Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:8544

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-10-2013
Datum publicatie
26-11-2013
Zaaknummer
C/02/268673 JE RK 13-1712
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek van Bureau Jeugdzorg tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen. Bureau Jeugdzorg heeft een onderzoekstraject ingezet aan de hand van het Pedagogisch Model. De verkregen informatie van het onderzoek is gescoord door mevrouw Weterings van het Expertise Centrum in de Pleegzorg en door haar is vervolgens het PSI-rapport opgesteld. De conclusie van het rapport is dat er geen toekomstperspectief voor de kinderen is in de thuissituatie bij de ouders. De ouders hebben zich verzet tegen de conclusies van het Pedagogisch Model en de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd. Zij hebben verzocht om een contra-expertise op grond van art 810a Rv. Dit verzoek is door de rechtbank afgewezen, omdat de rechtbank zich voldoende geïnformeerd acht door het Pedagogisch Model. Voorts is het onderzoekstraject reeds belastend geweest voor de minderjarigen, mede vanwege hun problematiek. Een nieuw onderzoek zou dan ook een te grote belasting zijn. Het verzoek van Bureau Jeugdzorg tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen is vervolgens toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Jeugdrecht

Breda

Meervoudige Kamer

Zaaknummer: C/02/268673 JE RK 13-1712

29 oktober 2013

nadere beschikking betreffende verlenging uithuisplaatsing,

in de zaak van

de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

gevestigd te Eindhoven, mede kantoorhoudende

Alleenhouderstraat 25, 5041 LC Tilburg,

hierna te noemen de stichting,

en

de minderjarigen:

  1. [minderjarige], geboren te Tilburg op 25 oktober 2010;

  2. [minderjarige 3], geboren te Tilburg op 25 oktober 2010,

  3. [minderjarige 3], geboren te Tilburg op 30 juli 2005.

1. Het verdere verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van de kinderrechter van 4 oktober 2013 en alle daarin vermelde stukken;

- de op 14 oktober 2013 ontvangen brief van de hierna onder 3 te noemen belanghebbenden;

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 oktober 2013.

Als belanghebbenden in deze zaak zijn aangemerkt:

1. mevrouw[moeder], moeder van de minderjarigen en gezagdragende ouder,

2. de heer[vader], vader van de minderjarigen en gezagdragende ouder,

beide ouders worden bijgestaan door advocaat mr. J. van Rooijen.

3. de heer en mevrouw[pleegouder van minderkarige 3], pleegouders van de minderjarige[minderjarige 3].

2 De nadere beoordeling

2.1

Gelet op de samenhang van het onderhavige verzoekschrift met het verzoek van de ouders om de schriftelijke aanwijzing van de stichting d.d. 21 augustus 2013 vervallen te verklaren en een contactregeling vast te stellen tussen de ouders en de minderjarigen (zaaknummer C/02/269067 JE RK 13-1777), zijn deze verzoeken gezamenlijk ter zitting behandeld.

2.2

Bij voormelde beschikking heeft de kinderrechter haar beslissing op het verzoek van de stichting om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling aangehouden nu er op korte termijn geen duidelijkheid bestond over de plaatsing van de minderjarigen. De behandeling van de zaak is aangehouden in afwachting van de berichtgeving van de stichting over de mogelijke definitieve plaatsingen van de minderjarigen. Daarnaast heeft de kinderrechter de zaak in verband met de ingrijpendheid van de beslissing en de complexiteit van de zaak voor verdere behandeling verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank. Bij voormelde beschikking zijn tevens de belanghebbenden en de stichting opgeroepen te verschijnen ter zitting teneinde nader op het verzoek van de stichting te worden gehoord.

2.3

De vertegenwoordigster van de stichting heeft ter zitting naar voren gebracht dat er eerder sprake is geweest van drie door de ouders aangedragen netwerkgezinnen welke mogelijk in aanmerking konden komen voor plaatsing van de minderjarigen. Nadat er gesprekken hebben plaatsgevonden, hebben twee van deze gezinnen zich teruggetrokken en de ouders hebben daarna de stichting gevraagd het onderzoek naar het andere gezin te stoppen, omdat zij de vriendschap met dit gezin niet op het spel wilden zetten. In verband met de vakantie van het pleeggezin van[minderjarige 2] en[minderjarige] zijn zij gedurende de vakantie elders ondergebracht.[minderjarige] verblijft in een kort verblijfgezin dat mogelijk ook een perspectiefbiedende pleeggezinplaatsing kan worden. De ouders staan echter wantrouwend tegenover deze plaatsing nu dit pleeggezin bekend is met een hulpverlener van Stabiel die in het verleden betrokken is geweest bij het gezin.[minderjarige 2] verblijft inmiddels weer in het voormalige pleeggezin. De pleegvader kampt met gezondheidsproblemen waardoor het pleeggezin niet meer in staat is om zowel[minderjarige 2] als[minderjarige] op te vangen.[minderjarige 2] kan wel in dit pleeggezin blijven totdat duidelijk is of er voor hem een perspectiefbiedende plek gezocht moet worden. Ten aanzien van[minderjarige 3] is namens de stichting aangegeven dat zij geplaatst kan worden in een gezin dat eerst, zolang er nog geen duidelijkheid over het perspectief, kan fungeren als kort verblijfgezin en daarna mogelijk een perspectiefbiedende plaatsing kan worden. De stichting heeft daarbij aangegeven dat[minderjarige 3] een grote behoefte heeft aan duidelijkheid. De stichting blijft bij haar standpunt dat het Pedagogisch Model voldoende duidelijkheid biedt over het toekomstperspectief van de minderjarigen. Gelet op de uitkomsten met betrekking tot de gehechtheid van de minderjarigen is het nodig dat de minderjarigen de kans krijgen om een hechtingsrelatie aan te gaan met hun opvoeders. Dat betekent dat de minderjarigen duidelijkheid moeten krijgen en de ruimte moeten krijgen om zich te hechten aan hun opvoeders. Gebleken is dat de minderjarigen een terugval in hun gedrag lieten zien bij de frequente omgangsregeling met hun ouders in het kader van het onderzoek van het Pedagogisch Model. De stichting acht voorts een contra-expertise niet nodig. De stichting heeft daarbij aangegeven dat wanneer de ouders een second opinion wensen de stichting haar medewerking daaraan zal verlenen. Aangezien de stichting achter de uitkomsten staat van het Pedagogisch Model, zal een eventuele second opinion echter niet door de stichting worden aangevraagd.

2.4

Door en namens de ouders van de minderjarigen is aangevoerd dat een vooronderzoek naar de plaatsing in het gezin van mevrouw[pleeggezin] is beëindigd op initiatief van de ouders zelf, ondanks dat dit de laatste optie was om de minderjarigen op te vangen in hun eigen netwerk. Dit is een weloverwogen beslissing van de ouders geweest. Volgens de ouders is er op dit moment nog geen zicht op een (perspectiefbiedende) plaatsing voor[minderjarige 3]. Wanneer de rechtbank bepaalt dat[minderjarige 3] uit huis geplaatst blijft, zullen de ouders[minderjarige 3] toestemming geven om in het pleeggezin te wonen zodat het voor haar duidelijk is. Ook voor[minderjarige 2] is er geen duidelijkheid over een (perspectiefbiedende) plaatsing. Alleen de plaatsing van[minderjarige] kan mogelijk omgezet worden in een perspectiefbiedende plaats. Er is dan ook nog steeds geen duidelijkheid voor de minderjarigen. De ouders blijven zich verzetten tegen de uithuisplaatsing van de minderjarigen. Zij zijn bereid om de nodige hulp en steun te aanvaarden. De ouders zijn leerbaar, beschikken over de vaardigheden om voor de minderjarigen te zorgen en kunnen zich inleven in de minderjarigen. De ouders voelen het Pedagogisch Model als een competitie waarbij zij worden vergeleken met de pleegouders. In het kader van dat onderzoek is niet voldoende naar de vaardigheden van de ouders gekeken. Zij blijven dan ook bij hun standpunt dat er een contra-expertise dient plaats te vinden. Zij vrezen dat wanneer deze contra-expertise niet zal plaatsvinden een ontheffing van het gezag de volgende stap zal zijn. De ouders zijn van mening dat zij in staat zijn om voor alle minderjarigen, twee van de minderjarigen of één van hen te zorgen. Hier dient diepgaander onderzoek naar gedaan te worden. Ook is het mogelijk dat uit een contra-expertise zal blijken dat er meer omgang mogelijk is tussen de minderjarigen en hun ouders. De ouders zijn zeer betrokken bij de minderjarigen. Zij voelen zich echter niet gehoord en gesteund door de stichting. Voor hun gevoel hebben zij geen eerlijke kans gekregen om te laten zien dat zij voor de minderjarigen kunnen zorgen. Ook tijdens de observaties van de ouders met de minderjarigen in het kader van het onderzoek van het Pedagogisch Model moesten zaken rondom de minderjarigen geregeld worden. Doordat de pedagogisch werker hierdoor veelvuldig in beslag werd genomen, heeft de pedagogisch werker zich onvoldoende kunnen richten op het onderzoek naar de ouders. Zij kunnen zich niet vinden in de resultaten van het onderzoek en de wijze van afname van het onderzoek.

2.5

De pleegouders van[minderjarige 3] hebben bij voormelde brief de rechtbank bericht dat zij niet ter zitting zullen verschijnen mede omdat zij hun neutrale positie ten opzichte van de ouders wensen te bewaren.

2.6

De rechtbank overweegt als volgt.

Bij beschikking van 25 april 2013 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd van 1 mei 2013 tot 1 mei 2014 en heeft zij de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen verlengd van 1 mei 2013 tot 30 oktober 2013. Bij haar beslissing is overwogen dat vanuit de hulpverlening is geconstateerd dat de resultaten van het onderzoekstraject dat wordt doorlopen aan de hand van het Pedagogisch Model nodig zijn om te kunnen beoordelen of een thuisplaatsing van de minderjarigen daadwerkelijk tot de mogelijkheden behoort. Deze resultaten dienden te worden afgewacht. Thans ligt aan de rechtbank het verzoek van de stichting voor om de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

2.7

Door de stichting zijn als bijlagen bij het verzoekschrift overgelegd de PSI-rapporten: Terugplaatsing volgens het Pedagogisch Model bij de ouders betreffende de minderjarigen van respectievelijk 25 mei 2013, 20 juni 2013 en 25 juni 2013. De advocaat van de ouders heeft bij zijn brief van 5 september 2013 als bijlage de reactie van de ouders op het rapport betreffende[minderjarige 3] in het geding gebracht.

Volgens het Pedagogisch Model zijn er vier handvatten aan de hand waarvan bepaald kan worden of een terugplaatsing in het ontwikkelingsbelang is van het kind, namelijk:

  1. de aanwezigheid van (een basis voor) een gehechtheids- en opvoedingsrelatie van het kind met zijn ouders toen hij nog thuis woonde;

  2. de mate van ontwikkelingsverstoring van het kind voordat hij uit huis werd geplaatst;

  3. de mate van vooruitgang van het kind in het pleeggezin;

  4. e aard van de contacten tussen het kind en zijn ouders tijdens bezoeken.

Een conclusie, met advies, over wel of geen terugplaatsing wordt geschreven aan de hand van vier bronnen, namelijk:

  1. de informatie uit het PSI-UHP over de ontwikkeling van het kind en over de relatie tussen ouders en kind toen het kind nog thuis woonde;

  2. de observaties van de omgang tussen ouder en kind tijdens de bezoeken in het kader van het terugplaatsingstraject;

  3. de informatie van de pleegouders over de ontwikkeling van het kind, hun relatie met het kind en het verloop van de contacten met de ouders;

  4. de observaties van de pleegouders over de reacties van het pleegkind na de bezoeken van/aan de ouders.

Op basis van de informatie van deze vier informatiebronnen over de bovengenoemde handvatten, met name met betrekking tot de omgang tussen ouder en kind, wordt in het PSI-rapport een eindconclusie met advies gegeven over het wel of niet terugplaatsen van een kind.

In het kader van het onderzoek is onder meer gebruik gemaakt van de vragenlijsten die door de ouders en pleegouders zijn ingevuld en hebben observaties plaatsgevonden van de minderjarigen en de ouders door de ambulant hulpverlener die de bezoeken van de minderjarigen aan de ouders begeleidde. Vervolgens is de verkregen informatie beoordeeld en gescoord door mevrouw[observant] van het Expertise Centrum Kind in de Pleegzorg die ook het PSI-rapport heeft opgesteld.

2.8

Uit de stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat ten tijde van de uithuisplaatsing van de minderjarigen bij hen sprake was van een ontwikkelingsachterstand, forse gedragsproblematiek en hechtingsproblematiek. Daarnaast waren de ouders van de minderjarigen op dat moment niet in staat om in de basisbehoeften van de minderjarigen te voorzien en een veilige opvoedingssituatie te bieden. De minderjarigen zijn vervolgens in pleeggezinnen geplaatst.

Uit de rapporten van het Pedagogisch Model blijkt dat er ondanks de opbouw in frequentie van de omgangsregeling geen vergelijkbare toename van de hechting tussen de ouders en de minderjarigen is geconstateerd. Er was zelfs sprake van een terugval in het gedrag van de minderjarigen ten tijde van de frequente contacten met hun ouders. Geconcludeerd wordt dat blijkt dat in geen van de vier bronnen, zoals voornoemd in rechtsoverweging 2.6, aanwijzingen te vinden zijn waarop een gehechtheids- en opvoedingsrelatie tussen de minderjarigen en de ouders zich zou kunnen gaan ontwikkelen na een terugplaatsing van de minderjarigen bij hun ouders. Een terugplaatsing van de minderjarig zal de ontwikkelingen van de minderjarigen zelfs (verder) doen stagneren. Een thuisplaatsing wordt dan ook niet in het belang van de minderjarigen geacht, aldus de rapportages.

2.9

Uit de stukken en de behandeling ter zitting is voorts gebleken dat de ouders geen probleembesef en probleeminzicht hebben. Zij ervaren geen problemen met de minderjarigen, terwijl de minderjarigen gezien hun problematiek, met name hun hechtingsproblematiek, extra specifieke behoeften hebben. Van een gebrek aan inzicht in de hechtingsproblematiek blijkt tevens uit het gegeven dat de ouders dit gedrag van de minderjarigen niet als zodanig erkennen, met name tijdens de bezoekcontacten. De minderjarigen hebben in de pleeggezinnen een voorzichtige positieve ontwikkeling doorgemaakt nu hen daar een duidelijke en stabiele omgeving wordt geboden. De minderjarigen zijn in meer of mindere mate in staat gebleken om met de pleegouders een hechtingsrelatie aan te gaan, terwijl in deze relatie geen ontwikkeling is geweest tussen de minderjarigen en hun ouders ondanks de frequente bezoekregeling ten tijde van het onderzoek.

2.10

Voorts blijkt dat[minderjarige 3] in het verleden op emotioneel vlak is verwaarloosd. De ouders waren teveel op de tweeling,[minderjarige 2] en[minderjarige], gericht om[minderjarige 3] voldoende aandacht te kunnen geven. Zij doet door haar problematiek een groter appèl op haar opvoeders dan een gemiddeld kind.[minderjarige 3] heeft een grote behoefte aan duidelijkheid over waar zij gaat opgroeien. In het pleeggezin heeft zij een positieve groei laten zien op het gebied van hechting en contacten met leeftijdgenootjes. Het is voor[minderjarige 3] belangrijk dat zij in het pleeggezin kind kan zijn en zichzelf verder kan ontwikkelen. Doordat[minderjarige 3] jarenlang in een kwetsbare opvoedomgeving heeft gewoond, loopt zij op diverse gebieden van haar ontwikkeling risico, waaronder op sociaal en emotioneel gebied. Mogelijk dat in de toekomst een diagnostisch onderzoek nodig is om een beter zicht te krijgen op haar problematiek.[minderjarige 2]

2.11

[minderjarige 2] laat een zeer beperkte groei zien in het pleeggezin. Er zijn grote zorgen rondom zijn ontwikkeling, onder andere op het gebied van taal en cognities. Uit een conclusie van het Pedagogisch Model blijkt dat het nodig is om een uitgebreid onderzoek te doen naar zijn psychologische ontwikkeling en cognitieve capaciteiten, waarbij het vooralsnog ontbreken van taal een belangrijk onderwerp zal moeten zijn.[minderjarige 2] gaat thans drie dagdelen per week naar de dagbehandeling, waarbij het doel is zijn ontwikkeling op alle fronten in kaart te brengen. Het is van belang dat[minderjarige 2] in het pleeggezin kind kan zijn en zichzelf verder kan ontwikkelen. Gebleken is dat[minderjarige 2] in het verleden onvoldoende gestimuleerd is in zijn ontwikkeling en door zijn problematiek, meer dan een gemiddeld kind, een appèl doet op zijn opvoeders.[minderjarige]

2.12

[minderjarige] is een kind dat veel angst kent en nog niet kan praten. Zij laat een positieve groei zien in het pleeggezin op onder andere het gebied van hechting. Het is voor haar belangrijk dat zij in het pleeggezin kind kan zijn, zich verder kan ontwikkelen en haar nabijheid wordt geboden. Gebleken is dat[minderjarige] in het verleden onvoldoende gestimuleerd is in haar ontwikkeling en daardoor, meer dan een gemiddeld kind, een appèl doet op haar opvoeders. Vanuit het Pedagogisch Model is onder meer geadviseerd om uitgebreid onderzoek te doen naar de mogelijkheid van taalontwikkeling bij[minderjarige].

2.13

Gelet op het voorgaande kan worden geconstateerd dat er bij de minderjarigen sprake is van forse problematiek. Gebleken is dat de ouders niet in staat zijn om de minderjarigen het opvoedkundige klimaat te bieden dat zij nodig hebben. De ouders zijn echter van mening dat zij voor de minderjarigen kunnen zorgen, eventueel met hulp. Zij kunnen weliswaar in staat zijn om in de praktische behoeften voor de minderjarigen te voorzien, maar zij beschikken niet over de pedagogische vaardigheden om te voorzien in de bovengemiddelde pedagogische behoeften van de minderjarigen. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het toekomstperspectief van de minderjarigen dan ook niet meer in de thuissituatie bij hun ouders.

2.14

De ouders hebben zich verzet tegen de conclusies van het Pedagogisch Model en de wijze waarop dit onderzoek is uitgevoerd. In dat kader hebben zij verzocht om op grond van artikel 810a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een deskundige te benoemen om een contra-expertise te laten plaatsvinden. De rechtbank overweegt op dit punt dat naar haar oordeel sprake is van observaties binnen het model die door een onafhankelijke instantie (Kompaan en de Bocht) zijn uitgevoerd. Dat deze observaties onvoldoende zouden zijn uitgevoerd door de pedagogisch werker is de rechtbank niet gebleken. Wel zijn de observaties in de rapportages duidelijk omschreven en weergegeven. Vervolgens heeft een weging plaatsgevonden van de observaties, gecombineerd met de drie andere bronnen. Deze weging is door een ander, onafhankelijk persoon uitgevoerd, mevrouw[observant]. De conclusies die mevrouw[observant] trekt volgen op logische wijze uit de observaties en overige bronnen. Deze conclusies zijn naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet onbegrijpelijk. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank zich dan ook voldoende geïnformeerd door middel van deze rapportages van het Pedagogisch Model. De rechtbank laat daarbij ook meewegen dat het onderzoek van het Pedagogisch Model zeer uitgebreid en belastend voor de minderjarigen is geweest. Gezien de problematiek van de minderjarigen alsmede hun behoefte aan rust en duidelijkheid, is de rechtbank van oordeel dat het belang van de minderjarigen zich thans verzet tegen een nieuw deskundigenonderzoek. Dit vormt een te grote belasting voor hen. De rechtbank zal derhalve aan het verzoek van de ouders om een deskundige te benoemen voorbij gaan.

2.15

Al het voorgaande in aanmerking nemende is de rechtbank van oordeel dat de gronden voor de machtiging tot uithuisplaatsing in de door de stichting aangegeven voorziening nog steeds aanwezig zijn. Het verzoek van de stichting zal dan ook worden toegewezen.

Het is daarbij in het zwaarwegende belang van de minderjarigen dat er op een zo kort mogelijke termijn duidelijkheid komt over hun opgroeiperspectief en de plek waar zij voor langere tijd kunnen verblijven.

2.16

Het voorgaande betekent dat zal worden beslist als volgt.

3 De beslissing

De rechtbank

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in een verblijf pleegouder 24-uur met ingang van 30 oktober 2013 tot het einde van de ondertoezichtstelling doch uiterlijk tot 1 mei 2014, zulks ter effectuering van het voornoemde indicatiebesluit;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Scheij, Tempelaar en Tempel, kinderrechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 oktober 2013 in tegenwoordigheid van Boink, griffier.

Mededeling van de griffier:

Tegen deze beschikking kan voor zover het een eindbeschikking betreft hoger beroep worden ingesteld

a. door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak.

b. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Het beroepschrift moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend bij het gerechtshof te

's-Hertogenbosch.

verzonden op:

1

1 In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.