Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:8490

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
25-11-2013
Datum publicatie
26-11-2013
Zaaknummer
82/074342-13+11/992548-09+04/994657-08+82/027550-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het waarborgen van toegang tot informatie over de positie van treinwagons in het kader van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 82/074342-13 + 11/992548-09 (TUL) + 04/994657-08 (TUL) +

82/027550-13 (TTZGEV)

vonnis van de economische politierechter d.d. 25 november 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

gevestigd te [adres 1]

raadsman mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De ter terechtzitting gevoegde zaken met parketnummers 8/2074342-13 en 82/027550-13 zaken zijn inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 november 2013, waarbij de officier van justitie, mr. J.T.M. van Eekelen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting zijn ook de vorderingen tot tenuitvoerlegging behandeld met parketnummers 11/992548-09 en 04/994657-08.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat in de zaak met parketnummer 82/074342-13 terecht, ter zake dat:

zij op of omstreeks 23 maart 2012 te Vlissingen, al dan niet opzettelijk, handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen heeft verricht ten aanzien van gevaarlijke stoffen en/of met vervoermiddelen, die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel b van genoemde wet, anders dan met inachtneming van de in dat onderdeel bedoelde regels, immers heeft zij toen daar met een trein gevaarlijke stoffen vervoerd over de spoorweg terwijl zij als vervoerder niet heeft gewaarborgd dat de beheerder van de gebruikte spoorweginfrastructuur te allen tijde gedurende het vervoer snel en onbeperkt toegang kon krijgen tot de informatie die het hem mogelijk maakte te voldoen aan de voorschriften van 1.4.3.6 b van bijlage 2 van de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen, te weten de positie van elke wagen in de trein (volgorde van wagens); (voorschrift 1.4.2.2.5 van voormelde bijlage).

Verdachte staat in de zaak met parketnummer 82/027550-13 terecht, ter zake dat:

zij op of omstreeks 20 december 2011 te Moerdijk, al dan niet opzettelijk, handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen heeft verricht ten aanzien van gevaarlijke stoffen en/of met vervoermiddelen, die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel b van genoemde wet, anders dan met inachtneming van de in dat onderdeel bedoelde regels, immers heeft zij toen daar met een trein nummer 62094 gevaarlijke stoffen vervoerd over de spoorweg terwijl zij als vervoerder niet heeft gewaarborgd dat de beheerder van de gebruikte spoorweginfrastructuur te allen tijde gedurende het vervoer snel en onbeperkt toegang kon krijgen tot de informatie die het hem mogelijk maakte te voldoen aan de voorschriften van 1.4.3.6 b van bijlage 2 van de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen, te weten de positie van elke wagen in de trein (volgorde van wagens); (voorschrift 1.4.2.2.5 van voormelde bijlage).

3 De voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig.

De economische politierechter is bevoegd.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

3.1

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat met de vervolging geen door strafrechtelijke handhaving beschermd belang wordt gediend. De raadsman wijst op de Aanwijzing handhaving milieurecht (2010A004, in werking getreden 1 april 2010, Stcrt. 2010, 2953, hierna: Aanwijzing), waaruit zou blijken dat het optreden van het bestuurlijk en dat van het strafrechtelijk bevoegd gezag moet zijn gericht op een behoorlijk nalevingsniveau. Aan verdachte is reeds een last onder dwangsom opgelegd, het plafond van de opgelegde dwangsom is nog niet bereikt, en door de last onder dwangsom is naleving van de normen reeds bewerkstelligd. Voor strafrechtelijke vervolging is geen ruimte meer, en deze is als zodanig in strijd met het redelijkheidsbeginsel. Bovendien is de vervolgingsbeslissing in strijd met het vertrouwensbeginsel, nu de vervolgingsbeslissing niet binnen de in de Aanwijzing genoemde termijnen is genomen.

Om herhaling te voorkomen heeft verdachte de bedrijfsvoering aangepast en verbeterd en is er sprake van bewustwording bij verdachte, zodat overtreding van de bepalingen van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen wordt voorkomen. Tenslotte is aangevoerd dat verdachte een groot marktaandeel heeft in het goederenvervoer op het spoor in Nederland, zodat het recidiverisico gerelativeerd dient te worden.

De economische politierechter is van oordeel dat zowel het bestuurlijk bevoegd gezag als het Openbaar ministerie bij het toezicht op de naleving en de handhaving van het milieurecht een zelfde doel nastreven, namelijk bewerkstelliging van de naleving van de voor bedrijven en burgers geldende milieurechtelijke voorschriften. Het bestuurlijk bevoegd gezag en het Openbaar ministerie hebben echter ieder een eigen verantwoordelijkheid en eigen instrumenten om naleving te bewerkstelligen. Het bestuurlijk bevoegd gezag is vooral gericht op (herstel van) de naleving van de normen. Uit de Aanwijzing volgt dat het Openbaar ministerie naast schadebeperking en herstel in gevallen waarin het bestuurlijk gezag niet optreedt, ook gericht is op de bevestiging van normen gesteld in belang van het milieu of de openbare gezondheid en de geloofwaardigheid van de (normerende) overheid. De economische politierechter is van oordeel dat gelet op dit verschil in benadering dat hoewel het bestuurlijk bevoegd gezag een last onder dwangsom heeft opgelegd, dit onverlet laat dat het Openbaar ministerie bevoegd is verdachte strafrechtelijk te vervolgen wegens overtreding van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Er is derhalve geen sprake van strijd met het redelijkheidsbeginsel.

Voor zover namens verdachte is betoogd dat de beslissing om verdachte te vervolgen in strijd met het vertrouwensbeginsel is, overweegt de economische politierechter dat uit de Aanwijzing volgt dat het Openbaar ministerie in geval van gecompliceerde strafzaken er naar streeft om binnen zes maanden na ontvangst van het proces-verbaal een reactie te geven. De economische politierechter legt dit streven zodanig uit dat bij overschrijding van de termijn er geen sanctie volgt. In het licht van de Aanwijzing kan echter van het Openbaar ministerie wel worden verwacht dat het zijn uiterste best doet binnen een redelijke termijn duidelijkheid te verschaffen over eventuele vervolging. Niet gebleken is echter dat deze termijn thans is overschreden, zodat geen sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel. Voorts is ook niet gebleken van enige incidentele of structurele afspraak in deze zaken tussen het Openbaar ministerie en het bestuurlijk bevoegd gezag, dat niet vervolgd zou worden.

Ten slotte heeft de raadsman ter zitting aangevoerd dat het Openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard nu het geen acht heeft geslagen op de zich in het dossier bevindende vrachtbrief (82/074342-13) waaruit zou blijken dat verdachte niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het niet in overeenstemming zijn van de treinsamenstelling met de door verdachte en ProRail ter beschikking gestelde spoorlijst.

Naar het oordeel van de economische politierechter is de enkele stelling dat het Openbaar ministerie geen acht heeft geslagen op de vrachtbrief zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, onvoldoende om aan te nemen dat het Openbaar ministerie reeds daarom niet-ontvankelijk moet worden geacht in de vervolging van verdachte.

Gelet op het voorgaande dient het verweer tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar ministerie te worden verworpen.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis wordt gehecht.

82/074342-13

De economische politierechter acht het feit wettig en overtuigend bewezen gelet op de:

- het proces-verbaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport, Rail en wegvervoer, Handhaving gevaarlijke stoffen met nummer 406/2030312/0845/6065/VSG;

- een afschrift spoorlijst van de trein op spoor 1007;

- afschriften vervoersdocumenten;

- een afschrift spoorlijst Prorail;

- de verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 18 november 2013.

02/027550-13

De economische politierechter acht het feit wettig en overtuigend bewezen gelet op de:

- het proces-verbaal van de Inspectie verkeer en Waterstaat, Domein Rail en wegvervoer, handhaving gevaarlijke stoffen met nummer 406/201211/0927/6065/VSG;

- een afschrift treinlijst van trein 62002;

- afschriften vervoersdocumenten;

- afschriften wagenlijsten van treinnummer 62002 en 62092;

- de verklaring van [getuige], machinist in dienst van verdachte;

- de verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 18 november 2013.

4.2

De bewijsoverwegingen

82/074342-13

Namens verdachte is aangevoerd dat verdachte niet degene is die het spoorvoertuig heeft verplaatst of vervoerd. Uit het vervoersdocument blijkt dat de vervoerder die de wagons heeft gereden SNCF is, die heeft gehandeld als ondervervoerder voor Captrain BE. Verdachte had ten tijde van de controle het spoorvoertuig nog niet overgenomen als bedoeld in artikel 9.6 van de Algemene voorwaarden bij de Toegangsovereenkomst, die verdachte met ProRail heeft gesloten voor het jaar 2012. Voor de overname van de trein is een nadrukkelijke feitelijke handeling vereist, zoals het aankoppelen van de trein door de overnemende spoorwegonderneming of een andere handeling waaruit de overname kan blijken. Deze handeling had nog niet plaatsgevonden.

Dat de treingegevens in de database van verdachte stonden, is te verklaren omdat verdachte de trein wel zou gaan overnemen en daartoe alvast de gegevens had ingevoerd. Voorts heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILenT) verdachte verzocht om een uitdraai van de spoorlijst, nu zij de enige spoorwegonderneming is die op Vlissingen [adres 2] kantoor houdt.

De vertegenwoordiger van verdachte heeft ter zitting verklaard dat verdachte het vervoer van de wagons in Vlissingen zou overnemen. Overdracht van de wagons had echter nog niet plaatsgevonden, aldus de vertegenwoordiger van verdachte.

De economische politierechter stelt het navolgende vast. Uit de zich in het dossier bevindende vrachtbrief blijkt dat in het vak genummerd 13 diverse vervoerders op de verschillende trajecten van Bassens naar Vlissingen zijn vermeld. Captrain BE was de vervoerder op het traject Antwerpen-Vlissingen. Tussen Captrain BE en verdachte was afgesproken dat in Vlissingen verdachte de trein zou overnemen.

Uit het proces-verbaal van de ILenT blijkt dat verdachte een spoorlijst voor de treinsamenstelling op spoor 1007 heeft verstrekt. Voorts blijkt dat ProRail, de beheerder van de infrastructuur, beschikte over een spoorlijst, die overeenkwam met de door verdachte verstrekte spoorlijst en door verdachte is verstrekt aan ProRail. De positie van de wagons op deze spoorlijsten kwam niet overeen met de daadwerkelijke samenstelling en de volgorde van de wagons van de trein.

De vertegenwoordiger van verdachte heeft ter zitting verklaard dat de trein administratief gereed was gemaakt. Ter zitting heeft zij echter ook betoogd dat voor het in het systeem zetten van de trein het noodzakelijk is dat de (wijziging van de) samenstelling in het systeem dient te worden opgeslagen alvorens de spoorwegbeheerder ProRail over de gegevens kan beschikken. Gelet op de omstandigheid dat ProRail beschikte over dezelfde spoorlijst als verdachte dient worden vastgesteld dat opslag van de samenstelling in het systeem reeds had plaatsgevonden en daarmee overdracht van de trein dus had plaatsgevonden. De stelling dat overname van de trein nog niet had plaatsgevonden, kan gelet op deze omstandigheid dan ook niet worden gevolgd.

Naar het oordeel van de economische politierechter is dan ook wettig en overtuigend bewezen dat niet voldaan is aan de eis, neergelegd in voorschrift 1.4.2.2.5 van de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen en dat dat verdachte kan worden verweten.

02/027550-13

Namens verdachte is aangevoerd dat wel voldaan was aan het vereiste dat gewaarborgd dient te worden dat ten allen tijde gedurende het vervoer snel en onbeperkt toegang kan worden verkregen tot informatie over de positie van elke wagen in de trein.

Subsidiair is een beroep gedaan op verontschuldigbare onbewustheid van de zijde van verdachte, nu per abuis geen update van de gewijzigde samenstelling is verstuurd naar OVGS.

De economische politierechter stelt vast dat uit de vergelijking van de door de machinist aan de Inspectie Verkeer en Waterstaat overgelegde lijst en de daadwerkelijke samenstelling van de trein met opvolgende nummers 62002 en 62094 blijkt dat de posities van de wagons op de lijsten niet overeenkwamen met de daadwerkelijke posities van die wagons. Reeds hierom is de economische politierechter van oordeel dat niet voldaan is aan bovenvermeld vereiste.

De economische politierechter begrijpt het subsidiaire standpunt van verdachte aldus dat zij betoogt dat de opzet op het handelen ontbreekt.

Ter zitting is door de vertegenwoordiger van verdachte verklaard dat op de bewuste trein die dag een wisseling van machinist heeft plaatsgevonden, waarbij bovendien de eerste machinist, nadat de locomotief aan de ander zijde van de trein is gehangen, de wijzigingen verkeerd op de lijst heeft aangegeven. De administratie zou de volgorde van de trein administratief wel hebben gewijzigd, maar de wijzigingen zijn niet in het systeem opgeslagen. De opvolgende machinist heeft de volgorde van de wagons niet gecontroleerd en is gaan rijden met de trein.

De economische politierechter stelt vast dat hoewel geconstateerd is dat de treinvolgorde niet klopte, deze wijzigingen niet – afdoende – bekend zijn gemaakt aan de machinist en aan Prorail, de beheerder van de infrastructuur. Verdachte had weliswaar geen bewuste opzet op overtreding van de geldende voorschriften, maar door alvorens met de trein te gaan rijden niet zich ervan te vergewissen of de treinvolgorde overeenstemde met de spoorlijst heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de spoorwegbeheerder geen snelle toegang had tot de juiste informatie. Naar het oordeel van de economische politierechter dient dit verweer te worden verworpen.

De economische politierechter is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat niet voldaan is aan de eis, neergelegd in voorschrift 1.4.2.2.5 van de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen.

4.3

De bewezenverklaring

De economische politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de zaak met parketnummer 82/074342-13

zij op of omstreeks 23 maart 2012 te Vlissingen, al dan niet opzettelijk, handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen heeft verricht ten aanzien van gevaarlijke stoffen en/of met vervoermiddelen, die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel b van genoemde wet, anders dan met inachtneming van de in dat onderdeel bedoelde regels, immers heeft zij toen daar met een trein gevaarlijke stoffen vervoerd over de spoorweg terwijl zij als vervoerder niet heeft gewaarborgd dat de beheerder van de gebruikte spoorweginfrastructuur te allen tijde gedurende het vervoer snel en onbeperkt toegang kon krijgen tot de informatie die het hem mogelijk maakte te voldoen aan de voorschriften van 1.4.3.6 b van bijlage 2 van de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen, te weten de positie van elke wagen in de trein (volgorde van wagens) (voorschrift 1.4.2.2.5 van voormelde bijlage);

in de zaak met parketnummer 82/027550-13:

zij op of omstreeks 20 december 2011 te Moerdijk, al dan niet opzettelijk, handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen heeft verricht ten aanzien van gevaarlijke stoffen en/of met vervoermiddelen, die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel b van genoemde wet, anders dan met inachtneming van de in dat onderdeel bedoelde regels, immers heeft zij toen daar met een trein nummer 62094 gevaarlijke stoffen vervoerd over de spoorweg terwijl zij als vervoerder niet heeft gewaarborgd dat de beheerder van de gebruikte spoorweginfrastructuur te allen tijde gedurende het vervoer snel en onbeperkt toegang kon krijgen tot de informatie die het hem mogelijk maakte te voldoen aan de voorschriften van 1.4.3.6 b van bijlage 2 van de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen, te weten de positie van elke wagen in de trein (volgorde van wagens) (voorschrift 1.4.2.2.5 van voormelde bijlage).

De economische politierechter acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een geldboete van € 3.000,00.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte stelt zich op het standpunt dat verdachte schuldig dient te worden verklaard zonder oplegging van straf.

6.3

Het oordeel van de economische politierechter

Verdachte heeft op 20 december 2011 en 23 maart 2012 gevaarlijke stoffen per spoor vervoerd en heeft verzuimd ervoor te zorgen dat de beheerder van de spoorweginfrastructuur te allen tijde gedurende het vervoer snel en onbeperkt toegang kon krijgen tot informatie over de positie van elke wagen in de trein.

Toegang tot informatie over de positie van de wagons in de trein stelt de infrastructuurbeheerder in staat in geval van calamiteiten op de juiste wijze te handelen. Door toegang tot deze informatie niet te waarborgen heeft verdachte de algemene veiligheid van de samenleving in gevaar gebracht. De economische politierechter rekent dit verdachte ernstig aan. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de controle die heeft plaatsgevonden op 20 december 2011, geschiedde naar aanleiding van een ongeluk, te weten een botsing tussen de trein en een personenauto. De schade als gevolg hiervan is beperkt gebleven, maar dit incident benadrukt het belang van toegang tot die informatie.

De economische politierechter houdt voorts rekening met het feit dat uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder ter zake dezelfde feiten is veroordeeld.

De economische politierechter houdt voorts ten voordele van verdachte rekening met de omstandigheid dat verdachte de bedrijfsvoering heeft aangepast en verbeterd, waardoor verdachte zich na constatering van de onderhavige feiten niet meer schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke overtredingen. Uit deze omstandigheid blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat er, zoals de raadsman heeft betoogd, sprake is van bewustwording bij verdachte.

De door de officier van justitie geformuleerde eis, is gelet op de straffen die in de regel voor dergelijke feiten worden opgelegd, een passende sanctie. De economische politierechter zal die eis dan ook volgen.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straffen opgelegd door respectievelijk de Hoge Raad in de zaak met parketnummer 11/992548-09 en de economische politierechter in de zaak met parketnummer 04/994657-08 ten uitvoer zullen worden gelegd.

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen tot tenuitvoerlegging dienen te worden afgewezen. Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de in het arrest en het vonnis opgenomen proeftijd dient te worden verlengd.

De economische politierechter constateert dat de feiten waarop het arrest en het vonnis betrekking hebben zich in respectievelijk het jaar 2008 en 2007 hebben voorgedaan. Bovendien betreft het in deze zaken weliswaar overtredingen van artikelen uit de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, maar gaat het wel om andersoortige overtredingen. Dit volgt ook uit de strafoplegging in die zaken, die aanzienlijk hoger uitvalt dan de door de officier van justitie in deze zaak geëiste straf.

Gelet hierop zal de economische politierechter de vorderingen tot tenuitvoerlegging afwijzen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23, 24, 51 en 91van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, de artikelen 2, 3 en 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen, artikel 2 van de Regeling vervoer gevaarlijke stoffen en Bijlage 1 aanvullende voorschriften van de Regeling vervoer gevaarlijke stoffen, randnummer 1.4.2.2.5, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De economische politierechter:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Strafbeschikking

- vernietigt de strafbeschikking met kenmerk CJIB 7132 5420 0119 7540;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

- 82/074342-13: overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, begaan door een rechtspersoon, opzettelijk gepleegd;

- 82/027550-13: overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, begaan door een rechtspersoon, opzettelijk gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 3.000,00;

Vordering tot tenuitvoerlegging

- wijst de vorderingen tot tenuitvoerleggingen in de zaken met parketnummers 11/992548-09 en 04/994657-08 af.

Dit vonnis is gewezen door economische politierechter: mr. De Weert, in tegenwoordigheid van Pot, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 25 november 2013.