Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:8293

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-10-2013
Datum publicatie
09-12-2013
Zaaknummer
AWB-13_2739
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 52a AWR. Informatiebeschikking genomen in de bezwaarfase terwijl de aanleiding tot het nemen van de informatiebeschikking reeds aanwezig was in de navorderingsfase leidt ertoe dat de informatiebeschikking onterecht genomen is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2014/2.21.10
V-N Vandaag 2013/2762
FutD 2013-3032
NTFR 2014/741 met annotatie van mr. M.J. Hamer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummers: AWB 13/2739 tot en met AWB 13/2749

Uitspraak van 29 oktober 2013

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 24 april 2013 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor de jaren 1998 tot en met 2008 afgegeven informatiebeschikkingen als bedoeld in artikel 52a, eerste lid, van de AWR.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2013 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Eindhoven, en namens de inspecteur, [verweerder].

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar en de informatiebeschikkingen voor de jaren 1998 tot en met 2008;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van

€ 1.888;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 44 aan deze vergoedt.

2 Gronden

2.1.

Bij brief met dagtekening 3 november 2010 heeft de inspecteur belanghebbende verzocht om inlichtingen en gegevens te verstrekken over mogelijk in het buitenland aangehouden bankrekeningen onder bijvoeging van de formulieren Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en) en Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en). De gevraagde gegevens spitsen zich toe op het bevestigen dat in het buitenland een of meerdere bankrekeningen worden gehouden en wat de inspecteur in dat geval aan stukken wenst te ontvangen.

2.2.

Met dagtekening 10 november 2010 heeft belanghebbende de door hem ondertekende Verklaring in het buitenland gehouden bankrekening(en) retour gestuurd, waarop door belanghebbende is aangegeven “n.v.t.”.

2.3.

Met dagtekening 31 augustus 2011 heeft de inspecteur de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen (hierna: IB/PV) opgelegd voor de jaren 1998 tot en met 2005. Met dagtekening 10 september 2011 heeft de inspecteur de navorderingsaanslagen IB/PV opgelegd voor de jaren 2006 tot en met 2008. Deze navorderingsaanslagen zijn opgelegd in verband met het in het buitenland aanhouden van een bankrekening met rekeningnummer [rekeningnummer].

2.4.

Op 31 augustus 2011 respectievelijk 7 september 2011 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen voormelde navorderingsaanslagen. In het kader van de behandeling van deze bezwaarschriften heeft de inspecteur met dagtekening 1 maart 2013 de onderhavige in één geschrift vervatte informatiebeschikkingen afgegeven. In de informatiebeschikkingen is enkel gevraagd naar de reeds bij brief van 3 november 2010 gevraagde informatie.

2.5.

Met dagtekening 21 maart 2013 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de opgelegde informatiebeschikkingen.

2.6.

In de uitspraak op bezwaar met dagtekening 24 april 2013 heeft de inspecteur het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en de informatiebeschikkingen gehandhaafd.

2.7.

Met dagtekening 23 mei 2013, binnengekomen bij de rechtbank op 24 mei 2013, heeft belanghebbende pro forma beroep ingesteld.

2.8.

In geschil is de rechtmatigheid van de informatiebeschikkingen.

2.9.

Belanghebbende stelt dat de informatiebeschikkingen moeten worden vernietigd. Primair voert hij daartoe aan dat het nemen van een informatiebeschikking in de bezwaarfase wettelijk niet is toegestaan. Subsidiair stelt belanghebbende dat de informatiebeschikkingen hier hadden moeten worden genomen voorafgaand aan het vaststellen van de navorderingsaanslagen IB/PV 1998 tot en met 2008. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur staan er volgens belanghebbende aan in de weg dat de inspecteur de informatiebeschikkingen alsnog in de bezwaarfase kan nemen. Meer subsidiair stelt belanghebbende dat de verzochte informatie over de jaren 1998 tot en met 2008 niet voor de belastingheffing van belang kunnen zijn nu de navorderingsaanslag over het jaar 1998 is opgelegd na afloop van de 12-jaarstermijn zoals genoemd in artikel 16 van de AWR en de inspecteur voor de jaren 1999 tot en met 2008 niet voortvarend heeft gehandeld zodat de navorderingsaanslagen over die jaren moeten worden vernietigd. Uiterst subsidiair bepleit belanghebbende dat niet gebleken is van een unieke naamcombinatie zodat de inspecteur onvoldoende bewijs heeft geleverd dat belanghebbende in de betreffende jaren over de gestelde bankrekening beschikte.

2.10.

De inspecteur acht het nemen van een informatiebeschikking in de bezwaarfase in z’n algemeenheid alsmede in het onderhavige geval geoorloofd. Voorts stelt de inspecteur dat de gevraagde informatie voor de belastingheffing van alle jaren van belang kan zijn en acht hij de identificatie juist.

2.11.

Artikel 52a van de AWR is met ingang van 1 juli 2011 in werking getreden. Het eerste lid van dit artikel bepaalt, voor zover hier van belang, het volgende:
1. Indien met betrekking tot een op te leggen aanslag, navorderingsaanslag of naheffingsaanslag of een te nemen beschikking niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 41, 47, 47a, 49, 52, (…), kan de inspecteur dit vaststellen bij voor bezwaar vatbare beschikking (informatiebeschikking). De inspecteur wijst in de informatiebeschikking op artikel 25, derde lid.”

2.12.

Artikel 47 eerste lid sub a AWR bepaalt:

“Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur: de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn.”

2.13.

De informatiebeschikkingen zijn vastgesteld met het oog op het nemen van een beslissing op het bezwaar tegen de navorderingsaanslagen IB/PV over de jaren 1998 tot en met 2008. Nu een uitspraak op bezwaar een beschikking in de zin van de Awb vormt, acht de rechtbank hier sprake van een verzoek van de inspecteur aan belanghebbende om te voldoen aan de verplichtingen met betrekking tot een ‘te nemen beschikking’ als bedoeld in artikel 52a, eerste lid, van de AWR. De primaire stelling van belanghebbende dat in de bezwaarfase geen informatiebeschikking meer kan worden genomen en onder de genoemde beschikking in artikel 52a van de AWR niet een uitspraak op bezwaar kan worden verstaan, verwerpt de rechtbank. Op basis van de letterlijke wettekst is het nemen van een informatiebeschikking in de bezwaarfase dus mogelijk. Naar het oordeel van de rechtbank wijst de totstandkomingsgeschiedenis niet in een andere richting. Voorts merkt de rechtbank in dit verband nog het volgende op. Vóór invoering van artikel 52a van de AWR kon de inspecteur tot de beroepsfase met een beroep op artikel 47 van de AWR informatie van een belastingplichtige vorderen en zich beroepen op omkering van de bewijslast indien de informatie niet, of niet juist, werd verstrekt. De redenering van belanghebbende houdt in dat ook in gevallen waarin eerst in de bezwaarfase vragen opkomen de toepassing van artikel 47 van de AWR uitsluitend onder de dreiging van een fiscaal-strafrechtelijke sanctie zou kunnen plaatsvinden. Er is geen reden te veronderstellen dat de invoering van artikel 52a van de AWR dat beoogt.

2.14.

Gelet op hetgeen in 2.13 is overwogen, is de vervolgvraag of de inspecteur in dit geval zijn rechten tot het nemen van een informatiebeschikking heeft verspeeld doordat hij dit eerst in de bezwaarfase heeft gedaan, terwijl het inlichtingenverzoek reeds in de navorderingsfase is gedaan. De inspecteur heeft gesteld dat de onderhavige informatiebeschikkingen terecht zijn genomen, omdat belanghebbende met het in 2.2 vermelde antwoord de aan hem gestelde vragen bij brief van 3 november 2010 (zie 2.1) niet naar waarheid heeft beantwoord, en daarmee weigert de gevraagde (juiste) informatie te verstrekken. De inspecteur stelt dat hij in elke fase een informatiebeschikking mag nemen, ongeacht in welke fase voor het eerst om de betreffende informatie is verzocht. Ter zitting heeft de inspecteur verklaard dat aan het oordeel over de onjuistheid van het door belanghebbende verstrekte antwoord uitsluitend feiten en omstandigheden ten grondslag liggen die de inspecteur reeds voor het opleggen van de navorderingsaanslagen bekend zijn geworden. Voorts heeft de inspecteur verklaard dat geen informatiebeschikking is genomen voordat de navorderingsaanslagen zijn vastgesteld, doordat op het moment van inwerkingtreding van artikel 52a van de AWR niet meer is onderkend dat de opdracht voor het opleggen van deze navorderingsaanslagen reeds aan de administratie was verstrekt. Eerst bij het behandelen van de bezwaarschriften tegen de navorderingsaanslagen is dit geconstateerd.

2.15.

Gelet op het voorgaande was de aanleiding tot het nemen van een informatiebeschikking dus reeds aanwezig voordat de navorderingsaanslagen zijn vastgesteld. De inspecteur heeft dat niet gedaan. Hij heeft daarvoor naar het oordeel van de rechtbank geen plausibele reden aangevoerd. De vraag is of de inspecteur doordat hij op een verzoek om informatie geen informatiebeschikking heeft laten volgen en vervolgens na inwerkingtreding van artikel 52a van de AWR navorderingsaanslagen vaststelt, zijn bevoegdheid tot het nemen van een informatiebeschikking in de bezwaarfase betreffende die navorderingsaanslagen heeft verspeeld. In dit verband overweegt de rechtbank als volgt.

2.16.

In de Handelingen Eerste Kamer van 12 april 2011, EK 24-6-23 wordt de situatie beschreven waarin de inspecteur onbewust geen informatiebeschikking heeft genomen. Het volgende wordt daaromtrent bepaald:

“Op de inspecteur rust het initiatief om zo’n beschikking te nemen, dat is de kern van het voorstel. Doet hij dat niet, om welke reden dan ook, dan is de zaak daarmee afgedaan. De belastingplichtige mag er dan van uitgaan dat er ofwel geen toereikende rechtsgrond bestond voor het verzoek, dat afdoende aan het verzoek tegemoet is gekomen of dat de inspecteur bij nader inzien de informatie toch niet echt nodig heeft. Het voorstel betekent dus wel dat de inspecteur attent moet zijn. Dat zijn inspecteurs doorgaans ook. Komt de inspecteur er later achter bijvoorbeeld bij de aanslagregeling of tijdens bezwaar tegen de aanslag, dat hij bepaalde informatie in retroperspectief toch nodig heeft, dan kan hij zich niet meer op het standpunt stellen dat de omkering en verzwaring van de bewijslast aan de orde zijn. Dit geldt ook na de fase van de aanslagregeling bijvoorbeeld als de inspecteur wil navorderen. Dat is terecht. Als de overheid gebruikmaakt van de bevoegdheid om verplichtingen aan burgers op te leggen, is het redelijk dat erop wordt toegezien dat de verplichtingen deugdelijk worden nagekomen. Laat de Belastingdienst het er zelf bij zitten, dan moet dat voor zijn rekening komen en moet dit niet de belastingplichtigen voor de voeten worden geworpen.”

2.17.

De rechtbank maakt hieruit op dat de inspecteur zijn bevoegdheid tot het nemen van een informatiebeschikking kan verspelen door niet adequaat op te treden. Vaststaat dat de inspecteur op 3 november 2010 voorafgaand aan het opleggen van de navorderingsaanslagen belanghebbende heeft verzocht nadere gegevens en inlichtingen te verstrekken. Tevens staat vast dat de informatiebeschikking eerder genomen had kunnen worden en dat de bezwaarfase geen ander licht werpt op de feiten en omstandigheden zoals die de inspecteur al bekend waren in de fase voorafgaand aan het opleggen van de navorderingsaanslagen. Door dan voorafgaand aan het opleggen van de navorderingsaanslagen geen informatiebeschikkingen te nemen heeft de inspecteur zijn rechten tot het nemen van een informatiebeschikking naar het oordeel van de rechtbank verspeeld.

2.18.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de onderhavige informatiebeschikkingen onrechtmatig zijn genomen.

2.19.

De overige standpunten van belanghebbende behoeven geen verdere bespreking meer.

2.20.

Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond verklaard.

2.21.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.888 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 2 voor het gewicht van de zaak). Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2013, nr. 12/02674, ECLI:NL:HR:2013:BZ6822 blijkt dat er sprake is van slechts één beroep indien, zoals hier, verscheidene beschikkingen in hetzelfde geschrift zijn vervat en dat het aantal beschikkingen een rol kan spelen bij het bepalen van de wegingsfactor. Gelet op de omstandigheden dat in het onderhavige beroep elf informatiebeschikkingen aan de orde zijn en gezien de moeilijkheid van de zaak kent de rechtbank een wegingsfactor 2 voor het gewicht van de zaak toe.

2.22.

Voor vergoeding van kosten van de bezwaarfase acht de rechtbank geen termen aanwezig. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij om vergoeding van deze kosten heeft verzocht voordat, zoals is vereist op grond van artikel 7:15, derde lid, van de Awb, uitspraak op bezwaar is gedaan.

Deze uitspraak is gedaan op 29 oktober 2013 door mr. W.A.P. van Roij, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. W.A. de Paepe, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.