Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:8434

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
09-05-2014
Zaaknummer
249330 / 13-391
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Afwenteling fiscale constructie omzetbelasting.

Een handelsbedrijf in champignons, hanteert een constructie teneinde in plaats van 6 % omzetbelasting slechts het lagere Landbouwforfait te hoeven betalen. Daartoe koopt zij champignons in aangroei (gewas te velde) teneinde als landbouwer te worden aangemerkt. De inspecteur van de belastingdienst accepteert de constructie niet. Een afnemer van het handelsbedrijf leidt hierdoor aanzienlijke belastingschade en verrekent die met de facturen van het handelsbedrijf. De afnemer wordt in het gelijk gesteld, omdat het handelsbedrijf hem niet van te voren heeft gewaarschuwd dat haar facturen fiscaal anders behandeld worden, dat de belastingdienst de constructie mogelijk niet zal accepteren en dat voor de constructie essentieel is dat het handelsbedrijf champignons in aangroei (gewas te velde) koopt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-1164
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Kanton

[Zaaknummer] [Rolnummer]

Zittingsplaats: Middelburg

zaak/rolnr.: 249330 / 13-391

vonnis van de kantonrechter d.d. 16 oktober 2013

in de zaak van

de rechtspersoon naar het recht van Cyprus

[Y].,

gevestigd te Nicosia, Cyprus,

eisende partij in conventie,

gedaagde partij in reconventie,

verder te noemen: [Y],

gemachtigde: mr. L.J.P.E. Donckers-Corten, advocaat te Breda,

t e g e n :

[gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie]

,

gevestigd te [plaats 1], gemeente [gemeente],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

verder te noemen: [X],

verschenen in de persoon van haar directeur [naam 1],

thans met gemachtigde: drs. J.P. Otto, belastingadviseur (Rijkse, Goes).

het verloop van de procedure

De procedure is als volgt verlopen:

- dagvaarding van 14 januari 2013,

- mondeling en schriftelijk antwoord, houdende tegenvorderingen,

- comparitievonnis,

- conclusie van antwoord in reconventie,

- verschijning van partijen d.d. 22 april 2013,

- akte en antwoordakte.

[Y] heeft haar vordering met € 0,50 verminderd.

de beoordeling van de zaak

in conventie en in reconventie:

1.

Partijen hebben regelmatig zaken met elkaar gedaan, waarbij [X] via [Y] champignons heeft afgenomen. [X] heeft de facturen van [Y] daarvoor voldaan op de laatste d.d. 29 mei 2012 ad € 8.884,49 na. [Y] heeft daarvoor op 4 januari 2013 conservatoir derdenbeslag laten leggen op bankrekeningen van [X].

2.1.

[Y] heeft betaling gevorderd van die factuur, verhoogd met € 913,93 wegens incassokosten en wettelijke handelsrente, totaal € 12.464,42, met verdere rente. [X] heeft de levering en prijs waarop de factuur betrekking heeft niet weersproken. Wèl heeft [X] de verschuldigdheid van het Landbouwforfait (verder: LBF) ad € 453,21 op deze factuur betwist.

2.2.

[X] heeft drie tegenvorderingen ingesteld:

a. schadevergoeding ad € 30.000,- wegens door [Y] gefactureerde en door [X] betaalde LBF, die door de belastingdienst niet wordt geaccepteerd en schade voor [X] vormt, omdat deze op haar BTW-aangifte niet in mindering kan worden gebracht;

b. teruggave van emballage, eigendom van [X], die zich bevindt op de locatie van [Y] te [plaats 2], gemeente [gemeente], subsidiair een vervangende schadevergoeding ad € 10.000,-;

c. vergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet van de schade die [X] heeft geleden doordat [Y] de levering van champignons plotseling heeft gestaakt.

Landbouwforfait

3.1.

[X] is in de gelegenheid gesteld haar vordering a) ter zake van het LBF nader toe te lichten. [X] heeft vervolgens onder meer in het geding gebracht: een rapport van de Belastingdienst d.d. 15 mei 2013 naar aanleiding van een boekenonderzoek bij [X] en een beslissing van de Inspecteur van de belastingdienst d.d. 3 juni 2013 op verzoeken van [X]. Die beslissing houdt onder meer in:

“Uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat uw cliënt [[X]] in het verleden champignons inkocht van champignonkwekerij [naam kwekerij] uit [plaats 2]. Op enig moment vernam uw cliënt van [naam kwekerij] dat de verkoop van de champignons door een ander gedaan zou worden. De champignons zelf kwamen nog steeds van de vertrouwde kweker. De bestellingen werden nog altijd rechtstreeks bij de kweker gedaan. Wat wel veranderde waren de facturen, die nu werden verstrekt door de heer [A] namens [bedrijfsnaam]en later namens [Y]. Uw cliënt gaf tijdens het onderzoek aan dat hij op de hoogte was van het feit dat door verschillende champignonkwekers dergelijke constructies werden bedacht. De champignons die via [Y] werd gefactureerd kwamen hoofdzakelijk van eerdergenoemde champignonkwekerij [naam kwekerij], maar ook van kwekers uit [plaats 3] en [plaats 4]. Als er klachten waren over de kwaliteit gingen die altijd rechtstreeks naar de kwekers zoals [naam kwekerij]. Deze zendingen werden niet gefactureerd.

Op basis van de beschikbare informatie kom ik tot de conclusie dat [Y] niet als landbouwer is aan te merken. Vergelijkbare zaken waren aan de orde bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch LJN: BY2560.”

De Inspecteur heeft de verzoeken van [X] om teruggave van omzetbelasting 2011 en 2012 afgewezen. Daarbij heeft de Inspecteur overwogen dat [X] niet-ontvankelijk is omdat de verzoeken te laat zijn ingediend. De Inspecteur heeft de verzoeken echter ambtshalve beoordeeld en geconcludeerd dat [Y] niet als landbouwer is aan te merken, zodat [X] geen recht heeft op aftrek van het LBF.

3.2.

[Y] heeft aangevoerd:

Nu [X] zelf te laat om teruggave van het LBF heeft verzocht, is het aan haarzelf te wijten dat zij geen teruggave van het LBF heeft kunnen verkrijgen. Hierdoor is het niet meer relevant of de landbouwverklaring van [Y] al dan niet correct is. Bovendien heeft [X] in haar verzoeken volstrekt onjuiste stellingen betrokken. Daardoor heeft zij de afwijzing daarvan zelf veroorzaakt. [X] heeft in eerste instantie gesteld dat de leveringen als intracommunautair moeten worden aangemerkt. Dat is onjuist. [X] heeft kennelijk geen verweer gevoerd op het punt dat [Y] niet als landbouwer zou zijn te kwalificeren. Daarmee heeft [X] een belangrijk argument laten liggen. Uit het Besluit Landbouw van 15 juni 2006 (CPP 2005/3096M) volgt dat een ondernemer die fruit op stam koopt of gewassen te velde en na het oogsten dat fruit of gewas verkoopt, optreedt in de hoedanigheid van landbouwer in de zin van de Landbouwregeling. [Y] heeft champignons in aangroei aangekocht en deze vervolgens verkocht en geleverd aan [X]. [X] kent deze feiten en had dus ook gemotiveerd verweer kunnen voeren.

3.3.

Deze argumenten van [Y] falen. Het zou [X] niet hebben gebaat wanneer zij de verzoeken om teruggave van omzetbelasting tijdig zou hebben ingediend en evenmin wanneer haar boekhouder, [naam boekhouder], bij de aangiften BTW geen fouten zou hebben gemaakt. Ook dan zou de Belastingdienst hebben beslist dat [Y] niet als landbouwer is aan te merken. Dat blijkt duidelijk uit de beslissing van de Inspecteur, die hiervoor is geciteerd. Het was daarom voor [X] zelf niet te vermijden dat [X] het LBF niet op haar aangiften BTW in mindering mocht brengen. [X] heeft er voorts met recht op gewezen dat zij mocht vertrouwen op de mededeling op de facturen van [Y], inhoudende dat het LBF van toepassing is, alsook op de landbouwverklaring 2011, die [Y] aan [X] heeft doen toekomen.

3.4.

Het is niet geheel uit te sluiten dat de Belastingdienst gevoelig zal zijn voor het argument van [Y] dat zij als landbouwer moet worden aangemerkt, omdat zij champignons in aangroei koopt. Het staat geenszins vast dat [X] hiermee bekend was. [X] behoefde als afnemer niet te weten wat de contractuele relatie van [Y] met haar leveranciers precies inhield. Maar zelfs als [X] daarmee wel bekend was, kan [Y] niet van [X] verlangen dat [X] begrijpt dat dit feit essentieel is voor de fiscale constructie die [A]/[Y] heeft laten bedenken. Uit het rapport van het boekenonderzoek van de Belastingdienst blijkt dat de voorganger van [Y], [bedrijfsnaam](ofwel: [naam 2]) op haar facturen aan [X] 6 % omzetbelasting berekende. [Y] is begonnen met het factureren van het LBF aan [X]. Gebleken is en voorzienbaar was dat de door [Y] gekozen constructie het risico van een meningsverschil met de Belastingdienst meebracht. Daarom was het aan [Y] om [X] van te voren te waarschuwen dat haar facturen fiscaal anders behandeld dienen te worden, dat de Belastingdienst de constructie mogelijk niet zal accepteren en dat voor de constructie essentieel is dat [Y] champignons in aangroei (gewas te velde) koopt van haar leveranciers. Niet gesteld of gebleken is dat [Y] [X] hiervoor heeft gewaarschuwd en behoorlijk heeft ingelicht. [Y] heeft aldus onzorgvuldig jegens [X] gehandeld. [X] had geen eigen onderzoeksplicht, omdat [Y] de nieuwe constructie heeft doorgevoerd en bij [X] het vertrouwen heeft gewekt, dat op haar facturen het LBF met recht was opgevoerd.

Op een en ander strandt het argument van [Y] dat de discussie met de belastingdienst in een vroeg stadium had kunnen plaats vinden, wanneer [X] in haar maandelijkse BTW correct om aftrek van het LBF had verzocht. Zonder behoorlijke informatie van [Y] behoefde [X] de fiscale constructie van [Y] niet te doorgronden.

3.5.

Wel kon van [X] worden gevergd om [Y] om hulp te vragen toen de problemen met de Belastingdienst eenmaal waren begonnen. Maar niet weersproken is en daarom wordt vastgesteld dat [naam 1], directeur van [X], sinds de inval van de FIOD via iedereen vergeefs heeft geprobeerd contact te krijgen met [A], directeur van [Y]. Eerst ter zitting van 22 april 2013 hadden zij weer contact met elkaar. Het komt daarom voor rekening van [Y] dat [X] in het conflict met de Belastingdienst verstoken is gebleven van de essentiële informatie, waarmee volgens [Y] de rechtsstrijd met de Belastingdienst kan worden gewonnen. Daarom kan [Y] er [X] geen verwijt van maken dat zij de afwijzende beslissing d.d. 3 juni 2013 zelf heeft veroorzaakt.

3.6.

De Inspecteur heeft in zijn beslissing d.d. 3 juni 2013 ook formele bezwaren vermeld tegen de Landbouwverklaringen van [Y], in het bijzonder wat de ondertekening ervan betreft. [Y] is van oordeel dat eventuele gebreken niet voor haar rekening en risico komen, maar dat is onjuist. [Y] dient jegens [X] in te staan voor de juistheid en de formele geldigheid van de Landbouwverklaring 2011 en andere Landbouwverklaringen, die zij aan [X] heeft afgegeven.

3.7.

De conclusie is dat [X] schade heeft geleden doordat zij het aan [Y] betaalde LBF niet in mindering mag brengen op haar aangiften omzetbelasting. [Y] is voor die schade aansprakelijk omdat zij bij [X] het vertrouwen heeft gewekt, dat op haar facturen het LBF met recht was opgevoerd, en omdat [Y] aan [X] essentiële informatie heeft onthouden.

3.8.

In de akte d.d. 10 juni 2013 is vermeld dat [X] over 2011 totaal € 23.165,- voor LBF niet heeft terugontvangen en over 2012 totaal € 4.987,-. [Y] heeft deze bedragen niet, althans onvoldoende weersproken zodat die bedragen in reconventie als schade zullen worden toegewezen. Voorts is [X] in conventie het LBF ad € 453,21 op de factuur d.d. 29 mei 2012 niet verschuldigd.

emballage

4.

[Y] heeft betwist dat er op de locatie [plaats 2] nog emballage, eigendom van [X], aanwezig is. Daarbij heeft [Y] schriftelijke verklaringen van drie personen in het geding gebracht. [X] heeft tegenover deze gemotiveerde betwisting geen bewijs geleverd of een toereikend bewijsaanbod gedaan. Inzage in de administratie van [X], als door haar aangeboden, is tegenover de schriftelijke verklaringen niet toereikend. Verder bewijs is door [X] niet aangeboden. Daarop strandt deze vordering in reconventie.

schade door staken leveringen

5.

[X] heeft niet, althans onvoldoende weersproken dat zij omzetschade heeft kunnen voorkomen door elders champignons te betrekken. [X] heeft ook geen inzicht kunnen geven in de aard en omvang van de schade, die zij meent te hebben geleden. Daarop strandt ook deze vordering in reconventie.

slotsom

6.

Uit het voorgaande volgt dat in conventie in hoofdsom € 8.431,28 toewijsbaar is en in reconventie in hoofdsom € 28.152,-. Beide opeisbare bedragen worden met elkaar verrekend, zodat in conventie geen hoofdsom toewijsbaar is en in reconventie € 19.720,72 resteert. Door verrekening met terugwerkende kracht is [X] in conventie geen rente verschuldigd. In reconventie is geen rente gevorderd. Het is niet redelijk dat [X] incassokosten zou moeten vergoeden, omdat zij een gegronde reden had om de factuur d.d. 12 mei 2012 niet te betalen.

7.

[Y] wordt zowel in conventie als in reconventie beschouwd als de partij die in het ongelijk wordt gesteld. Daarom zal [Y] in beide in de proceskosten worden verwezen.

de beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

wijst de vorderingen af;

in reconventie:

veroordeelt [Y] om tegen bewijs van kwijting aan [X] te betalen een bedrag van € 19.720,72;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

in conventie en in reconventie:

veroordeelt [Y] in de kosten van het geding, welke aan de zijde van [X] tot op heden worden begroot op € 600,- (2pt. à € 300,-) wegens salaris van de gemachtigde van [X].

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.M. Klarenbeek, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 oktober 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.