Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:8351

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-11-2013
Datum publicatie
28-11-2013
Zaaknummer
2117369_E18112013
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Klachten van rechthebbende over functioneren beschermingsbewindvoerder. Aansprakelijkheid beschermingsbewindvoerder ex artikel 1:444 BW. Kantonrechter verklaart twee klachten gegrond en veroordeelt de beschermingsbewindvoerder wat betreft deze beide klachten ook tot vergoeding van de ontstane schades. Deze schades voor rechthebbende zijn een direct gevolg van het tekortschieten van de beschermingsbewindvoerder. De overige klachten van rechthebbende worden door kantonrechter ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

team kanton

locatie Bergen op Zoom

zaak/rolnr.: 2117369 OV VERZ 13-3203

beschikking d.d. 18 november 2013 op een klacht

van

[rechthebbende], wonende te [adres],

naar aanleiding van het door de [bewindvoerder 2] uitgevoerde bewind over de goederen van mw. [rechthebbende]voornoemd.

1 Het procesverloop

1.1

Bij beschikking van de kantonrechter te Bergen op Zoom d.d. 8 oktober 2010, zijn de goederen van [rechthebbende] voornoemd, geboren te Bergen op Zoom op [geboortedatum], hierna ook te noemen rechthebbende, onder bewind gesteld met benoeming van [bewindvoerder 1], gevestigd te [adres], tot bewindvoerder. Bij beschikking van de kantonrechter te Bergen op Zoom d.d. 21 maart 2013 is deze bewindvoerder ontslagen als bewindvoerder en is mw. [naam], h.o.d.n. [bewindvoerder 2], thans gevestigd te [adres] benoemd tot opvolgend bewindvoerder. Bij beschikking van de kantonrechter te Bergen op Zoom d.d. 26 juni 2012 is het bewind over de goederen van rechthebbende opgeheven.

1.2

Op 24 juni 2013 is ter griffie een klacht van rechthebbende ontvangen naar aanleiding van het door de [bewindvoerder 2] uitgevoerde bewind. Rechthebbende heeft uiteenlopende klachten. Zij stelt onder andere dat zij door haar [bewindvoerder 2] onterecht huurtoeslagen en alleenstaande ouderkortingen heeft verkregen en nu met terugvorderingen hiervan geconfronteerd wordt. Daarnaast ontvangt zij verschillende boetes als gevolg van achterstallige betalingen. Rechthebbende stelt dat dit te wijten is aan het niet correct voeren van haar administratie door de [bewindvoerder 2] tijdens het beschermingsbewind en stelt dat de [bewindvoerder 2] een wanorde heeft achtergelaten.

1.3

Op 9 augustus 2013 is ter griffie een reactie van de [bewindvoerder 2] ontvangen.

De [bewindvoerder 2] geeft aan dat rechthebbende tijdens het door hen uitgevoerde bewind geen huurtoeslag heeft ontvangen. Vervolgens voert de [bewindvoerder 2] aan dat de door de voormalig bewindvoerder aangevraagde en ontvangen alleenstaande ouderkorting altijd direct verrekend is met de uitkering van rechthebbende waardoor er per saldo geen schuld is ontstaan bij de Belastingdienst. Met betrekking tot de boete betreffende de autoverzekering, geeft de [bewindvoerder 2] aan dat zij hiertegen bezwaar heeft aangetekend, echter zonder succes.

De [bewindvoerder 2] ontkent dat er sprake is van grove nalatigheid en een achtergelaten wanorde.

1.4

De klacht van rechthebbende is mondeling behandeld op 15 augustus 2013 in aanwezigheid van: rechthebbende, dhr. [naam] (een vriend van rechthebbende) en [naam] en [naam], beide h.o.d.n. [bewindvoerder 2].

2 De beoordeling

2.1

Ter zitting zijn de klachten van rechthebbende een voor een (kort) besproken. Echter, door het ontbreken van (enige) stukken ter onderbouwing van de klachten stelt de kantonrechter thans niet in staat te zijn om de gegrondheid van de klachten te kunnen beoordelen laat staan een beslissing hierover te nemen.

2.2

Ter zitting is afgesproken dat rechthebbende een schriftelijke onderbouwing van haar klachten zal indienen. De [bewindvoerder 2] zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld hierop een reactie te geven, waarna de kantonrechter een beslissing zal geven.

2.3

Rechthebbende heeft ter zitting aangegeven dat zij haar klacht inzake de alleenstaande ouderkorting intrekt.

2.4

Op 2 september 2013 is ter griffie een schrijven van rechthebbende ontvangen waarin zij haar klachten onderbouwd. Het gaat (thans) om de volgende punten: de terugvorderingen als gevolg van de onrechtmatig verkregen huurtoeslagen en de boetes/naheffingen naar aanleiding van de niet dan wel te late betalingen inzake een gasrekening, autoverzekering, wegenbelasting en de aangifte bij de Belastingdienst.

2.4.1

Met betrekking tot de huurtoeslag weerlegt rechthebbende de stelling van de [bewindvoerder 2] dat er tijdens het bewind geen huurtoeslag voor rechthebbende is ontvangen. Rechthebbende stelt dat uit een brief van de Belastingdienst omtrent toeslagen, een brief van de gemeente omtrent de uitkering van rechthebbende, een brief van de woningcorporatie Stadlander omtrent de huurprijs(verhoging) en mailverkeer tussen rechthebbende en de [bewindvoerder 2] het tegendeel blijkt. Zij voegt hiertoe tevens brieven van de Belastingdienst bij die laten zien dat zij huurtoeslag moet terugbetalen.

2.4.2

Betreffende de te late betalingen geeft rechthebbende aan dat er met betrekking tot de autoverzekering een boete bij haar was binnen gekomen voor het niet verzekerd zijn. Rechthebbende voert aan dat zij haar [bewindvoerder 2] hiervan op de hoogte heeft gesteld. Deze boete is vervolgens door de [bewindvoerder 2] een dag te laat betaald en daarna zijn er in december 2011 en januari 2012 in totaal 7 betalingen voor de autoverzekering verricht, aldus rechthebbende. Rechthebbende geeft aan dat de verzekering dus kennelijk een aantal maanden niet betaald was. Rechthebbende stelt echter dat de [bewindvoerder 2] op de hoogte moest zijn van de betalingen rondom de autoverzekering nu er in juli van 2011 al gesprekken hadden plaatsgevonden. Rechthebbende voegt hiertoe mails en bankafschriften toe.

2.4.3

Rechthebbende stelt dat zij van haar gasleverancier te horen kreeg dat de gasrekening van mei 2012 in juli van dat jaar nog niet betaald was. Rechthebbende voert aan dat zij dit aan haar [bewindvoerder 2] heeft doorgegeven, maar dat de vordering toen kennelijk al uit handen was gegeven. Rechthebbende stelt de vordering in augustus 2012, nadat het bewind inmiddels al was opgeheven, zelf te hebben voldaan.

2.4.4

Inzake de naheffingen betreffende de wegenbelasting is rechthebbende naderhand gebleken dat de premies te laat zijn betaald en voegt hiertoe bankafschriften bij waarop betalingen in 2012 te zien zijn. Rechthebbende stelt een naheffing van in totaal € 280,00 te hebben gekregen.

2.4.5

Aangaande de boete die is ontstaan door het te laat doen van aangifte bij de Belastingdienst is rechthebbende gebleken dat er in eerste instantie uitstel is gevraagd voor het doen van de aangifte maar dat er door de [bewindvoerder 2] niet is gereageerd op verzoeken van de Belastingdienst alsnog tijdig aangifte te doen. Volgens rechthebbende is pas op 4 april 2012 aangifte gedaan door de [bewindvoerder 2], maar de boete bedragende € 226,00 was toen reeds verschuldigd.

2.5

Bij brief van 29 september 2013, ter griffie ingekomen op 1 oktober 2013, heeft de [bewindvoerder 2] op de klachten van rechthebbende gereageerd. De [bewindvoerder 2] geeft aan dat zij ten onrechte heeft gesteld dat rechthebbende geen huurtoeslag ontving. De [bewindvoerder 2] stelt dat de huurtoeslag reeds toegekend was voordat de administratie van rechthebbende werd overgenomen. De [bewindvoerder 2] erkent dat zij de huurtoeslag na de overname niet heeft aangepast. Echter, zo stelt zij, dit betekent niet dat rechthebbende de huurtoeslag op de [bewindvoerder 2] kan verhalen nu rechthebbende de huurtoeslag zelf heeft geconsumeerd. Bovendien was de stand van het vermogen van rechthebbende bij de opheffing van het bewind en na een terug storting van LBIO kort daarna, dusdanig dat de terugvordering van de huurtoeslag hier ruimschoots mee had kunnen worden voldaan.

2.5.1

Inzake de autoverzekering stelt de [bewindvoerder 2] dat zij niet weet hoe het heeft kunnen gebeuren dat de premies hiervoor niet tijdig zijn voldaan. Daarnaast stelt zij dat zij niet op de hoogte was van het feit dat er na de beslissing van de officier nog beroep kon worden ingediend bij de kantonrechter, inzake de boete als gevolg van de niet betaalde verzekeringspremies.

2.5.2

De [bewindvoerder 2] geeft aan dat de boete betreffende de gasrekening bij haar niet bekend was. De [bewindvoerder 2] voert aan dat haar is gebleken dat er driemaal een betaling is gestorneerd met de omschrijving “naam en nummer komen niet overeen”. De [bewindvoerder 2] geeft aan dit onbegrijpelijk te vinden aangezien er immers altijd met dezelfde omschrijvingen vanuit het bewindvoerderskantoor wordt betaald. De [bewindvoerder 2] biedt aan dit punt graag te willen aanvechten bij het betreffende incassobureau.

2.5.3

Ook met betrekking tot de wegenbelasting stelt de [bewindvoerder 2] dat zij niet weet hoe het kan dat de premies hiervoor niet tijdig zijn voldaan. Wel wil zij opmerken dat niet alle te late betalingen betrekking hebben op de periode van onderhavige onderbewindstelling. Ook zouden niet alle betalingen te laat zijn volgens de [bewindvoerder 2]. De [bewindvoerder 2] stelt op basis van het voorgaande vast dat haar dienaangaande maximaal drie naheffingen toegerekend kunnen worden.

2.5.4

Voor het doen van aangifte stelt de [bewindvoerder 2] nimmer uitnodigingen dan wel herinneringen te hebben ontvangen. De [bewindvoerder 2] erkent dat zij op 4 april 2012 aangifte heeft gedaan en stelt hierbij dat dit, gezien het aangevraagde uitstel van de vorige bewindvoerder in deze en de mogelijkheid die geboden wordt om voor 1 mei 2012 aangifte te doen over 2010, dan ook niet vreemd is.

2.6

De kantonrechter is op grond van hetgeen bij gelegenheid van de mondelinge behandeling naar voren is gebracht en hetgeen door rechthebbende is aangevoerd en uit haar stukken is gebleken alsmede hetgeen uit de reactie van de [bewindvoerder 2] hierop naar voren is gebracht, van oordeel dat de [bewindvoerder 2] inzake de terugvorderingen betreffende de huurtoeslagen weliswaar een verwijt valt te maken dat zij heeft verzuimd de huurtoeslag aan te laten passen. Echter, rechthebbende heeft de huurtoeslag daadwerkelijk ontvangen en kunnen gebruiken.

Nu zij deze verkregen toeslagen dient terug te betalen komt zij per saldo in dezelfde positie te verkeren als ware zij geen toeslagen had gehad. Er is derhalve geen sprake van benadeling of schade.

2.6.1

Wat betreft de boetes die voortgekomen zijn uit het niet dan wel te laat betalen van de premies aangaande de autoverzekering en de wegenbelasting overweegt de kantonrechter het volgende. Ingevolge artikel 1:441 BW en de toelichting hierop is het doen van dergelijke betalingen een beheershandeling die valt onder de taak van de [bewindvoerder 2]. De [bewindvoerder 2] geeft met betrekking tot onderhavige betalingen aan dat zij niet weet hoe het heeft kunnen gebeuren dat de betalingen te laat zijn verricht. Hiermee erkent de [bewindvoerder 2] dat zij de betalingen te laat heeft verricht en betwist zij in dit verband dan ook niet dat de boete ad € 386,00, hetgeen een rechtstreeks gevolg is van de te late betalingen, terecht is opgelegd. Dat de [bewindvoerder 2] tegen de boete van de autoverzekering bezwaar heeft gemaakt wegens omstandigheden en vervolgens verzuimd heeft beroep bij de kantonrechter in te stellen, is gelet op het voorgaande dan ook irrelevant.

De kantonrechter is van oordeel dat de [bewindvoerder 2] tekort geschoten is in de zorg van een goed bewindvoerder als bedoeld in artikel 1:444 BW en dit de [bewindvoerder 2] kan worden toegerekend nu het de taak van de [bewindvoerder 2] is dergelijke betalingen (tijdig) te doen. Dit mocht rechthebbende ook van haar verwachten. Rechthebbende was immers zelf niet bij machte de betalingen eigenhandig te verrichten. Daarnaast heeft de [bewindvoerder 2] niet betwist dat rechthebbende haar steeds tijdig op de hoogte heeft gebracht omtrent de betalingsverplichtingen in deze. Door het tekortschieten is schade ontstaan. Immers, door het niet tijdig voldoen van de premies zijn bedoelde boetes ontstaan.

De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de [bewindvoerder 2] voor bedoelde boetes aansprakelijk is op grond van artikel 1:444 BW, met dien verstande dat aangaande de boete inzake de wegenbelasting moet worden uitgegaan van 3 naheffingen (zijnde d.d. 15-03-2012, 30-03-2012 en 29-06-2012 ten bedrage van 3 x € 49,00= € 147,00) gezien de periode van de onderbewindstelling en de wegenbelasting die in deze periode in rekening is gebracht.

2.6.2

Betreffende de boete die is ontstaan door het niet (tijdig) voldoen van de gasrekening overweegt de kantonrechter het volgende. De kantonrechter is van oordeel dat de [bewindvoerder 2] voldoende gemotiveerd heeft weersproken dat het de [bewindvoerder 2] te verwijten is dat er niet (tijdig) betaald zou zijn. De [bewindvoerder 2] onderbouwt dit met een overzicht hoe zij betalingen aan de betreffende organisatie doet. Hieruit op te maken is het onbegrijpelijk dat naam en nummer niet overeen zouden komen en dientengevolge de vordering uit handen is gegeven en de onderhavige boete is ontstaan. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de kantonrechter niet gebleken van tekortschieten van de [bewindvoerder 2].

2.6.3

Aangaande de boete die is ontstaan door het te laat doen van aangifte bij de Belastingdienst is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gebleken dat de [bewindvoerder 2] in de zorg van een goed bewindvoerder als bedoeld in artikel 1:444 BW tekort is geschoten. De handelswijze van de [bewindvoerder 2] geeft, gezien de gegeven redenering, geen blijk van grove nalatigheid. Immers, zij stelt zich bewust te zijn geweest van het aangevraagde uitstel en heeft op grond daarvan op 4 april 2012 aangifte gedaan. Niet valt in te zien dat de [bewindvoerder 2] hiermee in de zorg van een goed bewindvoerder is tekortgeschoten.

2.7

Op grond van het voorgaande acht de kantonrechter de [bewindvoerder 2] aansprakelijk, op de onderdelen zoals hiervoor overwogen, voor de door rechthebbende geleden schade.

De kantonrechter zal de [bewindvoerder 2] veroordelen tot de betalingen zoals hierna bepaald.

3 De beslissing

De kantonrechter:

verklaart de klachten betreffende de boetes aangaande de autoverzekering en de wegenbelasting gegrond;

veroordeelt de [bewindvoerder 2] ex artikel 1:444 BW om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan rechthebbende te betalen een bedrag van:

€ 386,00 inzake de boete aangaande de autoverzekering;

€ 147,00 inzake de boete aangaande de wegenbelasting, betreffende drie naheffingen in 2012;

verklaart de overige klachten van rechthebbende ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.E.M. Verjans, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 november 2013.

Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld:

door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Het beroepschrift moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.