. van Lanen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J. Tolner, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 november 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.